RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], eiser
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.17551
V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. A. Simicevic),
en
(gemachtigde: mr. J.A. Weststrate).
Procesverloop
Bij besluit van 18 maart 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft op 30 maart 2026 tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
Verweerder heeft op 31 maart 2026 de maatregel van bewaring opgeheven, omdat eiser die dag is overgedragen aan Spanje.
Eiser heeft verzocht om schriftelijke afdoening van het beroep.
De rechtbank heeft op 2 april 2026 bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft en het onderzoek gesloten. Op diezelfde dag heeft de rechtbank het onderzoek weer heropend, omdat was gebleken dat eiser nog beroepsgronden wilde indienen.
Op 3 april 2026 heeft eiser beroepsgronden ingediend.
Op 7 april 2026 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.
Op 7 april 2026 heeft de rechtbank het onderzoek gesloten. Op 8 april 2026 heeft de rechtbank het onderzoek weer heropend en verweerder de gelegenheid geboden een bepaald stuk aan het dossier toe te voegen. Op 9 april 2026 heeft verweerder dat stuk aan het dossier toegevoegd. Eiser heeft hierop schriftelijk gereageerd.
Op 9 april 2026 heeft de rechtbank het onderzoek weer gesloten.
Overwegingen
Inleiding
1. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan op 31 maart 2026 onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.
Elektronische handtekening op de machtiging tot binnentreden
2. Eiser betoogt dat de elektronische handtekening op de machtiging tot binnentreden niet kan worden geverifieerd. Daardoor kan niet worden vastgesteld dat de machtiging is ondertekend vóór het binnentreden. In het verlengde daarvan kan niet worden vastgesteld dat er rechtmatig is binnengetreden. Het onrechtmatig binnentreden vormt volgens eiser een zodanig ernstig gebrek dat voor een belangenafweging geen plaats meer is. Indien er wel ruimte zou zijn voor een belangenafweging, moet die volgens eiser in zijn voordeel uitvallen. Eiser verzet zich tegen de later ingebrachte versie van de machtiging tot binnentreden. Volgens eiser dient verweerder aanstonds een verifieerbaar exemplaar te overleggen en niet pas achteraf. Dat is volgens hem ook in strijd met de goede procesorde, reden waarom hij verzoekt de later ingebrachte versie buiten beschouwing te laten.
De rechtbank overweegt dat zij de elektronische handtekening op de bestandsversie van de machtiging tot binnentreden die verweerder aanvankelijk in het digitale dossier had geüpload, niet heeft kunnen verifiëren. Verweerder heeft op 8 april 2026, na daartoe door de rechtbank in de gelegenheid te zijn gesteld, het originele bestand van de machtiging tot binnentreden in het digitale dossier geüpload.
De rechtbank ziet geen aanleiding om, zoals door eiser verzocht, deze later ingebrachte bestandsversie van de machtiging buiten beschouwing te laten. Van strijd met de goede procesorde is geen sprake, reeds nu er (op verzoek van eiser zelf) geen zitting heeft plaatsgevonden die moest worden aangehouden en eiser de gelegenheid heeft gekregen om schriftelijk te reageren op de later ingediende versie van de machtiging. Bovendien gaat het hier niet om de maatregel van bewaring zelf, maar om een stuk dat betrekking heeft op het voortraject, zodat eisers verwijzing (overigens zonder vermelding van een kenmerk of vindplaats) in de schriftelijke reactie van 9 april 2026 naar een uitspraak van zittingsplaats Den Bosch geen doel treft. Verder wijst de rechtbank op de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van Raad van State (Afdeling) van 23 oktober 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4237, en 10 april 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1537, waarin de Afdeling later ingediende originele bestandsversies van bewaringsmaatregelen heeft toegelaten.
De rechtbank heeft het op 8 april 2026 door verweerder ingediende originele bestand van de machtiging tot binnentreden in een pdf-viewer geopend. Na het aanklikken van ‘Handtekeningen weergeven’ in de balk bovenin het document, verscheen er een melding waaruit het volgende blijkt. De handtekening is geldig, de ondertekening heeft plaatsgevonden door de politie op 15 maart 2026 om 17:12 uur en nadien is het document niet gewijzigd. Gelet hierop concludeert de rechtbank dat de machtiging tot binnentreden rechtsgeldig is ondertekend op 15 maart 2026.
Het binnentreden heeft daarna, op 18 maart 2026, plaatsgevonden. Er is aldus binnengetreden op basis van een geldig machtiging tot binnentreden. Van een onrechtmatige binnentreding en daarmee een gebrek in het voortraject is dus geen sprake. De onder 2. weergegeven beroepsgrond slaagt dan ook niet.
Elektronische handtekening op de maatregel van bewaring
3. Eiser heeft verder gesteld door ook de elektronische handtekening op de maatregel van bewaring niet geverifieerd kan worden. Dit maakt volgens eiser dat de bewaring van meet af aan onrechtmatig was.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Anders dan eiser stelt, kan de elektronische handtekening op de maatregel van bewaring wel worden geverifieerd. Daaruit blijkt dat de maatregel van bewaring rechtsgeldig is ondertekend op 18 maart 2026 om 08.58 uur. Nu die ook is gedagtekend en met redenen is omkleed, is de maatregel rechtsgeldig tot stand gekomen.
Bewaringsgronden
4. In de maatregel van bewaring heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat de maatregel nodig was, omdat een concreet aanknopingspunt bestond voor een overdracht als bedoeld in de Dublinverordening en een significant risico bestond dat eiser zich aan het toezicht zou onttrekken. Verweerder heeft, met toepassing van artikel 5.1b, tweede, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser:3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;3e. in verband met zijn aanvraag om toelating onjuiste of tegenstrijdige gegevens heeft verstrekt over zijn identiteit, nationaliteit of de reis naar Nederland of een andere lidstaat;3k. een overdrachtsbesluit heeft ontvangen en geen medewerking verleent aan de overdracht aan de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielverzoek;en als lichte gronden vermeld dat eiser:4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
Eiser bestrijdt dat hij geen medewerking verleende aan een overdracht aan Spanje. Eiser heeft weliswaar verklaard dat hij niet naar Spanje wilde, maar niet dat hij niet zou meewerken aan een geplande overdracht.
Met dit standpunt bestrijdt eiser zware grond 3k. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich terecht en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat zware grond 3k zich feitelijk voordoet. Tijdens het Dublingehoor op 6 februari 2026 heeft eiser op de vraag of hij van plan is om mee te werken aan een geregelde overdracht geantwoord dat hij dat zal weigeren, omdat hij in Spanje niemand heeft en niet kan werken, en dat hij Nederland zelf wil verlaten. Tijdens het vertrekgesprek op 27 februari 2026 heeft gezegd: “Ik ga niet naar Spanje, ik zal zelf wel weggaan uit Nederland.” Tijdens het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling heeft eiser verklaard dat hij niet terug wil naar Spanje en dat terugsturen naar Spanje tijdverspilling is omdat hij na aankomst in Spanje gelijk naar Frankrijk zal gaan om daar zwart te werken. Op basis van deze verklaringen, in samenhang bezien, heeft verweerder terecht het standpunt ingenomen dat eiser geen medewerking verleende aan zijn overdracht aan Spanje. Nu zware grond 3k zich dus feitelijk voordoet, heeft verweerder deze zware grond aan de maatregel van bewaring ten grondslag kunnen leggen.
De overige aan de maatregel van bewaring ten grondslag gelegde zware en lichte gronden, en de daarop gegeven toelichtingen, zijn door eiser niet bestreden. Deze onbestreden gronden en de daarop gegeven toelichtingen, doorstaan de ambtshalve toetsing van de rechtbank. Verweerder heeft deze gronden dan ook eveneens aan de maatregel van bewaring ten grondslag kunnen leggen.
De onder 4. vermelde gronden, in samenhang bezien, kunnen de maatregel van bewaring dragen. Er volgt namelijk uit dat er een significant risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. De beroepsgrond slaagt niet.
Lichter middel
5. Eiser voert aan dat verweerder had moeten volstaan met een lichter middel dan de inbewaringstelling. Eiser verbleef in een asielzoekerscentrum en was dus beschikbaar voor de autoriteiten.
Gelet op de onder 4. en 4.4. genoemde dragende zware en lichte gronden en op de omstandigheden genoemd in de toelichting op die gronden, en meer specifiek op de omstandigheden dat eiser Nederland zonder reisdocumenten en daarmee illegaal is ingereisd, meerdere aliassen heeft opgegeven, geen medewerking verleende aan overdracht aan Spanje en niet beschikte over een vaste woon- of verblijfplaats, uit welke gronden en omstandigheden tezamen een significant risico op onttrekking aan het toezicht voortvloeit, is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich deugdelijk gemotiveerd en terecht op het standpunt heeft gesteld dat er in dit geval geen andere afdoende maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. Hierbij betrekt de rechtbank dat eiser tijdens het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling geen persoonlijke omstandigheden naar voren heeft gebracht die aanleiding geven om een lichter middel toe te passen.
De beroepsgrond dat een lichter middel moest worden toegepast, slaagt gezien het voorgaande niet.
Slotsom beroepsgronden
6. Uit het voorgaande volgt dat de beroepsgronden van eiser niet leiden tot het oordeel dat de maatregel van bewaring voorafgaande aan de opheffing daarvan op enig moment onrechtmatig is geweest.
Ambtshalve toetsing
7. De rechtbank overweegt tot slot dat zij, zoals blijkt uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858, gehouden is ambtshalve de rechtmatigheidsvoorwaarden van de maatregel van bewaring te toetsen. Ook met inachtneming van deze ambtshalve toetsing ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest.
Conclusie en gevolgen
8. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. F.A. Groeneveld, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Stehouwer, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.