[eiser] ,
geboren op [geboortedag] 1999, van Tanzaniaanse nationaliteit, eiser en verzoeker (hierna: eiser)
(gemachtigde: mr. J.M.M. Heilbron),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. G. Erdal).
Inleiding
1. Eiser heeft op 25 januari 2023 een aanvraag ingediend om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd.
Verweerder heeft deze aanvraag met het bestreden besluit van 11 augustus 2025 afgewezen als kennelijk ongegrond.
Hiertegen heeft eiser beroep ingesteld. Daarnaast heeft hij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen, die ertoe strekt zijn uitzetting te voorkomen tot op het beroep is beslist.
De rechtbank/voorzieningenrechter (de rechtbank) heeft de zaken op 8 december 2025 op een zitting behandeld. Hieraan hebben de gemachtigden van beide partijen deelgenomen. Eiser is niet verschenen op de zitting.
Op de zitting heeft de rechtbank het onderzoek geschorst om verweerder de mogelijkheid te geven te reageren op het door eiser overgelegde contra-expertiserapport van 15 augustus 2025. Op 15 januari 2026 heeft verweerder op dit rapport gereageerd. Op 2 februari 2026 heeft eiser gereageerd op de reactie van verweerder.
Nadat beide partijen toestemming hebben verleend om uitspraak te doen zonder nadere zitting, heeft de rechtbank op 2 maart 2026 het onderzoek gesloten.
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank behandelt het beroep aan de hand van de door eiser aangevoerde argumenten, de beroepsgronden.
De rechtbank verklaart het beroep gegrond. Dat betekent dat eiser gelijk krijgt. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Het asielrelaas
3. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Hij heeft verklaard dat hij op 17-jarige leeftijd een homoseksuele relatie met zijn medescholier, [naam] , heeft gekregen en met hem is gaan samenwonen. Op enig moment is een agent van de society police naar het ouderlijk huis van eiser gegaan en heeft hij aan eisers vader verteld dat eiser een relatie had met een man. Vanaf dat moment wilde de vader van eiser geen contact meer met hem. Desondanks bleef eiser geregeld bij zijn ouderlijk huis langsgaan op de momenten dat zijn vader niet thuis was om bij zijn moeder te eten. Toen zijn vader hierachter kwam, heeft hij gezegd dat hij van plan was om eiser te vergiftigen. Niet lang hierna heeft [naam] een oproepbrief van de politie ontvangen, waarop hij besloot om het land te ontvluchten naar Kenia. Eiser heeft uit angst om zelf ook een oproepbrief van de politie te krijgen besloten om eveneens te vluchten. Vlak voor zijn vertrek heeft eiser twee keer een oproep van de politie gekregen om zich te komen melden. Hierna is eiser uit Tanzania vertrokken. Nadat hij zijn land heeft verlaten is er een artikel in de krant verschenen waarin staat dat eiser wordt gezocht voor diverse aanklachten, waaronder deelname aan homoseksuele handelingen. Eiser wordt met naam en foto in het artikel genoemd.
Ter onderbouwing van het asielrelaas heeft eiser verschillende documenten overgelegd, onder meer twee politieoproepen, een krantenartikel waar hij in wordt genoemd en enkele foto’s van hemzelf op lhbti-evenementen.
Het bestreden besluit
4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens verweerder de volgende asielmotieven:
1. identiteit, nationaliteit en herkomst;
2. de problemen vanwege eisers seksuele gerichtheid.
Verweerder heeft de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig geacht. Verweerder acht de gestelde problemen vanwege de seksuele gerichtheid van eiser daarentegen niet geloofwaardig. Uit onderzoek van Bureau Documenten is gebleken dat de door eiser overgelegde politieoproepen met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid niet bevoegd zijn opgemaakt en afgegeven. Daarom onderbouwen ze het asielrelaas van eiser niet. Ook het krantenbericht onderbouwt het asielrelaas van eiser niet. Omdat de authenticiteit van dit document niet door Bureau Documenten kon worden vastgesteld, is een neutraal advies afgegeven. Volgens verweerder kan dit krantenbericht een begin van bewijs vormen, maar dan moeten de verklaringen van eiser over zijn homoseksuele gerichtheid ook overtuigend zijn. Dat is volgens verweerder niet het geval. Eiser heeft tegenstrijdig verklaard over de problemen die zijn ontstaan met zijn vader en de gestelde problemen met de politie. Verder heeft verweerder eiser tegengeworpen dat hij oppervlakkig en zonder diepgaande gevoelens heeft verklaard over zijn relatie met [naam] , dat hij zijn gevoel over het besef op mannen te vallen weinig inzichtelijk heeft gemaakt en dat eiser geen kennis heeft over de lhbti-organisaties die actief zijn in Tanzania. Eiser heeft wel aangetoond enige kennis te hebben van de situatie van lhbti in Tanzania en Nederland, maar dit weegt niet op tegen zijn onpersoonlijke en oppervlakkige verklaringen over zijn eigen beleving als homoseksuele man in Tanzania. Verweerder concludeert daarom dat de verklaringen van eiser geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen. Verweerder meent verder dat eiser, gelet op de wisselende en tegenstrijdige verklaringen die hij heeft afgelegd en de omstandigheid dat hij valse documenten heeft overgelegd, in grote lijnen niet als geloofwaardig kan worden beschouwd.
Omdat eiser volgens verweerder verklaringen heeft afgelegd die worden beoordeeld als kennelijk vals, inconsequent en tegenstrijdig en die maken dat alle overtuigingskracht aan het asielrelaas wordt ontnomen, heeft verweerder de aanvraag als kennelijk ongegrond afgewezen.
Eisers eerste beroepsgrond: de geloofwaardigheidsbeoordeling
5. Eiser voert aan dat de door verweerder toegepaste geloofwaardigheidsbeoordeling, zoals vastgelegd in WI 2024/6, in strijd is met het Unierecht, voornamelijk artikel 4 van de Kwalificatierichtlijn en het EVRM. Hij verwijst in dit verband naar de prejudiciële vragen die zijn gesteld door deze rechtbank, zittingsplaats Roermond, in haar tussenuitspraak van 7 januari 2025. Eiser heeft verzocht de behandeling van het beroep aan te houden in afwachting van de beantwoording van deze prejudiciële vragen.
De rechtbank ziet geen grond voor het oordeel dat de toepassing van de in WI 2024/6 neergelegde geloofwaardigheidsbeoordeling in iedere asielzaak zonder meer leidt tot een met het Unierecht of het EVRM strijdige geloofwaardigheidsbeoordeling. Wel zijn er situaties denkbaar waarin de toepassing van WI 2024/6 in een concrete zaak kan leiden tot een geloofwaardigheidsbeoordeling die in strijd is met artikel 4 van de Kwalificatierichtlijn. De rechtbank verwijst hiervoor naar rechtsoverwegingen 7.1 tot en met 7.3 van de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Utrecht, van 10 juni 2025 en de rechtsoverwegingen 6.2. en 6.3. van de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Zwolle van 20 oktober 2025, en maakt deze overwegingen de hare. Hieruit volgt dat per individuele zaak moet worden beoordeeld of de verrichte geloofwaardigheidsbeoordeling in lijn met het (Unie)recht is. De rechtbank ziet geen daarom geen aanleiding om de beantwoording van deze prejudiciële af te wachten.
De rechtbank is in het huidige geval van oordeel dat de door verweerder verrichte geloofwaardigheidsbeoordeling niet strijdig is met het Unierecht. Verweerder heeft in deze zaak integraal en in onderling verband en samenhang eisers verklaringen en de door eiser ingebrachte documenten onderzocht en beoordeeld. Verweerder heeft hierbij geen documenten of verklaringen buiten beschouwing gelaten en heeft de verklaringen en het onderbouwende bewijs in samenhang bezien. Van strijd met het Unierecht is in deze zaak daarom geen sprake.
Documenten
6. Eiser heeft een contra-expertiserapport overgelegd van het NFO ten aanzien van de echtheid van de overgelegde documenten. Het NFO komt tot de conclusie dat het krantenartikel overeenkomt met het beschikbare referentiemateriaal en concludeert dat er geen tegenstrijdigheden zijn ontdekt. Eiser voert aan dat hij enkel op basis van de publicatie in de krant al gevaar loopt in zijn land van herkomst. In het krantenartikel wordt eiser namelijk genoemd met naam en foto en wordt er verslag gedaan van in Tanzania verboden homoseksuele handelingen.
Verweerder heeft een reactie gevraagd van Bureau Documenten op de conclusie van het contra-expertiserapport. Verweerder ziet in de reactie van Bureau Documenten geen aanleiding om anders te oordelen dan in het bestreden besluit en verwijst hiervoor naar de bevindingen van Bureau Documenten.
De rechtbank overweegt het volgende. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling volgt dat een advies van Bureau Documenten een deskundigenadvies is. Verweerder mag in beginsel uitgaan van de juistheid van dit advies, maar moet wel nagaan of het advies op een zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, de redenering daarin begrijpelijk is, en de getrokken conclusies daarop aansluiten. Een vreemdeling kan een deskundigenadvies betwisten door aan te voeren dat het advies niet zorgvuldig tot stand is gekomen, de redenering niet begrijpelijk is of de conclusies niet volgen uit de redeneringen. Ook kan een vreemdeling een deskundigenadvies betwisten door middel van een contra-expertise die concrete aanknopingspunten biedt voor inhoudelijke twijfel het deskundigenadvies. In dat geval mag het bestuursorgaan niet zonder nadere motivering op het advies afgaan.
De rechtbank stelt vast dat Bureau Documenten in zijn eerste verklaring van onderzoek heeft geconcludeerd dat gelet op het ontbreken van voldoende, betrouwbaar vergelijkingsmateriaal geen uitspraak kan worden gedaan of de krant in deze verschijningsvorm is uitgegeven. In een tweede verklaring van onderzoek stelt Bureau Documenten dat het document waarschijnlijk niet in deze verschijningsvorm is uitgegeven omdat pagina 6 en pagina 22 afwijken van het beschikbare vergelijkingsmateriaal. In de reactie op de contra-expertise van het NFO herhaalt Bureau Documenten deze conclusie en legt uit dat de krant in lay-out en productietechniek afwijkend is.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser met de contra-expertise van het NFO twijfel gezaaid over de conclusie van Bureau Documenten. De reactie die Bureau Documenten hierop heeft gegeven heeft deze twijfel onvoldoende weggenomen. Het NFO concludeert dat de krant overeenkomt met het beschikbare referentiemateriaal en dat het artikel qua druktechnieken en proporties overeenkomt met de overige artikelen van de krant. Het is niet inzichtelijk op basis waarvan Bureau Documenten tot de conclusie komt dat de krant in lay-out en productietechniek afwijkend is, omdat niet concreet is toegelicht op basis van welke bevindingen tot deze conclusie is gekomen. Bovendien heeft verweerder niet gemotiveerd waarom van deze conclusie kan worden uitgegaan, nu deze tegenovergesteld is aan de conclusie van het NFO.
De beroepsgrond slaagt. Reeds hierom is het beroep gegrond. De rechtbank ziet in het kader van finale geschilbeslechting aanleiding om de volgende beroepsgronden van eiser alsnog te bespreken.
Verklaringen
7. Eiser stelt zich op het standpunt dat verweerder ten onrechte zijn homoseksuele gerichtheid en zijn problemen hierdoor ongeloofwaardig heeft geacht. Verweerder heeft op verschillende punten ten onrechte geconcludeerd dat eiser wisselend en tegenstrijdig heeft verklaard over zijn homoseksualiteit.
De ontdekking van eisers vader
Eiser meent dat verweerder ten onrechte stelt dat hij wisselend heeft verklaard over het moment waarop zijn vader ontdekte dat hij een relatie had met een man en wanneer hij is gaan samenwonen.
De rechtbank stelt vast dat eiser in het vrije relaas tijdens zijn nader gehoor eerst het volgende heeft verklaard:
“En we waren samen toen we allebei in de 6e kwamen. In juni 2020 waren we klaar met de middelbare school. Ik besloot verder te gaan naar een college maar hij wilde niet verder studeren. Ik heb mijn college studie niet afgemaakt. Maar we woonden al samen in hetzelfde huis.
De plek waar we woonden was niet ver van het huis van mijn ouders, het was in dezelfde buurt. In 2020 door Corona, mochten wij niet veel bewegen. Ik was bijna nooit bij mijn ouders toen een wijkagent (opmerking tolk: betrokkene noemt de society politie, dat is een klein beetje anders) die is naar mijn ouders toe gegaan en vertelde mijn ouders dat ik een relatie met een man heb. Op een gegeven moment heeft mijn vader me gevraagd of dat waar is. Ik heb het niet tegenover hem ontkend. Vanaf dat moment wilde mijn vader geen contact meer met mij.”
In de correcties en aanvullingen op het nader gehoor corrigeert eiser de laatste alinea door te zeggen dat de agent bij zijn vader is langs geweest toen hij nog bij zijn ouders woonde. Later in het nader gehoor verklaart eiser dat hij al een relatie had met een man voordat hij ging samenwonen. Verweerder stelt zich op basis hiervan op het standpunt dat hij wisselend verklaart over het moment waarop eisers vader ontdekte dat eiser een relatie had met een man.
De rechtbank overweegt dat uit het vrije relaas van eiser niet uitdrukkelijk blijkt dat hij al samenwoonde met zijn vriend toen zijn vader werd benaderd door de wijkagent. Uit de chronologische vertelling is wel af te leiden dat eiser al samenwoonde met zijn vriend voordat zijn vader werd ingelicht door de society police. De rechtbank kan verweerder hierdoor volgen in het standpunt dat eiser tegenstrijdig heeft verklaard over het moment waarop zijn vader erachter kwam dat hij een relatie had met een man en dat eiser daar geen goede verklaring voor heeft gegeven. Daar staat echter ook tegenover dat eiser dit in de correcties en aanvullingen op het gehoor en tijdens het gehoor consistent heeft verbeterd. Deze ogenschijnlijke tegenstrijdigheid kan daarom naar het oordeel van de rechtbank niet zwaar in het nadeel van eiser wegen.
De dreiging van vader met vergiftiging
Eiser voert verder aan dat hij niet wisselend heeft verklaard omtrent de dreiging van zijn vader hem te vergiftigen. Verweerder werpt ten onrechte tegen dat dit niet zou rijmen met de verklaring van eiser dat hij af en toe in het huis van zijn ouders kwam om te eten.
Verweerder heeft zich naar het oordeel van de rechtbank niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat eisers vader hem wilde vermoorden. Verweerder heeft daartoe kunnen overwegen dat eisers vader al sinds 2020 op de hoogte was van eisers seksuele gerichtheid en hij in 2023 Tanzania heeft verlaten. Dat eisers vader in de jaren dat hij wist dat eiser een vriend had niets heeft ondernomen, wijst erop dat hij eiser niet wilde vermoorden. Verweerder heeft daarnaast eveneens kunnen betrekken dat het bevreemdend is dat eiser regelmatig ging eten in zijn ouderlijk huis terwijl zijn vader hem zou hebben willen vergiftigen.
Oppervlakkige verklaringen over zijn relatie
Eiser voert aan dat hij niet oppervlakkig heeft verklaard over zijn liefdesrelatie.
De rechtbank volgt eiser hierin. Verweerder heeft ten onrechte aan eiser tegengeworpen dat hij oppervlakkig heeft verklaard over zijn relatie met [naam] . Eiser heeft specifieke verklaringen gegeven over het karakter van [naam] , over ruzies die zij maakten en over de dingen waar ze samen om konden lachen. Het betreft, anders dan verweerder stelt, niet enkel generieke omschrijvingen. Eiser geeft wel degelijk specifieke verklaringen over zijn relatie met eiser.
Oppervlakkige verklaring over de ontdekking van zijn homoseksuele gevoelens
Eiser betwist dat hij oppervlakkig heeft verklaard over het besef dat hij op mannen viel. Hij heeft op alle vragen antwoord gegeven en verweerder heeft naar aanleiding daarvan geen nadere vragen gesteld. Verder had verweerder rekening moeten houden met eisers culturele achtergrond, nu hij uit een land komt waar zijn gevoelsleven een verboden gevoelsleven is.
De rechtbank volgt eiser hierin. Uit het verslag van het nader gehoor volgt dat eiser op de vraag hoe hij merkte dat hij op mannen valt heeft geantwoord dat hij zich aangetrokken voelde tot jongens en dat hij dat gevoel niet bij meisjes had. Op de vraag of er een specifiek moment was waarop hij merkte dat hij zich tot jongens aangetrokken voelde heeft eiser geantwoord dat hij dat nog goed weet, dat hij tijdens een schoolreis met een groep jongens op het strand was en dat ze wilden gaan zwemmen in zee. Hij voelde zich tot één van hen aangetrokken. Dit was volgens eiser zijn eerste ervaring met gevoelens van seksualiteit. Op de vraag wat hij op dat moment wist over mannen die op mannen vallen, heeft eiser geantwoord dat hij het eerder gezien had in de film, toen hij rond de 15 jaar was, dat twee mannen een relatie hebben. En dat hij zich daar altijd al prettig bij voelde, als hij dat zag. Op de vraag of eiser kan proberen zijn gevoel uitgebreider te verwoorden, hoe het voelde toen hij zeker wist dat hij homoseksueel is, heeft eiser geantwoord dat hij blij was toen hij die bevestiging kreeg dat hij homoseksueel is en dat hij tegelijkertijd bang was voor de reactie van de maatschappij, van de buurt en van zijn familie. Eiser vertelde in antwoord op deze vraag ook dat hij op dat moment dacht dat het iets is waar je mee geboren bent. Eiser heeft er terecht op gewezen dat hij alle vragen van de gehoormedewerker over de ontdekking van zijn homoseksuele gevoelens heeft beantwoord. Anders dan verweerder ziet de rechtbank niet goed in wat er precies aan de verklaringen van eiser schort. Eiser heeft ook terecht naar voren gebracht dat bij de beoordeling of hierover al dan niet afdoende is verklaard, verweerder op grond van WI 2024/6 rekening dient te houden met het referentiekader van de aanvrager. Aspecten die daarbij van belang kunnen zijn, zijn onder andere leeftijd, geslacht, opleiding, land/gebied van herkomst en cultuur. Nu eiser uit een land komt waar homoseksualiteit verboden is, is de verwachting van verweerder dat eiser diepgaander had moeten antwoorden op de hierboven weergegeven vragen, niet realistisch te noemen. Deze beroepsgrond slaagt.
Kennis over lhbti-organisaties
De rechtbank kan eiser verder volgen in zijn betoog dat verweerder ten onrechte aan eiser tegenwerpt dat hij geen kennis zou hebben over lhbti-organisaties in Tanzania terwijl deze wel aanwezig zouden zijn geweest. Eiser is afkomstig van Zanzibar. De organisaties waar verweerder naar verwijst zijn niet actief op Zanzibar. Dit wordt door verweerder in de besluitvorming ook onderkend. Verweerder heeft onvoldoende gemotiveerd waarom alsnog van eiser verlangd mag worden dat hij kennis zou hebben over deze organisaties en waarom het in zijn nadeel wordt meegewogen dat hij die kennis niet heeft.
Kennelijke ongegrondheid
8. Eiser betoogt dat zijn asielaanvraag ten onrechte kennelijk ongegrond is verklaard.
De rechtbank volgt eiser hierin. Verweerder heeft de aanvraag van eiser afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 30b, eerste lid, onder e, van de Vw, omdat eiser valse documenten heeft overgelegd zoals blijkt uit het onderzoek van Bureau Documenten. In artikel 30b, eerste lid, onder e, van de Vw staat echter dat een asielaanvraag als kennelijk ongegrond mag worden afgewezen als de vreemdeling kennelijk inconsequente en tegenstrijdige, kennelijk valse of duidelijk onwaarschijnlijke verklaringen heeft afgelegd die strijdig zijn met voldoende geverifieerde informatie over het land van herkomst, waardoor zijn verklaringen alle overtuigingskracht wordt ontnomen. Uit deze bepaling volgt dus niet dat verweerder de aanvraag kennelijk ongegrond kan verklaren in het geval de vreemdeling vervalste documenten heeft overgelegd. Verweerder heeft de aanvraag dan ook ten onrechte op deze grond kennelijk ongegrond verklaard. Deze beroepsgrond slaagt.
Conclusie en gevolgen
9. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met het motiveringsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten of zelf een beslissing te nemen. Dit omdat verweerder een nieuwe geloofwaardigheidsbeoordeling dient te maken.
10. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat verweerder een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank geeft verweerder hiervoor acht weken.
11. Nu het beroep gegrond is, bestaat er geen aanleiding meer om de gevraagde voorziening te treffen. De rechtbank wijst dat verzoek dan ook af.
12. Omdat het beroep gegrond is moet verweerder de door eiser gemaakte proceskosten vergoeden. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 2.802,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het indienen van een verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).
Beslissing
De rechtbank,
in de zaak geregistreerd onder nummer NL25.38318:
In de zaak geregistreerd onder nummer NL25.38319:
- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
In beide zaken:
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 2.802,- aan proceskosten aan eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J.M. Baldinger, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. L.M. Jongejans, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.