RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiseres], eiseres
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.18234
V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. A. Dogan),
en
(gemachtigde: mr. S. Juriaans).
Procesverloop
Bij besluit van 14 maart 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiseres de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 8 april 2026 op zitting behandeld. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. De tolk, [naam], heeft via een telefonische verbinding aan de zitting deelgenomen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
Bewaringsgronden
1. In de maatregel van bewaring heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat de maatregel nodig is, omdat een concreet aanknopingspunt bestaat voor een overdracht als bedoeld in de Dublinverordening en een significant risico bestaat dat eiseres zich aan het toezicht zal onttrekken. Verweerder heeft, met toepassing van artikel 5.1b, tweede, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb), als zware gronden vermeld dat eiseres:3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van haar identiteit en nationaliteit;3k. een overdrachtsbesluit heeft ontvangen en geen medewerking verleent aan de overdracht aan de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van haar asielverzoek;en als lichte gronden vermeld dat eiseres:4a. zich niet aan een of meer andere voor haar geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
Eiseres voert aan dat verweerder ten onrechte heeft gesteld dat er een significant risico op onttrekking aan het toezicht bestaat. Hiertoe stelt eiseres dat zij zich niet heeft onttrokken aan het toezicht (grond 3b). Verder stelt zij hiertoe dat verweerder ten onrechte zwaar heeft meegewogen dat zij te kennen heeft gegeven niet mee te willen werken aan een overdracht aan Polen (grond 3k). Daarnaast stelt eiseres dat zij bij een oom kan verblijven en in zoverre een vaste verblijfplaats heeft (grond 4c), en dat zij over een bedrag van € 1.300,- beschikt (grond 4d).
Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling), bijvoorbeeld de uitspraak van 25 maart 2020, ECLI:NL:RVS:2020:829, volgt dat verweerder bij (onder andere) de zware gronden 3a en 3b kan volstaan met een toelichting dat deze gronden zich feitelijk voordoen. Verweerder heeft in het bestreden besluit gemotiveerd dat en waarom de zware gronden 3a en 3b zich feitelijk voordoen.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich terecht en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat de (onbestreden) zware grond 3a zich feitelijk voordoet. Eiseres is immers Nederland zonder in het bezit te zijn van een geldig reisdocument (paspoort mét visum), en daarmee niet op de voorgeschreven wijze, ingereisd. Verweerder heeft zware grond 3a dan ook aan de maatregel van bewaring ten grondslag kunnen leggen.
Verweerder heeft zich naar het oordeel van de rechtbank eveneens terecht en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt gesteld dat zware grond 3b zich feitelijk voordoet. Eiseres is op 4 september 2025 op grond van de Dublinverordening overgedragen aan Polen. Daarna is zij op enig moment zelfstandig teruggekeerd naar Nederland, maar heeft zij geen melding van haar illegaal verblijf gemaakt bij de Nederlandse autoriteiten. Hiermee heeft eiseres zich aan het toezicht op vreemdelingen onttrokken. Verweerder heeft zware grond 3b dan ook eveneens aan de maatregel van bewaring ten grondslag kunnen leggen.
De zware gronden 3a en 3b, in onderling verband en samenhang bezien, kunnen naar het oordeel van de rechtbank de maatregel van bewaring al dragen. Er vloeit namelijk uit voort dat er een significant risico bestaat dat eiseres zich aan het toezicht zal onttrekken. Gelet hierop behoeven de overige gronden geen bespreking. De onder 1.1. weergegeven beroepsgrond slaagt niet.
Lichter middel
2. Eiseres betoogt dat verweerder had moeten volstaan met een lichter middel, zoals een meldplicht. Hiertoe voert zij aan dat ze bij haar oom kan verblijven en beschikt over voldoende middelen van bestaan. Verder stelt zij dat zij een partner heeft in Nederland bij wie zij graag wil kunnen zijn en dat bewaring een onevenredige inbreuk maakt op haar recht op gezinsleven op grond van artikel 8 van het EVRM. Verweerder heeft hier volgens eiseres onvoldoende rekening mee gehouden.
Bij de beantwoording van de vraag of verweerder met toepassing van een lichter middel had moeten volstaan, beoordeelt de rechtbank of verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat geen andere afdoende maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. Daarbij past een grondig onderzoek naar de feitelijke elementen van het concrete geval en een specifieke motivering van verweerder; verwijzing naar de bewaringsgronden volstaat daarvoor niet. De rechtbank wijst op de uitspraken van de Afdeling van 23 februari 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:674) en 10 april 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:1309) en het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) van 5 juni 2014 (ECLI:EU:C:2014:1320, Mahdi).
Gelet op de onder 1.5. genoemde dragende zware gronden en op de omstandigheden genoemd in de toelichting op die gronden, en meer specifiek op de omstandigheden dat eiseres Nederland zonder paspoort en visum is ingereisd, zich niet beschikbaar heeft gehouden in Polen en zelfs na een eerdere Dublinoverdracht aan Polen weer is teruggekeerd naar Nederland zonder zich te melden bij de Nederlandse autoriteiten, uit welke gronden en omstandigheden tezamen een significant risico op onttrekking aan het toezicht voortvloeit, is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich deugdelijk gemotiveerd en terecht op het standpunt heeft gesteld dat er in dit geval geen andere afdoende maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. Dat zij bij een oom in Nederland zou kunnen verblijven en beschikt over een geldbedrag is, bij gebreke van een concrete toelichting waarom dit het risico op onttrekking zou verminderen en gelet op de hiervoor genoemde omstandigheden, onvoldoende om tot een ander oordeel te komen. Hierbij betrekt de rechtbank dat eiseres tijdens het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling heeft verklaard dat zij niet terug wil naar Polen, maar in Nederland wil blijven.
De stelling van eiseres dat verweerder onvoldoende rekening heeft gehouden met haar gezinsleven met haar partner in Nederland en dat inbewaringstelling vanwege dit gezinsleven onevenredig bezwarend is, volgt de rechtbank niet en leidt dan ook evenmin tot een ander oordeel. Nog daargelaten dat de gestelde relatie niet is onderbouwd (ook niet in beroep), heeft eiseres niet toegelicht en geconcretiseerd, laat staan onderbouwd, op welke wijze zij invulling geeft aan haar gestelde gezinsleven, en op welke wijze de inbewaringstelling haar zal belemmeren in het uitoefenen van dit (gestelde) gezinsleven. Gelet hierop bestaat er geen grond voor het oordeel dat de maatregel van bewaring onevenredig bezwarend is. Ter vergelijking verwijst de rechtbank naar de uitspraak van de Afdeling van 23 januari 2023, ECLI:NL:RVS:2020:224.
Gelet op het vorenstaande, in samenhang bezien, slaagt de beroepsgrond dat een lichter middel had moeten worden toegepast niet.
Slotsom beroepsgronden
3. Uit het voorgaande volgt dat de beroepsgronden van eiseres niet leiden tot het oordeel dat de maatregel van bewaring tot het moment van sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was.
Ambtshalve toetsing
4. De rechtbank overweegt tot slot dat zij, zoals blijkt uit het arrest van het Hof van 8 november 2022 (ECLI:EU:C:2022:858), gehouden is ambtshalve de rechtmatigheidsvoorwaarden van de maatregel van bewaring te toetsen. Ook met inachtneming van deze ambtshalve toetsing ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de maatregel van bewaring tot het moment van sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was.
Conclusie en gevolgen
5. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. F.A. Groeneveld, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Stehouwer, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.