Voorlopige voorzieningen
Beschikking op het op 21 januari 2026 ingekomen verzoekschrift van:
[de vrouw] ,
de vrouw,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. A. Ramsaroep in Den Haag.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:
[de man] ,
de man,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. A.J. van Steensel in Den Haag.
Procedure
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
Op 11 maart 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:
Van de zijde van de vrouw zijn pleitnotities overgelegd en voorgehouden.
Verzoek en verweer
De vrouw verzoekt voor de duur van het geding, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
De man voert verweer, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken. Daarnaast verzoekt de man zelfstandig, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, voor de duur van de echtscheidingsprocedure te bepalen dat:
De vrouw voert verweer, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.
Beoordeling
Uitsluitend gebruik echtelijke woning
Op de zitting heeft de man ingestemd met het verzoek van de vrouw om het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning aan haar toe te kennen. De rechtbank zal het verzoek daarom, als niet weersproken en op de wet gegrond, toewijzen.
De rechtbank merkt daarbij op dat de man zich tot de vrouw kan wenden indien hij spullen van de kinderen nodig heeft uit woning. De vrouw heeft op de zitting aangegeven dat zij bereid is de benodigde spullen aan de man te geven.
Toevertrouwing kinderen
Gelet op de voorlopige zorgregeling – waarover hierna meer – ziet de rechtbank aanleiding om het verzoek van de vrouw om de kinderen aan haar toe te vertrouwen, toe te wijzen.
Voorlopige zorgregeling
Voorlopige reguliere zorgregeling
Partijen zijn op de zitting een voorlopige reguliere zorgregeling overeengekomen. Zij zijn overeengekomen dat de kinderen in de even weken bij de man zijn van vrijdag na school tot maandag 18.30 uur, waarbij de man de kinderen op vrijdag uit school haalt en hen op maandag – na het avondeten – naar de vrouw brengt, zodat de kinderen om 18.30 uur bij de vrouw zijn. Verder zijn zij overeengekomen dat de kinderen in de oneven weken bij de man zijn van zondag 18.30 uur tot maandag 18.30 uur, waarbij de vrouw de kinderen op zondag – na het avondeten – naar de man brengt, zodat de kinderen om 18.30 uur bij de man zijn, en de man de kinderen op maandag – na het avondeten – naar de vrouw brengt, zodat de kinderen om 18.30 uur bij de vrouw zijn.
De Raad heeft op de zitting in het kader van de voorlopige zorgregeling een aantal punten onder de aandacht gebracht. Zo acht de Raad het in het belang van de kinderen dat er tijdens de overdracht uitsluitend gesproken wordt over praktische zaken die betrekking hebben op de kinderen en dat er geen familieleden bij de overdracht aanwezig zijn. Daarnaast heeft de Raad naar voren gebracht dat het van belang is dat geen beslissingen eenzijdig worden genomen en dat beide partijen niet langskomen op momenten waarop de andere ouder de zorg voor de kinderen heeft. Beide partijen hebben op de zitting het belang hiervan onderschreven en zij hebben aangegeven zich daaraan te zullen houden.
De rechtbank zal overeenkomstig de overeenstemming van partijen beslissen, ook omdat zij dit in het belang van de kinderen acht. Het meer of anders verzochte over de reguliere voorlopige zorgregeling zal de rechtbank afwijzen.
Voorlopige belregeling
Op de zitting hebben partijen ook een afspraak gemaakt over een voorlopige belregeling. Zij zijn overeengekomen dat de vrouw in de even weken op zondag om 17.30 uur telefonisch contact heeft met de kinderen. De man heeft aangegeven geen behoefte te hebben aan een vast belmoment wanneer de kinderen bij de vrouw verblijven. Indien de man telefonisch contact wil met de kinderen, zal hij de vrouw hierover een bericht sturen. De vrouw heeft op de zitting aangegeven dat zij hiervoor openstaat. De rechtbank gaat er daarbij wel vanuit dat dit telefonisch contact beperkt zal blijven tot eenmaal per week.
De rechtbank zal overeenkomstig de overeenstemming van partijen beslissen, ook omdat zij dit in het belang van de kinderen acht. Het meer of anders verzochte over de belregeling zal de rechtbank afwijzen.
Voorlopige vakantieregeling en [datum] 2026
Ten aanzien van de verzoeken van de man over de vakanties overweegt de rechtbank als volgt. De rechtbank onderschrijft het uitgangspunt van een gelijke verdeling van vakanties en zal met betrekking tot de meivakantie 2026 beslissen dat de kinderen de eerste week bij de man verblijven en de tweede week bij de vrouw. Voor de herfstvakantie 2026 zal de rechtbank ook bepalen dat de vakantie bij helfte wordt verdeeld. Met betrekking tot de zomervakantie 2026 is de rechtbank, net als de Raad en de vrouw, van oordeel dat het gezien de leeftijd van de kinderen te lang is om drie weken achter elkaar bij de ene ouder te verblijven en drie weken bij de andere ouder, zoals door de man is verzocht. De rechtbank zal daarom voor de zomervakantie 2026 bepalen dat de kinderen in de eerste en laatste week bij de man verblijven, en dat de voorlopige reguliere zorgregeling in de overige weken wordt voortgezet. Het meer of anders verzochte met betrekking tot de voorlopige vakantieregeling zal de rechtbank afwijzen.
De rechtbank zal het verzoek van de man om de kinderen op vrijdag [datum] 2026 – de verjaardag van [minderjarige 1] – aansluitend aan school tot 18.30 uur bij hem te laten verblijven, afwijzen. De verjaardag van [minderjarige 1] valt op een woensdag en dat is een dag waarop de kinderen volgens de voorlopige zorgregeling niet bij de man zijn. De rechtbank acht het in het belang van de kinderen dat partijen zich houden aan de nieuwe voorlopige zorgregeling en daar niet van afwijken. Voor de kinderen is het van belang dat er rust, duidelijkheid en structuur wordt geboden. De rechtbank gaat er wel van uit dat de man de gelegenheid krijgt om telefonisch contact te hebben met [minderjarige 1] en indien de man dat wenst kan hij aandacht besteden aan de verjaardag van [minderjarige 1] in het weekend voorafgaand aan [datum] 2026.
Voorlopige kinderalimentatie
De rechtbank stelt voorop dat deze voorlopige vaststelling het karakter heeft van een ordemaatregel. Daarbij is het uitgangspunt dat wordt uitgegaan van de actuele situatie van partijen, voor zover de rechtbank daar voldoende inzicht in heeft. Indien de rechtbank onvoldoende inzicht in de situatie van partijen heeft, zal de rechtbank beoordelen wat zij redelijk acht en in dat kader een schatting maken. Bij de vaststelling van de voorlopige kinderalimentatie en de berekening neemt de rechtbank de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie, zoals opgenomen in het Rapport alimentatienormen, als uitgangspunt.
Behoefte
Partijen zijn het erover eens dat voor de behoefte van de kinderen van de maximale tabelbehoefte uitgegaan dient te worden. Nu partijen in 2025 uit elkaar zijn gegaan, stelt de rechtbank de behoefte van de kinderen vast op € 1.700,- per maand. Geïndexeerd naar 2026 bedraagt de behoefte van de kinderen € 1.778,- per maand.
Vervolgens moet worden beoordeeld in welke verhouding deze behoefte over partijen moet worden verdeeld.
Draagkracht vrouw
Partijen zijn het niet eens over de draagkracht van de vrouw voor de voorlopige kinderalimentatie. Daarom zal de rechtbank de draagkracht van de vrouw berekenen.
De rechtbank zal de jaaropgave van de vrouw van 2025 als uitgangspunt nemen en rekening houden met een jaarinkomen van € 62.433,-. De rechtbank laat in deze voorlopige voorzieningenprocedure zowel een eventuele loonstijging van de vrouw als haar tijdelijke uitbreiding van arbeidsuren buiten beschouwing.
De rechtbank houdt rekening met de volgende fiscale heffingskortingen:
De rechtbank zal daarnaast rekening houden met een kindgebonden budget en de alleenstaande ouderkop.
Gelet op de ingangsdatum, zoals hierna wordt overwogen, zal de rechtbank rekenen met de tarieven van 2026-I.
De rechtbank berekent het netto besteedbaar inkomen (NBI) van de vrouw op € 4.535,- per maand. De rechtbank verwijst hiervoor naar de aangehechte berekening. De rechtbank gebruikt voor de berekening van de draagkracht de volgende formule: 70% x [NBI – (0,3 x NBI + € 1.365,-)]. De draagkracht van de vrouw bedraagt dan € 1.267,- per maand.
Draagkracht man
Partijen zijn het niet eens over de draagkracht van de man voor de voorlopige kinderalimentatie. Daarom zal de rechtbank eveneens de draagkracht van de man berekenen.
Zoals eerder overwogen, wordt in het kader van de voorlopige voorzieningen procedure zoveel als mogelijk aangesloten bij de actuele situatie van partijen. De vraag of rekening moet worden gehouden met een verdiencapaciteit aan de kant van de man bij het berekenen van een voorlopige kinderalimentatie, vergt nader onderzoek waarvoor in deze voorlopige voorzieningenprocedure geen ruimte is. De rechtbank gaat daarom voorbij aan de stelling van de vrouw op dit punt. De rechtbank merkt daarbij nadrukkelijk op dat in de bodemprocedure de kinderalimentatie definitief kan worden berekend en vastgesteld, waarbij de verdiencapaciteit van de man één van de verschillende factoren is waarmee rekening zou kunnen worden gehouden.
De rechtbank zal de salarisspecificatie van de man van februari 2026 als uitgangspunt nemen en rekening houden met:
De rechtbank zal verder rekening houden met de volgende fiscale heffingskortingen:
Gelet op de ingangsdatum, zoals hierna wordt overwogen, zal de rechtbank rekenen met de tarieven van 2026-I.
De rechtbank berekent het NBI van de man op € 3.351,- per maand.
De rechtbank ziet geen aanleiding om, zoals de vrouw in haar berekening heeft gedaan, rekening te houden met een woonbudget van 10% aan de zijde van de man. Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk geworden dat de man momenteel woonlasten heeft en ook in de toekomst zal hebben, zodra hij zelfstandige woonruimte heeft gevonden. De rechtbank ziet daarom onvoldoende aanleiding om af te wijken van het forfaitaire woonbudget.
De rechtbank berekent de draagkracht van de man aan de hand van de formule
70% x [NBI - (0,3 x NBI + 1.365)]. De draagkracht van de man bedraagt volgens deze formule € 687,- per maand.
Zorgkorting
De rechtbank volgt het rapport Alimentatienormen van de Expertgroep Alimentatie, waarin staat dat het percentage van de zorgkorting afhankelijk is van de hoeveelheid omgang of zorg.
Gelet op de vastgestelde voorlopige zorgregeling, zal de rechtbank rekening houden met een zorgkorting van 25%. De behoefte van de kinderen is € 1.778,- per maand in 2026, zodat de zorgkorting afgerond (0,25 x 1778 =) € 445,- per maand is.
Draagkrachtvergelijking
De rechtbank stelt de gezamenlijke forfaitaire draagkracht van partijen vast op (1267 + 687 =) € 1.954,- per maand. Omdat de totale draagkracht van partijen de behoefte van de kinderen van € 1.778,- per maand in 2026 overstijgt, zal de rechtbank een draagkrachtvergelijking maken.
De verdeling van de kosten over beide partijen wordt berekend volgens de formule: ieders draagkracht gedeeld door de totale draagkracht vermenigvuldigd met de behoefte.
Dit betekent:
het eigen aandeel van de vrouw bedraagt: 1267 / 1954 x 1778 = € 1.153,-
het eigen aandeel van de man bedraagt: 687 / 1954 x 1778 = € 625,-
samen € 1.778,-
Van de totale behoefte van de kinderen komt dus een gedeelte van afgerond € 1.153,- per maand voor rekening van de vrouw en een gedeelte van afgerond € 625,- per maand voor rekening van de man.
Rekening houdend met de zorgkorting van € 445,- per maand moet de man aan de vrouw een voorlopige kinderalimentatie voor de kinderen betalen van (625 – 445 =) € 180,- per maand, te weten € 90,- per kind per maand.
Ingangsdatum
De rechtbank zal als ingangsdatum 1 januari 2026 hanteren, omdat de vrouw onbetwist heeft gesteld dat de man sinds die datum niets aan haar heeft bijgedragen voor de kinderen.
Conclusie
De rechtbank zal bepalen dat de man aan de vrouw, met ingang van 1 januari 2026, een voorlopige kinderalimentatie moet betalen van € 180,- per maand, telkens bij vooruitbetaling aan de vrouw te voldoen. De rechtbank zal het meer of anders verzochte afwijzen.
Aanhechten berekeningen
De rechtbank heeft berekeningen gemaakt van de draagkracht van partijen. Deze berekeningen zijn aan de beschikking gehecht en maken daarvan deel uit.
Voorlopige partneralimentatie
De vrouw verzoekt te bepalen dat de man een voorlopige partneralimentatie van € 548,- per maand aan haar voldoet. De man heeft hiertegen verweer gevoerd.
De rechtbank zal het verzoek van de vrouw afwijzen. De rechtbank is van oordeel dat de vrouw haar aanvullende behoefte onvoldoende heeft onderbouwd, mede gelet op haar eigen berekening waaruit volgt dat zij volledig in haar eigen behoefte kan voorzien.
Beslissing
De rechtbank:
bepaalt dat de vrouw bij uitsluiting gerechtigd zal zijn tot het gebruik van de echtelijke woning in [plaats] aan [adres] en beveelt mitsdien dat de man die woning dient te verlaten en verder niet mag betreden;
bepaalt dat de minderjarigen:
aan de vrouw zullen worden toevertrouwd;
bepaalt dat de man voorlopig gerechtigd is om de kinderen bij zich te hebben:
bepaalt dat de vrouw voorlopig telefonisch contact met de kinderen zal hebben in de even weken op zondag om 17.30 uur;
bepaalt ten aanzien van de mei-, zomer- en herfstvakantie 2026 het volgende:
bepaalt dat de man aan de vrouw, met ingang van 1 januari 2026 voorlopig een kinderalimentatie ten behoeve van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , van € 90,- per maand, per kind zal betalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af het meer of anders verzochte.