ECLI:NL:RBDHA:2026:10592

ECLI:NL:RBDHA:2026:10592

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 14-04-2026
Datum publicatie 06-05-2026
Zaaknummer NL26.17998
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Rotterdam

Samenvatting

bewaring, beroep, bewaringsgrondslagen en -gronden, indiening zienswijze in de asielprocedure, ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], eiser

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

Zittingsplaats Rotterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.17998

V-nummer: [nummer]

(gemachtigde: mr. A.M.V. Bandhoe),

en

(gemachtigde: mr. S. Juriaans).

Procesverloop

Bij besluit van 31 maart 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b en c, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.

De rechtbank heeft het beroep op 8 april 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen [naam]. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Bewaringsgrondslagen en -gronden

1. In de maatregel van bewaring heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat de bewaring noodzakelijk is met het oog op het verkrijgen van gegevens die noodzakelijk zijn voor beoordeling van een asielaanvraag, wegens het risico op onttrekking aan het toezicht (artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw). Verweerder heeft, met toepassing van artikel 5.1b, derde en vierde lid, in verbinding met artikel 5.1c, eerste en tweede lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser:3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer;en als lichte gronden vermeld dat eiser:4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan;4e. verdachte is van enig misdrijf dan wel daarvoor is veroordeeld.Tevens heeft verweerder zich in de maatregel van bewaring op het standpunt gesteld dat (1°) eiser in bewaring werd gehouden in het kader van een terugkeerprocedure uit hoofde van de Terugkeerrichtlijn, (2°) eiser reeds de mogelijkheid van toegang tot de asielprocedure heeft gehad en (3°) op redelijke gronden kan worden aangenomen dat eiser zijn asielaanvraag louter heeft ingediend om de uitvoering van het terugkeerbesluit uit te stellen of te verijdelen (artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw).

De rechtbank stelt vast dat eiser de aan de maatregel van bewaring ten grondslag gelegde zware en lichte gronden, en de daarop gegeven toelichtingen, niet heeft betwist. De onbestreden zware gronden 3b, 3c en 3i en de onbestreden lichte gronden 4a, 4c en 4d, die de ambtshalve toetsing van de rechtbank doorstaan, kunnen naar het oordeel van de rechtbank verweerders standpunt dat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken, dragen. Daarmee is ook gegeven dat de maatregel van bewaring noodzakelijk is met het oog op het verkrijgen van gegevens die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van de asielaanvraag, zoals bedoeld in artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw (vgl. de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 6 december 2018, ECLI:NL:RVS:2018:4011).

Uit het voorgaande volgt dat verweerder de maatregel van bewaring heeft kunnen baseren op artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw. Daarom behoeft niet meer te worden beoordeeld of de bewaringsmaatregel ook kan worden gebaseerd op artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw. Immers, één bewaringsgrondslag is voldoende om de maatregel op te baseren.

Indiening zienswijze in de asielprocedure

2. Eiser heeft als enige beroepsgrond aangevoerd dat de maatregel van bewaring onrechtmatig wordt op het moment dat zijn asieladvocaat in de asielprocedure de zienswijze heeft ingediend. Uit de zich in het dossier bevindende asielplanning blijkt dat zijn asieladvocaat de zienswijze op 25 april 2026 zal indienen. Vanaf dat moment zal de bewaring dus onrechtmatig worden, zo stelt eiser.

De rechtbank overweegt dat de in deze uitspraak te toetsen periode loopt van 31 maart 2026 (de datum van inbewaringstelling) tot 8 april 2026 (de datum van sluiting van het onderzoek). De indiening van de zienswijze in de asielprocedure op 25 april 2026 ziet op een toekomstige gebeurtenis die buiten de te toetsen periode valt. Reeds hierom treft de enige beroepsgrond van eiser, wat daar inhoudelijk ook van zij, geen doel.

Ambtshalve toetsing

3. De rechtbank overweegt tot slot dat zij, zoals blijkt uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 november 2022 (ECLI:EU:C:2022:858), gehouden is ambtshalve de rechtmatigheidsvoorwaarden van de maatregel van bewaring te toetsen. Ook met inachtneming van deze ambtshalve toetsing ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de maatregel van bewaring tot het moment van sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was.

Conclusie en gevolgen

4. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. F.A. Groeneveld, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Stehouwer, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. F.A. Groeneveld

Griffier

  • mr. M. Stehouwer

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand