[eiser] ,
geboren op [geboortedag] 1983, van Turkse nationaliteit, eiser en verzoeker (hierna: eiser),
(gemachtigde: mr. B. Aydin),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. M.L.A Berkelmans).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank/voorzieningenrechter (hierna de rechtbank) het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn aanvraag tot afgifte van een verblijfsdocument EU/EER en zijn verzoek om een voorlopige voorziening te treffen.
Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 19 november 2024 (het primaire besluit) afgewezen en is aan eiser tevens een terugkeerbesluit opgelegd. Eiser heeft bezwaar gemaakt.
Met het bestreden besluit van 7 februari 2025 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard en is bij de afwijzing gebleven.
Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld. Ook heeft eiser de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen, die ertoe strekt niet te worden uitgezet tot op het beroep is beslist.
De rechtbank heeft het beroep en het verzoek op 27 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en zijn partner [referente] (referente), de gemachtigden van beide partijen en mevrouw Kiziltepe, een tolk in de Turkse taal. Ook was [de persoon] , de zus van referente, aanwezig bij de zitting.
Overwegingen
2. De rechtbank beoordeelt het beroep van eiser aan de hand van de beroepsgronden die hij heeft aangevoerd.
3. De rechtbank verklaart het beroep gegrond en wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Totstandkoming van het besluit
4. Eiser heeft op 7 maart 2024 een aanvraag ingediend tot afgifte van een verblijfsdocument EU/EER. Eiser heeft hieraan ten grondslag gelegd dat hij een relatie heeft met [referente] (referente), van Griekse nationaliteit en dus gemeenschapsonderdaan.
Verweerder heeft de aanvraag met het primaire besluit afgewezen, omdat eiser niet voldoet aan de voorwaarden voor afgifte van een verblijfsdocument EU/EER. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat eiser en referente er niet in zijn geslaagd aan te tonen dat sprake is van een duurzame relatie gedurende zes maanden voorafgaand aan de aanvraag. Volgens verweerder blijkt uit de BRP administratief dat eiser en referente meer dan zes maanden op hetzelfde adres staan ingeschreven, namelijk sinds 8 april 2024, maar hebben zij niet aangetoond dat zij ook feitelijk hebben samengewoond. Verder is eiser er niet in geslaagd aannemelijk te maken dat eiser en referent emotionele en affectieve banden zijn aangegaan die maken dat er sprake is van een duurzame relatie. Deze conclusie heeft verweerder na bezwaar in het bestreden besluit gehandhaafd.
Beroepsgronden
5. Eiser voert - kort gezegd - aan dat verweerder de overgelegde stukken onvoldoende in samenhang heeft beoordeeld en dat de overgelegde stukken de duurzame relatie van eiser en referent kunnen onderbouwen. Verder betoogt eiser ook dat hij ten onrechte niet is gehoord in bezwaar.
Toetsingskader duurzame relatie
6. Op grond van artikel 8.7, vierde lid, van het Vb kan een ongehuwde partner van een Unieburger een aanvraag voor afgifte van een EU/EER document doen als zij een deugdelijk bewezen duurzame relatie hebben. Verweerder neemt dit in ieder geval aan als de partners op het moment van de aanvraag of het besluit op de aanvraag ten minste zes maanden lang een gezamenlijke huishouding voeren en hebben samengewoond. Op grond van de persoonlijke omstandigheden van het geval kan een relatie als duurzaam worden aangemerkt als de Unieburger en de ongehuwde partner nog geen zes maanden feitelijk hebben samengewoond en zij gedurende tenminste zes maanden een duurzame relatie onderhouden. Verweerder kan daarbij in ieder geval de volgende relevante aspecten betrekken die aannemelijk maken dat er emotionele en affectieve banden zijn aangegaan, die maken dat sprake is van een duurzame relatie: de duur van de gezamenlijke huishouding, het dragen van zorg voor elkaar, het hebben van een gezamenlijk kind en daar de gezamenlijke zorg voor dragen, het hebben van gezamenlijke financiële verplichtingen of banden, samenwoning in het verleden en/of de frequentie van het contact en elkaar zien. In alle gevallen moet het gaan om een bestaande duurzame relatie.
Beoordeling door de rechtbank
Duurzame relatie
7. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser met de door hem overgelegde bewijsstukken niet heeft aangetoond dat eiser en referente zes maanden feitelijk hebben samengewoond of gedurende tenminste zes maanden een duurzame relatie hebben onderhouden.
De rechtbank volgt eiser in zijn standpunt dat verweerder de overgelegde stukken onvoldoende in samenhang heeft beoordeeld. De rechtbank stelt vast dat verweerder in het bestreden besluit op zichzelf aandacht heeft besteed aan de door eiser overgelegde stukken. De rechtbank is echter van oordeel dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom deze stukken, in onderlinge samenhang bezien, niet maken dat de beslissing voor eiser anders uit zou kunnen vallen.
Verweerder heeft ten aanzien van de overgelegde foto’s opgemerkt dat deze op zichzelf niets zeggen over het al dan niet hebben van een duurzame relatie of de gestelde feitelijke samenwoning. Volgens verweerder zijn de foto’s enkel momentopnames en heeft eiser de data bij de foto’s handmatig toegevoegd. Op zichzelf kan de rechtbank volgen dat foto’s momentopnames zijn. Dat hoeft echter niet te betekenen dat aan de foto’s geen enkele betekenis toekomt, bijvoorbeeld wanneer deze, zoals hier het geval is, het beeld dat uit de overige overgelegde stukken naar voren komt ondersteunen. De rechtbank stelt vast dat eiser een grote hoeveelheid foto’s heeft overgelegd. Een aantal van deze foto’s zijn heel persoonlijk en intiem, bijvoorbeeld de foto waar eiser en referente allebei op staan en referente in een bubbelbad ligt. Daarnaast zijn er foto’s overgelegd van de gezamenlijke vakantie naar de familie van referente en zijn ook de bijbehorende vliegtickets daarvan overgelegd. Verder is niet in geschil dat uit de BRP blijkt dat eiser en referente ten tijde van het bestreden besluit al zes maanden stonden ingeschreven op hetzelfde adres. Eiser heeft ook in beroep bankafschriften, gedateerd van voor het bestreden besluit, overgelegd van een gezamenlijke rekening waarop zowel eiser als referente geld stortten en waaruit blijkt dat beide betaalpassen worden gebruikt om dingen te betalen. Verweerder heeft deze stukken afzonderlijk beoordeeld en naar aanleiding daarvan telkens geconcludeerd dat de besproken stukken de gestelde relatie niet kunnen onderbouwen, om daaraan tot slot toe te voegen dat de overgelegde stukken en beschikbare informatie in samenhang onvoldoende onderbouwing vormen. De rechtbank is van oordeel dat verweerder hiermee onvoldoende kenbaar de verschillende stukken in samenhang heeft beoordeeld. De beroepsgrond slaagt.
De hoorplicht
8. Verweerder stelt zich op het standpunt dat er in de bezwaarprocedure niet is gebleken van bewijsstukken en informatie die een ander licht op de zaak werpen met betrekking tot het aantonen van de relatie. Het was volgens verweerder voldoende kenbaar voor eiser welke informatie er redelijkerwijs van hem kon worden verwacht en er is niet gebleken van omstandigheden die eraan in de weg staan om deze zaken in te brengen in de procedure.
Het is vaste rechtspraak dat het horen in bezwaar als uitgangspunt moet worden genomen. Het horen in de bezwaarfase vormt een essentieel onderdeel van die procedure. Hierop kan slechts een uitzondering worden gemaakt als er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel mogelijk is dat wat in bezwaar is aangevoerd, niet tot een ander standpunt kan leiden dan het standpunt in het primaire besluit. Met deze uitzondering op de hoorplicht moet terughoudend worden omgegaan. Als relevante omstandigheid heeft de Afdeling onder meer genoemd de mate waarin een vreemdeling bereidwillig en actief de inspanningen heeft verricht die redelijkerwijs van hem verwacht kunnen worden bij het verkrijgen en tijdig aanleveren van de verzochte informatie. De vuistregel is dat naarmate een vreemdeling meer inspanningen heeft verricht om de benodigde informatie te verkrijgen en daarover heeft gecommuniceerd, het meer in de rede ligt om hem uit te nodigen voor een hoorzitting.
De rechtbank is het met eiser eens dat er op voorhand geen sprake was van een bezwaar dat redelijkerwijs niet tot een ander oordeel kon leiden. De rechtbank stelt vast dat eiser gedurende de gehele procedure een grote hoeveelheid stukken heeft overgelegd en inspanningen heeft geleverd om zijn relatie te onderbouwen. Hij heeft in bezwaar verzocht om te worden gehoord en heeft ook in bezwaar nieuwe bewijsstukken overgelegd. Eiser heeft zich kortom bereidwillig opgesteld gedurende de procedure. Uit de besluitvorming blijkt dat verweerder zijn twijfels heeft bij de gestelde woonsituatie, maar ook over het uitgave patroon op de gezamenlijke rekening. Zoals ter zitting is gebleken kon eiser een nadere toelichting geven over hun feitelijke woonsituatie en is gebleken dat zij samen één kamer in het huis waar zij ingeschreven staan bewonen. Een hoorzitting was dan ook bij uitstek een geschikt middel om eventueel twijfels van verweerder weg te nemen en de omstandigheden, zoals rondom het samenwonen van eiser en referent, toe te lichten. Naar het oordeel van de rechtbank had verweerder dan ook niet kunnen afzien van het horen in bezwaar. Deze beroepsgrond slaagt ook.
Conclusie en gevolgen
9. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met het zorgvuldigheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten of zelf een beslissing te nemen. De rechtbank draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Daarvoor wordt een termijn gesteld van acht weken.
9. Nu er uitspraak is gedaan in het beroep, is er geen reden om een voorlopige voorziening te treffen. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt daarom afgewezen.
10. Omdat het beroep gegrond is, moet verweerder het door eiser betaalde griffierecht van € 194,- vergoeden. De rechtbank ziet in dit geval ook aanleiding om verweerder in de proceskosten te veroordelen. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht worden deze proceskosten voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 2.802,-.
Beslissing
De rechtbank, in de zaak geregistreerd onder nummer NL25.11109,
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het bestreden besluit;
draagt verweerder op binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak.
De voorzieningenrechter, in de zaak geregistreerd onder nummer: NL25.11111,
- wijst het verzoek af.
De rechtbank/ voorzieningenrechter, in alle zaken,
Deze uitspraak is gedaan door mr. P.L.C.M. Ficq, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. L.M. Jongejans, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.