Echtscheiding met nevenvoorzieningen
Beschikking op het op 5 februari 2025 ingekomen verzoekschrift van:
[de man] ,
de man,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. A.J. van Steensel in ’s-Gravenhage.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:
[de vrouw] ,
de vrouw,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. J. Dongelmans in Nieuwerkerk aan den IJssel (voorheen: mr. N.M. Zeeman in Zoetermeer).
Procedure
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
Op 25 februari 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:
Door de advocaat van de man en de vrouw zijn op de zitting pleitnotities overgelegd en de door de griffier gemarkeerde stukken zijn voorgehouden.
Feiten
€ 1.055,- bruto per maand zal betalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen.
Verzoek en verweer
De man verzoekt, zoals dat na wijziging en aanvulling nu luidt en naar de rechtbank begrijpt, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
De vrouw voert verweer, dat hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.
Daarnaast verzoek de vrouw, zoals dat na aanvulling nu luidt, zelfstandig:
[plaats 2] wordt verdeeld, conform het verzoek van de vrouw;
De man voert verweer, dat hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.
Beoordeling
Echtscheiding
Beide partijen stellen dat het huwelijk duurzaam is ontwricht en zij verzoeken om de echtscheiding uit te spreken. De rechtbank zal de verzoeken tot echtscheiding daarom, als niet weersproken en op de wet gegrond, toewijzen.
Partneralimentatie
Behoefte
In de voorlopige voorzieningenprocedure heeft de rechtbank de behoefte van de man op basis van de hofnorm berekend op € 4.753,- netto per maand in 2025. Partijen hebben er op de zitting mee ingestemd dat daarbij aansluiting wordt gezocht in deze procedure. Geïndexeerd naar 2026 is de behoefte van de man € 4.972,- netto per maand.
Aanvullende behoefte van de man
De rechtbank zal beoordelen in hoeverre de man redelijkerwijs zelf in zijn behoefte kan voorzien.
Tussen partijen is de aanvullende behoefte van de man in geschil.
De vrouw stelt zich primair op het standpunt dat de man een verdiencapaciteit heeft en dat hij de plicht heeft zijn verdiencapaciteit volledig te benutten. De man heeft een eigen onderneming en hij kan werken als recruiter. De man betwist dat hij een verdiencapaciteit heeft.
De rechtbank zal aan de man geen verdere verdiencapaciteit toerekenen en uitgaan van het feitelijke inkomen van de man en overweegt daartoe als volgt. Uit de stukken en dat wat op de zitting is besproken, is de rechtbank gebleken dat de man arbeidsongeschikt is. De enkele omstandigheid dat het UWV in de toekenningsbrief heeft vermeld dat de man dient te re-integreren, brengt naar het oordeel van de rechtbank niet mee dat zonder meer kan worden aangenomen dat daadwerkelijk sprake is van een verdiencapaciteit. Evenmin is onder de gegeven omstandigheden aannemelijk geworden dat de man met zijn eigen onderneming inkomsten kan genereren. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om aan de zijde van de man van een fictief inkomen uit te gaan en zal uitgaan van zijn feitelijke inkomen.
De rechtbank zal voor de berekening van het netto besteedbaar inkomen (NBI) van de man de door hem overgelegde betaalspecificatie van het UWV van januari 2026 en de specificatie van zijn pensioen van januari 2026 als uitgangspunt nemen en rekening houden met:
De rechtbank zal verder rekening houden met de algemene heffingskorting.
De rechtbank berekent het NBI van de man op € 2.425,- per maand, en zijn netto aanvullende behoefte op (€ 4972 – € 2425 =) € 2.547,- per maand. Dit is € 5.011,- bruto per maand.
Draagkracht van de vrouw
Tussen partijen is in geschil of bij de berekening van de draagkracht van de vrouw rekening moet worden gehouden met de PAS-regeling. De man stelt dat hier geen rekening mee moet worden gehouden. De vrouw voert verweer.
De rechtbank volgt het standpunt van de man dat geen rekening moet worden gehouden met de inhouding op het inkomen van de vrouw als gevolg van de PAS-regeling niet. De rechtbank is van oordeel dat – mede gelet op de leeftijd van de vrouw, haar gezondheidssituatie en het doel van de PAS-regeling – niet van haar kan worden verlangd dat zij haar arbeidsduur uitbreidt tot een voltijdsdienstverband.
De rechtbank zal voor de berekening van de draagkracht van de vrouw de door haar overgelegde loonstrook van januari 2026 als uitgangspunt nemen en rekening houden met:
De rechtbank zal verder rekening houden met de volgende fiscale heffingskortingen:
De rechtbank berekent het NBI van de vrouw op € 5.003,- per maand.
Omdat het NBI van de vrouw hoger is dan € 2.200,- per maand, zal de rechtbank voor de bepaling van haar draagkracht volgens de aanbevelingen uit het rapport alimentatienormen de daarbij behorende draagkrachtformule van 60% x [NBI – (0,3 x NBI + 1.365)] toepassen.
De draagkracht van de vrouw bedraagt volgens de formule € 1.282,- netto per maand. Dit is bruto € 2.053,- per maand. De vrouw is dus in beginsel gehouden om een partneralimentatie van € 2.053,- bruto per maand aan de man te voldoen.
Inkomensvergelijking
Om te bepalen of de vrouw door voldoening van een partneralimentatie aan de man niet in een nadeliger financiële positie komt te verkeren dan de man, heeft de rechtbank een inkomensvergelijking gemaakt. Uit de inkomensvergelijking volgt dat de vrouw gehouden zou zijn om een hoger bedrag aan partneralimentatie aan de man te betalen dan haar draagkracht toelaat, zodat er geen reden is om op grond van de inkomensvergelijking een lager bedrag op te leggen aan partneralimentatie.
Ingangsdatum
De rechtbank merkt over de ingangsdatum op dat op grond van artikel 1:157 van het Burgerlijk Wetboek (BW) de verplichting tot het verschaffen van een uitkering tot levensonderhoud niet eerder intreedt dan op de dag van inschrijving van de echtscheiding in de registers van de burgerlijke stand.
Grievend gedrag
In het kader van de partneralimentatie heeft de vrouw zich subsidiair op het standpunt gesteld dat de man zich op een zodanig grievende wijze jegens haar heeft gedragen, dat het niet van de vrouw gevergd kan worden dat zij partneralimentatie betaalt. Zij heeft ter onderbouwing van haar standpunt onder meer gesteld dat de man haar heeft mishandeld en dat er een zitting zal plaatsvinden in een strafrechtelijke procedure. De man heeft hiertegen verweer gevoerd.
De rechtbank stelt voorop dat bij de beantwoording van de vraag of van een gewezen echtgenoot een bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de andere (ex-)echtgenoot kan worden gevergd, en zo ja, tot welk bedrag, rekening moet worden gehouden met alle omstandigheden van het geval. Hieronder zijn ook niet-financiële factoren te verstaan, zoals gedragingen van de onderhoud verzoekende (ex-)echtgenoot. De vraag die daarbij speelt is of van de alimentatieplichtige in redelijkheid nog kan worden gevergd dat hij of zij bijdraagt in de kosten van het levensonderhoud van de alimentatiegerechtigde. In uitzonderlijke gevallen kan grievend gedrag van één van de (ex-)echtgenoten ten opzichte van de ander tot de conclusie leiden dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is om van de gewezen echtgenoot een (volledige) bijdrage in het levensonderhoud te verlangen.
Naar het oordeel van de rechtbank is in dit geval geen sprake van dergelijke uitzonderlijke omstandigheden. Daarbij overweegt de rechtbank dat partijen lang met elkaar zijn gehuwd en bedacht moet worden dat het op zichzelf niet ongebruikelijk is dat een echtscheiding
gepaard gaat met de nodige emoties. De situatie tussen partijen is weliswaar spanningsvol en uit het proces-verbaal blijkt dat er het nodige is gebeurd, maar niet van dusdanige aard dat daarmee de lotsverbondenheid is weggevallen. De rechtszaak waarnaar de vrouw verwijst in haar pleitnota is naar het oordeel van de rechtbank niet vergelijkbaar met de onderhavige. Aan het subsidiaire standpunt van de vrouw wordt daarom voorbij gegaan.
Conclusie
Uitgaande van al het bovenstaande zal de rechtbank de door de vrouw, met ingang van de dag van inschrijving van de echtscheiding in de registers van de burgerlijke stand, aan de man te betalen partneralimentatie bepalen op € 2.053,- bruto per maand, telkens bij vooruitbetaling aan de man te voldoen. De rechtbank zal het meer of anders verzochte afwijzen.
Aanhechten beschikking
De door de rechtbank gemaakte berekeningen van de aanvullende behoefte van de man en de draagkracht van de vrouw zijn aan deze beschikking gehecht en maken daarvan deel uit.
Voortgezet gebruik echtelijke woning
De man heeft verzocht om het voortgezet gebruik van de echtelijke woning voor een periode van zes maanden na de inschrijving van de beschikking tot echtscheiding in de registers van de burgerlijke stand. Hij wil graag voorlopig in de echtelijke woning blijven wonen, omdat hij op dit moment nog niet over eigen woonruimte beschikt. Hij vindt zijn belang om na de echtscheiding nog enige maanden in de woning te kunnen blijven wonen groter dan het belang van de vrouw bij spoedige verkoop van de woning.
De vrouw stelt zich op het standpunt dat het verzoek van de man moet worden afgewezen. De vrouw zit, door betaling van de hypotheeklasten, de voorlopige partneralimentatie, de huur en haar eigen levensonderhoud op dit moment financieel volledig klem en zij wil dat de echtelijke woning zo snel mogelijk wordt verkocht.
De rechtbank kan op grond van artikel 1:165 lid 1 BW bepalen dat een van de echtgenoten tot zes maanden na de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking het voortgezet gebruik van de echtelijke woning zal hebben.
De rechtbank zal het verzoek van de man tot het voortgezet gebruik van de woning afwijzen en overweegt daartoe als volgt. Tussen partijen staat vast dat de woning aan een derde verkocht zal moeten worden, maar zij verschillen van mening over wanneer. De man verblijft al geruime tijd alleen in de woning en heeft dus al ruim de gelegenheid gehad om zich te oriënteren op het vinden van andere woonruimte, omdat vaststaat dat hij daar niet kan blijven wonen. De rechtbank neemt daarbij ook in aanmerking dat het verkopen van de woning partijen financiële ruimte geeft en de man gelet op het verkoopproces van de woning – waarover hierna meer – nog enkele maanden de tijd zal hebben om geschikte woonruimte te vinden.
Verdeling huwelijksgemeenschap
Wettelijke algehele gemeenschap van goederen
Niet gesteld en verder ook niet gebleken is dat partijen huwelijkse voorwaarden hebben gemaakt. Gelet op het bepaalde in de artikelen 1:93 en 1:94 BW – zoals deze artikelen golden tot 1 januari 2018 – neemt de rechtbank aan dat tussen partijen een wettelijke algehele gemeenschap van goederen bestond. Het uitgangspunt is dat de ontbonden huwelijksgemeenschap op grond van artikel 1:100 BW – zoals dat gold tot 1 januari 2018 – bij helfte tussen partijen moet worden verdeeld.
Peildatum
Als peildatum voor de omvang en samenstelling van de ontbonden gemeenschap geldt op grond van artikel 1:99 lid 1 sub b BW de datum van indiening van het verzoekschrift. Dat is
5 februari 2025.
Voor de waardering geldt – voor zover de man en de vrouw niet anders overeenkomen dan wel de eisen van redelijkheid en billijkheid met zich meebrengen – de datum van feitelijke verdeling als peildatum.
Omvang huwelijksgemeenschap
Partijen hebben gesteld dat de volgende vermogensbestanddelen en schulden al dan niet in de ontbonden gemeenschap vallen:
de saldi op de bankrekeningen:
de saldi op de beleggingsrekening bij Degiro;
de Energiebespaarlening bij Nationaal Warmtefonds.
ad a) de echtelijke woning en de daaraan verbonden hypothecaire geldlening
Partijen zijn het erover eens dat de echtelijke woning aan een derde moet worden verkocht, maar zij zijn het niet eens over de waarde van de woning en de verder te volgen procedure. De rechtbank zal daarom ten aanzien van de echtelijke woning en de daaraan gekoppelde hypothecaire geldlening de wijze van verdeling vaststellen conform het in het dictum vermelde spoorboekje, waarbij [makelaarskantoor] als makelaar-taxateur wordt aangewezen, nu de man daarmee op de zitting heeft ingestemd.
ad b) de inboedelgoederen
Partijen hebben voorafgaand aan de zitting de inboedel al grotendeels verdeeld. In geschil zijn nog de inboedelgoederen die door de vrouw in productie 9 zijn genoemd. De rechtbank heeft deze lijst op de zitting met partijen besproken.
De rechtbank zal bepalen dat partijen het Nespresso apparaat, de boeddha’s, de Nijntje lamp en het Belgisch vrouwenbeeldje in onderling overleg verdelen.
De vrouw heeft op de zitting afgezien van de toedeling van de wasmachine en droger aan haar, zodat deze zonder nadere verrekening aan de man worden toegedeeld.
De rechtbank zal verder nog een beslissing nemen over de boxspring en de elektrische fiets.
Nu de man momenteel in de boxspring slaapt en onbetwist heeft gesteld dat dit het enige bed in de woning is, zal de rechtbank de boxspring aan de man toedelen, met verrekening van de helft van de waarde aan de vrouw.
De rechtbank zal de elektrische fiets toedelen aan de vrouw, met verrekening van de helft van de waarde aan de man. De rechtbank acht het redelijk om de fiets aan de vrouw toe te delen, en niet aan de man zoals door hem is verzocht, omdat zij de fiets heeft aangeschaft via een fietsplan van haar werkgever.
Voor zover de man heeft verzocht dat de vrouw de door de man betaalde reparatiekosten aan deze fiets aan hem moet vergoeden, ziet de rechtbank daartoe geen aanleiding, omdat de man de fiets op dat moment in gebruik had.
ad c) de auto’s
Gebleken is dat de Honda met [kenteken 2] voor de peildatum naar de sloop is afgevoerd en de Peugeot met [kenteken 3] een huurauto is. Partijen zijn het erover eens dat deze auto’s niet in de ontbonden huwelijksgemeenschap vallen. Daarom hoeft de rechtbank hierover geen beslissing te nemen.
Ten aanzien van de Peugeot, met [kenteken 1] , overweegt de rechtbank als volgt. Op de zitting heeft de vrouw aangegeven dat zij deze auto in augustus 2025, dus na de peildatum, heeft verkocht. Partijen hebben beiden recht op de verkoopopbrengst. De rechtbank zal bepalen dat, voor zover de verkoopopbrengst nog niet bij helfte is gedeeld, dit nog moet gebeuren. Daarbij overweegt de rechtbank dat de vrouw inzage moet geven in het bedrag dat zij heeft ontvangen voor deze auto.
ad d) de saldi op de bankrekeningen
Partijen zijn het erover eens dat de saldi op de bankrekeningen op naam van de man aan de man worden toegedeeld, met verrekening van de helft van de saldi op de peildatum aan de vrouw en dat de saldi op de bankrekeningen op naam van de vrouw aan de vrouw worden toegedeeld, met verrekening van de helft van het saldi op de peildatum aan de man. De rechtbank zal dienovereenkomstig beslissen.
De rechtbank zal verder bepalen dat partijen de saldi op de bankrekeningen op naam van beide partijen bij helfte met elkaar zullen verrekenen en deze bankrekeningen daarna zullen worden opgeheven.
ad e) de saldi op de beleggingsrekening bij Degiro
Vaststaat dat de man ongeveer € 24.000,- van de beleggingsrekening heeft opgenomen in de periode tussen december 2023 en januari 2025.
Tussen partijen is in geschil of de man de huwelijksgemeenschap hiermee heeft benadeeld zoals bedoeld in artikel 1:164 BW. In artikel 1:164 lid 1 BW is bepaald dat indien een tussen de echtgenoten bestaande gemeenschap van goederen door één van hen is benadeeld doordat hij na de aanvang van het geding of binnen zes maanden daarvóór lichtvaardig schulden heeft gemaakt, goederen der gemeenschap heeft verspild, of rechtshandelingen als bedoeld in artikel 88 van dit boek zonder de vereiste toestemming of beslissing van de rechtbank heeft verricht, hij is gehouden na de inschrijving van de beschikking waarbij de echtscheiding is uitgesproken, de aangerichte schade aan de gemeenschap te vergoeden.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft man voldoende onderbouwd dat hij € 14.000,- heeft besteed aan noodzakelijke uitgaven en dat ten aanzien van dit bedrag geen sprake is van een van de omstandigheden als bedoeld in artikel 1:164 lid 1 BW. Ten aanzien van dit bedrag is dus geen sprake van benadeling. Dat ligt naar het oordeel van de rechtbank anders voor het bedrag van € 10.000,- dat de man eind 2024 heeft opgenomen van de beleggingsrekening en contant heeft gemaakt. Deze opname kwalificeert wel als benadeling van de huwelijksgemeenschap en dient de man op grond van artikel 1:164 BW te vergoeden aan de huwelijksgemeenschap. De man heeft namelijk slechts gesteld dat hij hetgeen op de beleggingsrekening stond met moeite bij elkaar heeft gespaard en dat hij daarom het resterende bedrag van € 10.00,- heeft opgenomen, zonder ook maar op enige wijze te onderbouwen waarvoor hij dit nodig had dan wel waaraan hij dit geld heeft besteed. Nu de huwelijksgemeenschap is ontbonden, komt het erop neer dat de man – na inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand – de helft van dit bedrag (en dus € 5.000,-) aan de vrouw moet betalen. De rechtbank zal het verzoek van de vrouw in zoverre toewijzen.
De rechtbank zal ten aanzien van de beleggingsrekening verder bepalen dat partijen de saldi op de beleggingsrekening op de peildatum bij helfte met elkaar verrekenen, waarna deze rekening zal worden opgeheven.
ad f) de Energiebespaarlening bij Nationaal Warmtefonds
De vrouw heeft verzocht voor recht te verklaren dat de schuld bij het Nationaal Warmtefonds per 5 februari 2025 voor rekening van beide partijen komt, zodat de man over de periode van 5 februari 2025 tot en met 5 februari 2026 € 42,86 aan de vrouw moet betalen, totdat deze schuld zal zijn afbetaald, en de man daartoe te veroordelen.
De rechtbank overweegt als volgt. Schulden komen niet voor verdeling in aanmerking, omdat een schuld geen goed is zoals bedoeld in artikel 3:182 BW. Verder is het niet mogelijk om wijzigingen aan te brengen in de aansprakelijkheid van beide (ex-)echtgenoten tegenover schuldeisers zoals dat is geregeld in artikel 1:102 BW.
In de onderlinge verhouding tussen de echtgenoten geldt op grond van artikel 1:100 BW het volgende. Voor zover bij de ontbinding van de gemeenschap de goederen van de gemeenschap niet toereikend zijn om de schulden van de gemeenschap te voldoen, worden deze schulden door beide (ex)echtgenoten voor een gelijk deel gedragen, tenzij schriftelijk anders is overeengekomen of uit de eisen van redelijkheid en billijkheid – mede in verband met de aard van de schulden – een andere draagplicht voortvloeit. Als één van de (ex)echtgenoten wordt aangesproken door een schuldeiser en hierdoor meer heeft bijgedragen in de schuld dan het gedeelte dat hem of haar aangaat, dan heeft hij of zij voor dit meerdere op grond van artikel 6:10 BW een regresrecht op de andere (ex)echtgenoot.
Omdat dit uit de wet voortvloeit, heeft de vrouw geen belang bij haar verzoek om voor recht te verklaren dat deze schuld voor rekening van beide partijen komt.
Op de zitting hebben partijen aangegeven dat zij het erover eens zijn dat zij beiden de helft van de aflossing op deze schuld moeten betalen. De rechtbank gaat ervan uit dat partijen elkaar over en weer inzage verschaffen in wie wat heeft afgelost op deze schuld na de peildatum en dat zij dit met elkaar zullen verrekenen.
De rechtbank zal aldus beslissen en het meer of anders verzochte met betrekking tot de verdeling afwijzen.
Vorderingen
Aflossing hypothecaire geldlening
De man heeft verzocht te bepalen dat de vrouw op het moment van de van juridische levering van de echtelijke woning aan een derde aan de man € 1.464,- moet betalen te vermeerderen met € 122,- voor ieder bedrag dat de man na 5 februari 2025 op de hypothecaire geldlening heeft afgelost.
Ten aanzien van het verzoek van de man betreffende het aflossingsdeel van de hypotheeklasten, overweegt de rechtbank dat in het ‘spoorboekje’ wordt bepaald dat de verdeling van de overwaarde tussen partijen zodanig zal plaatsvinden dat beide partijen gelijkelijk bijdragen aan de aflossing op de hypotheek over de periode van de peildatum tot de overdracht van de woning. Heeft één van partijen meer betaald dat moet daarop bij de verdeling van de overwaarde een correctie plaatsvinden. Zoals op de zitting besproken, gaat de rechtbank ervan uit dat de man aan de vrouw de door hem gedane aflossingen op de hypotheek inzichtelijk maakt met betalingsbewijzen.
Schenking
De vrouw heeft verzocht te bepalen dat de man gehouden is € 2.500,- aan de vrouw te doen overmaken in het kader van een door hem ontvangen schenking. De man voert verweer.
De rechtbank overweegt als volgt. Uit de stukken is gebleken dat de schenking is gedaan in december 2024. Omdat de schenking voor de peildatum op een bankrekening op naam van de man is gedaan, is de schenking verdisconteerd bij de verdeling van de banksaldi, zoals hiervoor is overwogen. De rechtbank zal het verzoek van de vrouw daarom afwijzen.
Beslissing
De rechtbank:
*
spreekt de echtscheiding uit tussen partijen, gehuwd op [datum] 1991 in [plaats 1] ;
*
bepaalt dat de vrouw aan de man, met ingang van de dag dat de beschikking van echtscheiding is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand, een partneralimentatie van € 2.053,- bruto per maand zal betalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
*
stelt de wijze van de verdeling van de huwelijksgemeenschap als volgt vast, onder de voorwaarde van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand:
- ten aanzien van de echtelijke woning in [plaats 2] aan [adres] en de daaraan gekoppelde hypothecaire geldlening Bij Nationale Nederlanden:
- de woning wordt verkocht en geleverd aan een derde op de volgende wijze en onder de volgende voorwaarden:
a) partijen verstrekken binnen één week na de inschrijving van de beschikking tot echtscheiding in de registers van de burgerlijke stand een gezamenlijke opdracht aan [makelaarskantoor] tot verkoop van de woning aan een derde. Deze makelaar-taxateur zal – als partijen het niet eens zijn – partijen bindend adviseren over de vast te stellen vraag- en laatprijs van de woning;
b) de over- dan wel onderwaarde wordt tussen partijen bij helfte gedeeld dan wel gedragen. De over- dan wel onderwaarde bestaat uit de verkoopopbrengst van de woning, minus de aan de woning gekoppelde hypothecaire geldlening ten tijde van de overdracht en minus de kosten van de verkoop en de overdracht, waaronder de kosten van de makelaar-taxateur;
c) iedere partij draagt 50% van de afbetalingen op de hypotheek over de periode van de peildatum tot de overdracht van de woning; voor zover een partij meer dan dit deel heeft betaald dient verrekening plaats te vinden bij de uitkering van de overwaarde;
d) partijen verlenen over en weer op eerste verzoek van de ander hun medewerking aan de notariële overdracht van de woning;
- ten aanzien van de inboedelgoederen:
*
bepaalt dat de man € 5.000,- aan de vrouw moet betalen wegens benadeling van de gemeenschap;
*
verklaart deze beschikking tot zover – met uitzondering van het uitspreken van de echtscheiding – uitvoerbaar bij voorraad;
*
wijst af het meer of anders verzochte.