ECLI:NL:RBDHA:2026:10601

ECLI:NL:RBDHA:2026:10601

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 16-04-2026
Datum publicatie 06-05-2026
Zaaknummer NL25.47947
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Rotterdam

Samenvatting

Dublin Frankrijk; beroep ongegrond

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres], V-nummer: [nummer], eiseres

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

Zittingsplaats Rotterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: NL25.47947

(gemachtigde: mr. J.J. Bronsveld),

en

(gemachtigde: mr. E.E.G.N. van der Meulen).

Procesverloop

Bij besluit van 1 oktober 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd (asielaanvraag) niet in behandeling genomen op de grond dat Frankrijk verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Daarnaast heeft zij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Bij brief van 19 november 2025 heeft verweerder verzocht om de zitting van die dag aan te houden, teneinde een advies van Bureau Medische Advisering (BMA) op te vragen. Nadat eiseres hiermee had ingestemd, heeft de rechtbank de behandeling van het beroep aangehouden.

Bij uitspraak van 26 november 2025 (zaak NL25.47948) heeft de voorzieningenrechter, met instemming van eiseres, het verzoek om een voorlopige voorziening toegewezen en de voorlopige voorziening getroffen dat eiseres niet mag worden overgedragen aan Frankrijk totdat op het beroep tegen het bestreden besluit is beslist.

Het BMA heeft op 12 januari 2026 een advies uitgebracht (hierna: het BMA-advies). Verweerder heeft op 17 februari 2026 een schriftelijke uiteenzetting ingediend.

De rechtbank heeft het beroep op 1 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, mr. M.S. Yap als waarnemer van de gemachtigde van eiseres, [naam] als tolk en de gemachtigde van verweerder.

Overwegingen

Inleiding

Eiseres heeft de Ghanese nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] 2001. Zij heeft op 1 mei 2025 een asielaanvraag in Nederland ingediend.

Uit onderzoek in Eurodac is gebleken dat eiseres op 15 november 2021 in Italië en op 25 januari 2022 in Frankrijk verzoeken om internationale bescherming heeft ingediend. Op 26 juni 2025 heeft Nederland aan Frankrijk verzocht om eiseres terug te nemen op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder b, van Verordening (EU) nr. 604/2013 (Dublinverordening). Frankrijk heeft dit terugnameverzoek op 11 juli 2025 aanvaard op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder d, van de Dublinverordening.

Het bestreden besluit

2. Verweerder heeft bij het bestreden besluit de asielaanvraag van eiseres op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 niet in behandeling genomen, omdat Frankrijk verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. Verweerder stelt dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij bij overdracht aan Frankrijk een reëel risico loopt op een met artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) of artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (Handvest) strijdige behandeling. Ook heeft eiseres volgens verweerder geen andere redenen aannemelijk gemaakt die aanleiding geven om haar asielaanvraag in Nederland in behandeling te nemen.

Beroepsgronden

3. Eiseres voert aan dat het bestreden besluit berust op een onzorgvuldig onderzoek, omdat verweerder niet heeft doorgevraagd op haar verklaringen dat zij in Frankrijk een traumatische gebeurtenis (een verkrachting door een vriend van haar partner) heeft meegemaakt. Verder betoogt eiseres dat overdracht aan Frankrijk, gelet op de combinatie van haar mentale gezondheid, suïcidale uitingen en depressieve klachten, zal leiden tot een aanzienlijke en onomkeerbare verslechtering van haar gezondheidstoestand, zoals bedoeld in het arrest C.K. van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 16 februari 2017, ECLI:EU:C:2017:127. Zij stelt dat met de overgelegde medische gegevens is onderbouwd dat er sprake is van een reëel en verhoogd suïciderisico dat in voldoende verband staat met een overdracht aan Frankrijk. Een overdracht getuigt volgens eiseres ook van een onevenredige hardheid, zodat verweerder aanleiding had moeten zien de asielaanvraag aan zich te trekken op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening.

Beoordeling door de rechtbank

4. De rechtbank stelt voorop dat uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling), onder meer de uitspraken van 9 oktober 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3737, 2 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1863, 30 augustus 2024, ECLI:NL:RVS:2024:3552, 11 april 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1642, en 31 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3623, volgt dat verweerder ten aanzien van Frankrijk van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag uitgaan. Dit is door eiseres verder ook niet betwist. Dit betekent (onder meer) dat verweerder ervan uit mag gaan dat voor eiseres in Frankrijk na overdracht passende zorg aanwezig is. Ook dit is door eiseres verder niet betwist.

5. De vraag of in de andere lidstaat na de overdracht passende zorg voor de vreemdeling beschikbaar is, moet worden onderscheiden van de vraag of de overdracht van de vreemdeling een reëel en bewezen risico op aanzienlijke en onomkeerbare achteruitgang van diens gezondheidstoestand inhoudt (vgl. de uitspraak van de Afdeling van 20 maart 2026, ECLI:NL:RVS:2026:1595, r.o. 3.4). Eiseres stelt dat haar overdracht aan Frankrijk zal leiden tot een dergelijke achteruitgang van haar gezondheidstoestand. De rechtbank overweegt hierover als volgt.

Uit het arrest C.K. volgt dat, wanneer een asielzoeker objectieve gegevens overlegt die de bijzondere ernst van zijn/haar gezondheidstoestand en ook de aanzienlijke en onomkeerbare gevolgen aantonen waartoe een overdracht zelf zou kunnen leiden, verweerder bij het nemen van het overdrachtsbesluit moet beoordelen wat het risico is dat die gevolgen zich voordoen. Die vergewisplicht treedt onder meer in wanneer het risico dat een asielzoeker suïcide zal plegen als gevolg van zijn of haar overdracht door een medisch deskundige als reëel of hoog is ingeschat (vgl. voormelde Afdelingsuitspraak van 20 maart 2026, r.o. 3.1).

Op 18 november 2025 heeft eiseres haar patiëntendossier, gedateerd 14 november 2025, overgelegd. In de journaalregels van 31 oktober 2025 is te lezen dat eiseres de avond ervoor al haar medicatie heeft ingenomen om zichzelf van het leven te beroven. De reden voor deze ‘zelfdestructieve actie’ – dit is de kwalificatie die in het patiëntendossier aan deze handeling van eiseres wordt gegeven – was dat eiseres op die dag te horen had gekregen dat haar vriend, die gevangen zit in Leeuwarden, voorlopig niet vrijkomt.

Naar aanleiding hiervan heeft verweerder het BMA om advies gevraagd. Op 12 januari 2026 is het BMA-advies uitgebracht. Uit dit BMA-advies blijkt het volgende. Eiseres heeft sinds langere tijd mentale klachten, waarbij zij aangeeft angstig te zijn om terug te moeten naar Frankrijk. Eiseres heeft slaapproblemen waar medicatie goed voor helpt. Eiseres heeft op 31 oktober 2025 aangegeven al haar medicatie te hebben ingenomen om zich van het leven te beroven. Eiseres is op de SEH beoordeeld en mocht daarna met ontslag. Er was geen acuut risico voor suïcide meer. Sindsdien geeft eiseres aan dat het slapen beter gaat. Eiseres is somber en heeft soms suïcidale gedachten, maar geeft aan niet te willen overlijden. Er zijn ook vermoedens dat er sprake is van middelenmisbruik. Eiseres komt voor behandeling bij de huisarts en krijgt slaapmedicatie. Het is onduidelijk wat de diagnose precies is en een inschatting van de duur van de behandeling is moeilijk te maken. Doorgaans is de behandeling van posttraumatische stressstoornis en depressie tijdelijk van aard, variërend van gemiddeld enkele maanden tot twee jaar. De BMA-arts concludeert dat de medische klachten geen belemmering vormen om te reizen. Er zijn volgens de BMA-arts tijdens het reizen ook geen medische voorzieningen noodzakelijk. Wel wordt aanbevolen dat eiseres een schriftelijke overdracht van de medische gegevens meeneemt en om de medicatie te continueren tijdens de reis.

Verweerder heeft zich, op basis van het BMA-advies, (onder andere) op het standpunt gesteld dat niet is gebleken dat er thans sprake is van een door een medisch deskundige vastgesteld reëel of verhoogd suïciderisico. Ter zitting heeft eiseres aangevoerd dat verweerder miskent dat uit het patiëntendossier, gelet op haar uitingen, haar depressieve klachten, de lopende therapie en eerdere suïcidepoging, wél een reëel en verhoogd suïciderisico kan worden afgeleid. De rechtbank volgt dit standpunt van eiseres niet. Het BMA-advies is (mede) gebaseerd op het patiëntendossier van eiseres. Uit dat patiëntendossier en de overige onderliggende medische gegevens heeft de BMA-arts geen reëel of verhoogd suïciderisico afgeleid. De BMA-arts heeft er in dit verband op gewezen dat er na de eerdere ‘zelfdestructieve actie’ van eiseres geen acuut suïciderisico meer is vastgesteld en dat eiseres heeft verklaard dat zij soms nog wel suïcidale gedachten heeft maar niet wil overlijden. Dit komt overeen met wat er is vermeld in de journaalregels van 1 en 11 november 2025 van het patiëntendossier. Ook staat in het patiëntendossier: “Op dit moment geen directe suïcidaliteit waarneembaar.” De BMA-arts heeft in de mentale klachten van eiseres verder ook geen aanleiding gezien om medische reisvoorwaarden te adviseren. Gelet op het voorgaande heeft verweerder zich, op basis van het BMA-advies, terecht op het standpunt gesteld dat niet door een medisch deskundige is vastgesteld dat er thans sprake is van een reëel of verhoogd suïciderisico. Weliswaar heeft eiseres eerder een ‘zelfdestructieve actie’ verricht, maar er ligt geen actuele medische inschatting waaruit blijkt dat er nu een reëel of hoog suïciderisico is. De medische stukken wijzen er juist op dat dit risico is afgenomen en niet acuut is.

Eiseres heeft verder gesteld dat het suïciderisico op dit moment misschien niet hoog is, maar wel reëel of hoog kan worden zodra de overdracht aan Frankrijk meer in zicht komt. De rechtbank overweegt dat deze stelling geen doel treft, alleen al niet omdat die geen steun vindt in de overgelegde medische stukken. In de medische stukken, waaronder het patiëntendossier, is niet een dergelijke inschatting van een medisch deskundige vermeld.

Nu verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat er thans geen door een medisch deskundige vastgesteld reëel of verhoogd suïciderisico is, hoeft niet meer te worden ingegaan op de vraag of het suïciderisico voldoende gerelateerd is aan de daadwerkelijke overdracht aan Frankrijk.

Gelet op het voorgaande heeft verweerder zich zorgvuldig voorbereid en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt gesteld dat een overdracht aan Frankrijk geen reëel en bewezen risico op een aanzienlijke en onomkeerbare achteruitgang van de gezondheidstoestand van eiseres zal inhouden. Het beroep van eiseres op het arrest C.K slaagt dan ook niet.

6. Ten aanzien van de stelling van eiseres dat de overdracht aan Frankrijk getuigt van onevenredige hardheid, onder meer vanwege haar traumatische ervaring aldaar, overweegt de rechtbank het volgende.

Op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening in verbinding met paragraaf C2/5, tweede gedachtestreepje (onder ‘discretionaire bepalingen’), van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc) trekt verweerder een asielaanvraag onverplicht aan zich indien bijzondere, individuele omstandigheden maken dat de overdracht van de vreemdeling aan de voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming verantwoordelijke lidstaat van een onevenredige hardheid getuigt. In paragraaf C2/5 van de Vc staat verder dat verweerder terughoudend gebruik maakt van de bevoegdheid om het verzoek om internationale bescherming te behandelen op grond van artikel 17 van de Dublinverordening, als Nederland daartoe op grond van de Dublinverordening niet verplicht is.

De rechtbank overweegt dat zij, anders dan eiseres betoogt, geen aanleiding ziet om te oordelen dat het bestreden besluit onzorgvuldig tot stand is gekomen omdat eiseres onvoldoende in de gelegenheid zou zijn gesteld over haar trauma te verklaren. Verweerder heeft terecht gesteld dat eiseres daartoe gelegenheid had tijdens het Dublingehoor en dat niet is geconcretiseerd wat zij nog meer naar voren had willen brengen tijdens het gehoor. Er zijn bovendien door eiseres ook geen correcties en aanvulling op dit punt ingediend.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder de gestelde traumatische ervaring van eiseres in Frankrijk, hoe akelig ook, niet als bijzondere, individuele omstandigheid hoeven aanmerken die maakt dat overdracht aan Frankrijk van een onevenredige hardheid getuigt. Hiertoe is van belang dat de slechte ervaringen van eiseres niets van doen hebben met de Franse autoriteiten en dat zij hulp en bescherming kan vragen en krijgen van de autoriteiten in Frankrijk. Eiseres heeft destijds in Frankrijk ook aangifte kunnen doen van de gebeurtenis en is voor haar klachten in behandeling geweest bij een psycholoog in Frankrijk.

Gelet op het voorgaande heeft verweerder geen aanleiding hoeven zien om de asielaanvraag van eiseres onverplicht aan zich te trekken op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening in verbinding met paragraaf C2/5, tweede gedachtestreepje (onder ‘discretionaire bepalingen’), van de Vc. De hiertoe aangevoerde beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

7. Nu geen van de beroepsgronden slaagt, is het beroep ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. F.A. Groeneveld, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Feijtel, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. F.A. Groeneveld

Griffier

  • mr. S. Feijtel

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand