RECHTBANK DEN HAAG
Jeugd- en Zorgrecht
Zaaknummer: C/09/699990 / JE RK 26-287
Datum uitspraak: 25 maart 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling
in de zaak van
Stichting Jeugdbescherming west Zuid-Holland,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling,
over
[de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2019 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [de minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder] ,
hierna te noemen: de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
[de vader] ,
hierna te noemen: de vader,
wonende in [woonplaats] .
1. Het verloop van de procedure
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 20 februari 2026.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 25 maart 2026. Daarbij waren aanwezig:
- [naam] , namens de gecertificeerde instelling.
De vader en de moeder zijn niet verschenen. De kinderrechter stelt vast dat de vader en de moeder wel juist zijn opgeroepen.
2. De feiten
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige] .
[de minderjarige] woont bij zijn moeder.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 26 maart 2025 de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] verlengd tot 26 maart 2026.
3. Het verzoek
De gecertificeerde instelling verzoekt de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] te verlengen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
De gecertificeerde instelling heeft het verzoek als volgt gemotiveerd. De gecertificeerde instelling heeft nog altijd ernstige zorgen over de ontwikkeling van [de minderjarige] . Hij laat zorgelijk gedrag zien op school, bespreekt daar complottheorieën en wordt gepest. Er is weinig zicht op de thuissituatie en er zijn zorgen over de ingrijpende gebeurtenissen die [de minderjarige] heeft meegemaakt. De benodigde hulpverlening voor [de minderjarige] is nog niet opgestart terwijl hij ondersteuning en begeleiding nodig heeft bij zijn ontwikkeling. Het is belangrijk dat er diagnostiek kan plaatsvinden zodat duidelijk wordt wat de oorzaak is van het gedrag van [de minderjarige] . Het is de gecertificeerde instelling daarnaast nog niet gelukt om in contact te komen met de vader en de moeder. De gecertificeerde instelling heeft de afgelopen jaren één keer contact gehad met de moeder nadat er een schriftelijke aanwijzing is gegeven. De gecertificeerde instelling wil de vader en de moeder daarom opnieuw een schriftelijke aanwijzing geven om in contact te komen met school zodat daar de zorgen kunnen worden besproken. Op die manier wil de gecertificeerde instelling ook proberen om tot een constructieve samenwerking te komen.
4. De beoordeling
De kinderrechter overweegt het volgende. De gecertificeerde instelling heeft gedurende de ondertoezichtstelling, die op 27 maart 2024 is uitgesproken en nadien is verlengd, gepoogd de vader en de moeder te betrekken en in beweging te krijgen. Dit is echter niet gelukt. De gecertificeerde instelling heeft geen rechtstreeks contact met hen kunnen krijgen in de afgelopen jaren en het is niet aannemelijk dat zij zich het komend jaar zullen openstellen om de samenwerking met de gecertificeerde instelling aan te gaan. Een nieuwe interventie, zoals door de gecertificeerde instelling ter zitting is voorgesteld, zal dit hoogstwaarschijnlijk ook niet veranderen. Ondanks dat de kinderrechter ziet dat er nog altijd ernstige zorgen zijn over [de minderjarige] en zijn ontwikkeling is een verlenging van de ondertoezichtstelling niet wenselijk gelet op de onuitvoerbaarheid daarvan. Dit betekent dat het verzoek wordt afgewezen.
5. De beslissing
De kinderrechter:
wijst het verzoek af.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 25 maart 2026 door mr. M. de Kleine, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. I.M. Kroon als griffier, en op schrift gesteld op 8 april 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.