ECLI:NL:RBDHA:2026:10617

ECLI:NL:RBDHA:2026:10617

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 25-03-2026
Datum publicatie 06-05-2026
Zaaknummer I. C/09/700070 / JE RK 26-292 en C/09/700080 / JE RK 26-293
Rechtsgebied Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Den Haag

Samenvatting

Verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing; aanhouding verzoek tot wijziging van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Jeugd- en Zorgrecht

Zaaknummers:

I. C/09/700070 / JE RK 26-292

II. C/09/700080 / JE RK 26-293

Datum uitspraak: 25 maart 2026

Beschikking van de kinderrechter

I. verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing

II. aanhouding verzoek tot wijziging van de verdeling van zorg- en opvoedingstaken

in de zaak van

William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering,

hierna te noemen: de gecertificeerde instelling,

over

[minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2015 in [geboorteplaats] ,

hierna te noemen: [minderjarige] .

De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

[de moeder] ,

hierna te noemen: de moeder,

wonende in [woonplaats] ,

[de vader] ,

hierna te noemen: de vader,

wonende in [woonplaats] ,

[de pleegmoeder] ,

hierna te noemen: de pleegmoeder,

en

[de pleegvader] ,

hierna te noemen: de pleegvader,

hierna ook tezamen te noemen: de pleegouders,

samenwonende op een bij de rechtbank bekend adres.

De kinderrechter merkt als informanten aan:

[informant 1] , de bezoekbegeleider van de vader vanuit [zorginstantie 1] ,

hierna te noemen: de begeleider van de vader,

[informant 2] , de opvoedondersteuner van de moeder vanuit [zorginstantie 1] ,

hierna te noemen: de begeleider van de moeder.

1. Het verloop van de procedure

De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:

het verzoekschrift (I) met bijlagen, ontvangen op 23 februari 2026,

het verzoekschrift (II) met bijlagen, ontvangen op 23 februari 2026;

de e-mailbericht van de pleegouders van 16 maart 2026;

de brief van de vader, ontvangen op 18 maart 2026.

De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 25 maart 2026. Daarbij waren aanwezig:

[naam 1] en [naam 2] namens de gecertificeerde instelling;

de moeder met haar begeleider;

de vader met zijn begeleider.

De pleegouders zijn niet verschenen. Zij hebben zich bij per e-mailbericht van 16 maart 2026 afgemeld voor de zitting.

De kinderrechter heeft [minderjarige] naar haar mening gevraagd. [minderjarige] heeft een brief gestuurd. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige] heeft opgeschreven in haar brief. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.

2. De feiten

[minderjarige] is erkend door de vader.

De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .

[minderjarige] verblijft in een pleeggezin.

De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 8 april 2025 de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd tot 22 april 2026.

De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 16 oktober 2025 de machtiging verlengd [minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg tot 22 april 2026.

Bij beschikking van 4 april 2024 heeft de kinderrechter in deze rechtbank de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (hierna: zorgregeling) vastgesteld. Daarin is onder meer bepaald:

- De vader ziet [minderjarige] voor twee uur in de week onder begeleiding van [zorginstantie 1] . De vader haalt [minderjarige] om 14:00 uit school, samen met zijn begeleider. Om 16:15 wordt [minderjarige] opgehaald door de moeder.

3. De verzoeken

Verzoek I: verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing

De gecertificeerde instelling verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen voor de duur van een jaar. Ook verzoekt de gecertificeerde instelling de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg te verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling. De gecertificeerde instelling verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

De gecertificeerde instelling heeft het verzoek als volgt gemotiveerd. [minderjarige] kampt met kind-eigenproblematiek en zij is gebaat bij een vaste weekstructuur en zij heeft bevestiging, positieve aandacht en duidelijke grenzen en regels nodig. Het lukt de ouders, vanwege hun eigen problematiek, onvoldoende om de (volledige) zorg over [minderjarige] te dragen. De afgelopen maanden wordt gezien dat [minderjarige] zich steeds beter op sociaal-emotioneel gebied ontwikkelt en haar ouders steeds meer overstijgt. Zij begrijpt haar leefsituatie steeds meer en zij ziet dat de ouders anders zijn dan andere ouders, wat ook voor verdriet en boosheid zorgt bij haar. Waar er eerder een positieve groei in het contact met de vader waarneembaar was, hebben er de afgelopen tijd lastige en onveilige situaties tijdens de contactmomenten tussen [minderjarige] en de vader plaatsgevonden. Zo laat [minderjarige] dwingend en zelfbepalend gedrag zien en zij maakt regelmatig nare opmerkingen die veel emotie oproepen bij de vader. [zorginstantie 1] is samen met de gecertificeerde instelling op zoek naar oplossingen om deze bezoeken veiliger en prettiger te laten verlopen. Ook tijdens de bezoekmomenten met de moeder wordt gezien dat [minderjarige] steeds meer de overhand krijgt. De moeder heeft niet de kracht en het geduld om [minderjarige] voldoende te begrenzen en te stimuleren. De moeder heeft voor haar eigen problematiek de afgelopen maanden hulp gekregen vanuit de GGZ, maar dit heeft haar situatie niet verbeterd. De spanningen en overbelasting bij de moeder hebben veel invloed op [minderjarige] . Er is voor [minderjarige] een aanmelding gedaan bij [zorginstantie 2] om haar hulp te bieden hierin en, waar nodig, zal EMDR-therapie worden ingezet. Gelet op het voorgaande wordt [minderjarige] nog steeds ernstig in haar ontwikkeling wordt bedreigd. Nu de fysieke en emotionele gesteldheid van de moeder niet is verbeterd en de ondersteuningsbehoefte van [minderjarige] verder toeneemt, vindt de gecertificeerde instelling een volledige uithuisplaatsing in het pleeggezin op dit moment nog steeds het meest in het belang van [minderjarige] .

Verzoek II: wijziging van de verdeling van zorg- en opvoedingstaken

De gecertificeerde instelling verzoekt de verdeling van de zorgregeling op het punt van de omgang met de vader als volgt te wijzigen:

De vader ziet [minderjarige] om de week onder begeleiding van [zorginstantie 1] . De vader haalt [minderjarige] om 14:00 uit school, samen met zijn begeleider.

Om 16:45 wordt het bezoek afgerond en wordt [minderjarige] door begeleider thuisgebracht in het pleeggezin.

De gecertificeerde instelling heeft het verzoek als volgt gemotiveerd. [minderjarige] laat binnen en rondom het contact met de ouders toenemende spanning en emotionele ontregeling zien en er worden steeds meer signalen van een verstoorde ouder-kindrelatie waargenomen. Op dit moment vragen de contactmomenten veel van [minderjarige] en is het belangrijk dat zij uitleg krijgt over de situatie en vanuit rust fijn en veilig contact kan hebben met de ouders. In de huidige zorgregeling heeft [minderjarige] onvoldoende tijd om tot rust te komen van een contactmomenten, omdat het volgende contactmoment een dag later weer gepland staat. Het is belangrijk dat er meer rust komt in en tussen de contactmomenten. De gecertificeerde instelling wil daarom de zorgregeling met beide ouders verminderen door de frequentie van het bezoek met vader te veranderen van elke week naar om de week en de logeermomenten bij moeder eraf te halen. De bezoekregeling met moeder zal middels een ‘beslissing over contact tijdens uithuisplaatsing’ vastgelegd worden.

4. De standpunten

De moeder staat achter het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing. Het gaat op dit moment niet goed met de moeder en zij ervaart veel stress rondom [minderjarige] . De moeder heeft behandeling gehad bij de GGZ, maar dit heeft niet het gewenste effect gehad. De moeder heeft nu meer klachten dan voorheen, waardoor de moeder heeft besloten te stoppen met deze behandeling. Op dit moment staat de moeder aangemeld voor begeleid-wonen en zij staat bovenaan de wachtlijst. [minderjarige] mag hier ook langskomen. De gecertificeerde instelling heeft de omgangsmomenten tussen de moeder en [minderjarige] verminderd. De moeder ziet [minderjarige] nu één keer in de week op woensdagmiddag en daarbij nog eens per maand een dag in het weekend. Tijdens het contactmoment in het weekend ontvangt de moeder begeleiding vanuit [zorginstantie 3] . De moeder ziet echter het nut van deze begeleiding niet in. De moeder ervaart op dit moment onduidelijkheid over wat de bedoeling is van de zorgregeling en zij wenst [minderjarige] meer te zien.

De vader is het niet eens met de verzoeken. De vader vindt dat [minderjarige] het best op haar plek is bij haar eigen ouders. De vader ervaart veel stress en hij heeft het gevoel dat hij overal buiten wordt gehouden. De vader hoort, ziet en weet niks van hoe het gaat met [minderjarige] . De vader wil op de hoogte worden gehouden over hoe het met [minderjarige] en met haar therapie gaat. De vader heeft daarbij het gevoel dat de band tussen de vader en [minderjarige] niet langer aanwezig is. De vader ziet [minderjarige] sinds de voorjaarsvakantie één keer in de twee weken voor de duur van tweeëneenhalf uur, onder begeleiding. Hij wil [minderjarige] meer zien zodat hij een band met haar kan opbouwen en een rol in haar leven kan spelen. Volgens de vader wordt [minderjarige] (verder) getraumatiseerd door de situatie.

Desgevraagd heeft de begeleider van de moeder het volgende naar voren gebracht. De begeleider van de moeder zal betrokken blijven als de moeder gaat verhuizen naar begeleid-wonen. Daar mag [minderjarige] langskomen, mits begeleiding vanuit [zorginstantie 1] daarbij aanwezig is. De moeder zal, na haar verhuizing, worden aangemeld bij [zorginstantie 4] voor traumabehandeling. De moeder heeft mentale en fysieke klachten gekregen door de gehele situatie. Verder zijn de contacten tussen [minderjarige] en de moeder sinds de voorjaarsvakantie verminderd. De moeder ziet [minderjarige] , naast elke week woensdagmiddag, één keer per maand een dag in het weekend, met begeleiding. Daarbij is de afgelopen periode rommelig verlopen doordat er geen vaste jeugdbeschermer meer betrokken is en [minderjarige] heeft daar last van. Zij maakt zich meer zorgen over het welzijn van de ouders en zij voelt daarbij een grote verantwoordelijkheid. Door het contact met de ouders te verminderen, worden deze zorgen niet weggenomen. De contactmomenten die er zijn, proberen de begeleider van de moeder en de moeder zo goed mogelijk in te vullen. Wel zijn er in de week veel wisselingen voor [minderjarige] en dat kan lastig zijn voor [minderjarige] .

Desgevraagd heeft de begeleider van de vader het volgende naar voren gebracht. [minderjarige] en de vader lijken op elkaar en daardoor kan het contact spanning opleveren. Het frustreert de vader dat hij aan allerlei voorwaarden moet voldoen om [minderjarige] te mogen zien. Hij weet op dit moment niet wat hij nog meer moet doen om [minderjarige] (meer) te zien. [minderjarige] lijkt het moeilijk te hebben in de huidige situatie. Ze stelt (onder meer) vragen of ze ooit zonder begeleiding bij de ouders kan zijn. Het is goed dat [minderjarige] hulpverlening gaat krijgen en volgens de begeleider van de vader heeft [minderjarige] behoefte aan duidelijkheid. De vader wil vooral betrokken worden bij [minderjarige] . De vader ziet [minderjarige] nu twee keer in de maand, waarvan hij één keer met [minderjarige] naar de grootouders vaderszijde gaat.

5. De beoordeling

De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan.

Daartoe overweegt de kinderrechter als volgt. De ontwikkeling van [minderjarige] wordt nog steeds ernstig bedreigd. [minderjarige] is een kwetsbaar meisje dat kampt met kind-eigenproblematiek, waaronder hechtingsproblematiek. [minderjarige] heeft een bovengemiddelde opvoedbehoefte en is gebaat bij een duidelijke structuur, nabijheid en grenzen en regels. Beide ouders kampen met persoonlijke problematiek. De kinderrechter ziet dat beide ouders hard hun best doen om [minderjarige] te bieden wat zij nodig heeft, maar dat dit op dit moment niet, althans onvoldoende lukt. Er zijn zorgen over de fysieke en mentale gezondheid van de moeder. Het is goed om te horen dat de moeder binnenkort kan verhuizen naar begeleid-wonen en dat zij gemotiveerd is om (verdere) behandeling aan te gaan. De vader heeft, net zoals [minderjarige] , sturing en begeleiding nodig en kan hierdoor niet de zorg over [minderjarige] op zich nemen. Uit de stukken en ter zitting is gebleken dat de contactmomenten tussen de ouders en [minderjarige] veel spanning en ontregeling bij [minderjarige] veroorzaken. Er hebben de afgelopen periode meerdere escalaties plaatsgevonden tijdens de contactmomenten tussen de vader en [minderjarige] . [minderjarige] laat dan in het contact dwingend en zelfbepalend gedrag zien, waarbij zij ook uit boosheid ook verschillende keren de straat op is gerend. Dit acht de kinderrechter zeer zorgelijk. Het is positief dat er een aanmelding is gedaan bij [zorginstantie 2] voor [minderjarige] . Gelet op het voorgaande acht de kinderrechter het noodzakelijk dat de gecertificeerde instelling nog betrokken blijft. De ouders zijn op dit moment niet, althans onvoldoende, in staat om zelfstandig de ernstige ontwikkelingsbedreiging van [minderjarige] weg te nemen. Ter zitting is duidelijk geworden dat er op dit moment geen vaste jeugdbeschermer betrokken is bij [minderjarige] en de ouders. De kinderrechter benadrukt dat het, gelet op de huidige situatie, van groot belang is dat er wordt ingezet om zo snel mogelijk een vaste jeugdbeschermer aan het gezin te koppelen. Gelet op de forse zorgen en de stappen die de komende tijd moeten worden genomen, acht de kinderrechter een ondertoezichtstelling voor de duur van een jaar passend en geboden.

Ook is de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] noodzakelijk in het belang van de verzorging en opvoeding. In het pleeggezin wordt gezien dat [minderjarige] (voorzichtig) stapjes in haar ontwikkeling maakt en dat zij zich steeds veiliger voelt. Zij gaat naar het speciaal onderwijs, zij is vriendschappen aan het maken en zij krijgt steeds meer zelfstandige taken toebedeeld. Hoewel de kinderrechter ziet dat de ouders veel van [minderjarige] houden en het beste met haar voor hebben, zijn de ouders op dit moment onvoldoende in staat om aan de bovengemiddelde opvoedbehoefte van [minderjarige] te voldoen. In het pleeggezin krijgt zij de structuur, duidelijkheid en stabiliteit geboden die zij nodig heeft. De kinderrechter acht het daarom van belang dat deze plaatsing wordt gecontinueerd en wordt gewaarborgd. Wel ziet de kinderrechter aanleiding om het verzoek voor kortere tijd te verlengen dan verzocht. Ter zitting is gebleken dat er veel onduidelijkheid bestaat over de contactregeling tussen [minderjarige] en de ouders en wat het meest in haar belang is. Ook is er op dit moment geen vaste jeugdbeschermer betrokken bij [minderjarige], waardoor de afgelopen periode de benodigde stappen niet zijn gezet. De kinderrechter acht het daarom van belang om een vinger aan de pols te houden en zij zal het verzoek toewijzen voor de duur van zes maanden en het verzoek voor het overige aangehouden.

De beslissing tot verlenging van de ondertoezichtstelling wordt van rechtswege aangetekend in het gezagsregister.

De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

Verzoek II: wijziging zorgregeling

De kinderrechter begrijpt het verzoek van de gecertificeerde instelling zo dat artikel 1:265g, tweede lid, Burgerlijk Wetboek (BW), ten grondslag ligt aan het verzoek, en niet het eerste lid. De gecertificeerde instelling verzoekt immers een wijziging van een door de kinderrechter van deze rechtbank bij beschikking van 4 april 2024 vastgestelde zorgregeling.

Op grond van artikel 1:265g, tweede lid, BW kan de kinderrechter de vastgestelde regeling wijzigen op de grond dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd, of dat bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan.

De kinderrechter overweegt daartoe als volgt. Ter zitting heeft de kinderrechter geconstateerd dat de vader [minderjarige] sinds februari 2026 eens in de twee weken voor de duur van twee uur, onder begeleiding van [zorginstantie 1] , ziet. Deze regeling komt niet overeen met de regeling zoals bepaald bij beschikking van 4 april 2024. Daarin is namelijk vastgelegd dat de vader [minderjarige] eens per week voor de duur van twee uur, onder begeleiding van [zorginstantie 1] , ziet. Daarmee heeft de gecertificeerde instelling de omgangsregeling gewijzigd, zonder dat de kinderrechter daarover eerst een beslissing heeft genomen. Hoewel uit de stukken en ter zitting is gebleken dat er zorgen bestaan over de contactmomenten tussen [minderjarige] en de vader, is het voor de kinderrechter onvoldoende duidelijk of een wijziging van de zorgregeling zoals is verzocht, het meest in het belang van [minderjarige] is. [minderjarige] heeft namelijk zelf aangegeven behoefte te hebben aan meer contact met de vader. Bovendien is ter zitting aangevoerd dat de zorgen over de contactmomenten niet worden weggenomen door deze te verminderen, maar dat te veel wisselingen in een week voor [minderjarige] lastig kan zijn. Op dit moment is er geen jeugdbeschermer bij [minderjarige] betrokken. Zonder nadere toelichting acht de kinderrechter zich op dit moment, gelet op het gevoerde verweer, alsmede de hechtingsproblematiek van [minderjarige] , onvoldoende voorgelicht om een beslissing te nemen over de voorgestelde wijziging van de zorgregeling. De kinderrechter vindt het daarom van belang dat er op korte termijn een jeugdbeschermer bij het gezin wordt betrokken en dat door de gecertificeerde instelling meer duidelijkheid wordt verschaft over wat [minderjarige] nodig heeft en of een wijziging van de zorgregeling daarvoor noodzakelijk is. De kinderrechter ziet daarom aanleiding om het verzoek tot wijziging van de zorgregeling voor de duur van zes maanden aan te houden, zodat eventuele resultaten van [zorginstantie 2] hierbij kunnen worden betrokken. Op de zitting is met partijen afgesproken dat de omgangsregeling zoals die op dit moment door de gecertificeerde instelling wordt uitgevoerd bij de vader, en ook bij de moeder, voorlopig op deze manier door blijft gaan. Gelet op de kwetsbaarheid van [minderjarige] is het terugdraaien van deze regelingen op dit moment niet in het belang van [minderjarige] . De kinderrechter verzoekt de gecertificeerde instelling om twee weken voor een nader te bepalen zitting een update aan de rechtbank en de belanghebbenden te zenden en aan te geven of het verzoek wordt gehandhaafd. In deze schriftelijke update dient in ieder geval in te worden gegaan op hoe de contactmomenten tussen [minderjarige] en de vader verlopen, hoe [minderjarige] reageert op de frequentie van de wisselingen, wat [minderjarige] in het contact met de ouders aan kan en of een wijziging van de zorgregeling in het belang van [minderjarige] noodzakelijk is. De kinderrechter ziet daarbij ook dat er voor [minderjarige] rust moet komen.

6. De beslissing

De kinderrechter:

inzake C/09/700070 / JE RK 26-292

verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] tot 22 april 2027;

verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg tot 22 oktober 2026;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

houdt de behandeling van het verzoek tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing voor het overige aan tot een nader te bepalen zitting, gelegen vóór 22 oktober 2026, bij voorkeur bij mr. N.B. Haverhoek;

verzoekt de gecertificeerde instelling om twee weken voor de nader te bepalen zitting een schriftelijke update van de ontwikkelingen te verstrekken aan de rechtbank en belanghebbenden;

inzake C/09/700080 / JE RK 26-293

houdt de behandeling van het verzoek tot wijziging van de zorgregeling in zijn geheel aan tot een nader te bepalen zitting, gelegen vóór 22 oktober 2026, bij voorkeur bij mr. N.B. Haverhoek;

verzoekt de gecertificeerde instelling om twee weken voor een nader te bepalen zitting een update als hierboven genoemd aan de rechtbank en de belanghebbenden te zenden en aan te gaven of het verzoek wordt gehandhaafd.

in beide verzoeken

gelast de griffier voor de nader te bepalen zitting op te roepen:

de gecertificeerde instelling;

de moeder;

de vader;

de pleegouders;

[minderjarige] voor het kindgesprek.

Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 25 maart 2026 door mr. N.B. Haverhoek, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. R.M. Goossen als griffier, en op schrift gesteld op 2 april 2026.

Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:

degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;

andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. R.M. Goossen als

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand