ECLI:NL:RBDHA:2026:1062

ECLI:NL:RBDHA:2026:1062

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 21-01-2026
Datum publicatie 26-01-2026
Zaaknummer NL25.52317
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Arnhem

Samenvatting

Los inreisverbod; geen strijd met artikel 8 EVRM; ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 januari 2026 in de zaak tussen

[eiser], v-nummer [nummer], eiser

de minister van Asiel en Migratie

Samenvatting

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: NL25.52317

(gemachtigde: mr. M.H.K. van Middelkoop),

en

(gemachtigde: mr. R.M. Koning).

1. Deze uitspraak gaat over het inreisverbod dat de minister aan eiser heeft opgelegd. Eiser is het daar niet mee eens. Hij voert daartoe een beroepsgrond aan. Aan de hand van deze beroepsgrond beoordeelt de rechtbank het inreisverbod.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het inreisverbod in stand kan blijven, omdat het inreisverbod niet in strijd is met artikel 8 van het EVRM. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Onder 2 staat het procesverloop in deze zaak. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf overweging 3. Aan het einde van de uitspraak staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.

Procesverloop

2. Met het bestreden besluit van 19 oktober 2025 heeft de minister aan eiser een inreisverbod voor de duur van twee jaar opgelegd, omdat eiser Nederland niet binnen de hem gestelde termijn heeft verlaten.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.

De rechtbank heeft het beroep op 18 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van de minister deelgenomen. Eiser en zijn gemachtigde hebben niet aan de zitting deelgenomen en hebben dat van tevoren aan de rechtbank laten weten.

Beoordeling door de rechtbank

Is het opleggen van het inreisverbod in strijd met artikel 8 van het EVRM?

3. Eiser betoogt dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom het opleggen van het inreisverbod niet in strijd is met artikel 8 van het EVRM. Eiser heeft verklaard dat hij neven en nichten heeft en dat hij een partner in Zweden heeft. De minister had daarom het opleggen van een inreisverbod moeten afwegen tegen het familie- en gezinsleven dat eiser in Europa heeft.

Dit betoog slaagt niet. De minister stelt zich terecht op het standpunt dat hij voldoende heeft gemotiveerd dat het inreisverbod niet in strijd is met artikel 8 van het EVRM. Eiser heeft verklaard dat hij een partner in Zweden heeft en dat hij “misschien” neven en nichten in Europa heeft. Deze verklaringen zijn, zoals de minister terecht stelt, zodanig vaag dat hieruit geen familie- en gezinsleven zoals bedoeld in artikel 8 van het EVRM kan worden afgeleid. Alleen al daarom mocht de minister volstaan met de enkele motivering dat hij niet van het opleggen van het inreisverbod had moeten afzien. Bovendien heeft eiser het eventuele familie- en gezinsleven met zijn gestelde partner, neven en nichten ook in beroep niet nader onderbouwd. Daarom bestaat ook in beroep geen aanleiding om aan te nemen dat het inreisverbod in strijd is met artikel 8 van het EVRM.

Conclusie en gevolgen

4. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en het inreisverbod in stand blijft. De minister hoeft de proceskosten van eiser niet te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W. Loof, rechter, in aanwezigheid van mr. S.J.B. ter Beke, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. W. Loof

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?