RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam], eiser,
de minister van Asiel en Migratie, de minister
Samenvatting
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.37364
geboren op [geboortedatum],
van Kameroense nationaliteit,
V-nummer: [v-nummer]
(gemachtigde: mr. A.J. de Boer),
en
(gemachtigde: mr. C. Stoute).
1. Deze uitspraak gaat over het terugkeerbesluit dat aan eiser is opgelegd. Eiser is het daar niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Mede aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de oplegging van het terugkeerbesluit.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister het terugkeerbesluit aan eiser heeft mogen opleggen. Omdat de minister een vervangend besluit heeft genomen en de motivering daarvan achteraf heeft aangevuld, is het beroep op dat punt gegrond. De rechtbank ziet aanleiding om de rechtsgevolgen in stand te laten. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Bij besluit van 14 juli 2025 is ten aanzien van eiser een terugkeerbesluit genomen.
Eiser heeft hiertegen op 11 augustus 2025 beroep ingesteld en verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Bij besluit van 27 augustus 2025 heeft de minister het terugkeerbesluit van 14 juli 2025 ingetrokken en vervangen door een nieuw terugkeerbesluit.
De rechtbank heeft het beroep op 30 januari 2026 op zitting behandeld, gelijktijdig met het verzoek om een voorlopige voorziening te treffen. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, een tolk en de gemachtigde van de minister. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten. Op het verzoek om een voorlopige voorziening te treffen zal bij afzonderlijke uitspraak worden beslist.
Beoordeling door de rechtbank
Het ingetrokken besluit van 14 juli 2025
3. Eiser voert aan dat de minister alsnog in de proceskosten moet worden veroordeeld in het beroep ten aanzien van het besluit van 14 juli 2025 omdat het beroep voor zover het gericht is tegen dat besluit gegrond was. De minister heeft het besluit immers ingetrokken.
Op de zitting heeft de gemachtigde van de minister aangegeven zich niet te verzetten tegen de toekenning van een proceskostenveroordeling.
Op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Awb, heeft het beroep van rechtswege mede betrekking op een besluit tot intrekking, wijziging of vervanging van het bestreden besluit, tenzij partijen daarbij onvoldoende belang hebben. Het besluit van 27 augustus 2025 is een besluit als bedoeld in artikel 6:19, eerste lid, van de Awb.
Het beroep tegen het besluit van 14 juli 2025 zal niet-ontvankelijk worden verklaard, omdat de minister dit besluit op 27 augustus 2025 heeft ingetrokken en niet valt in te zien welk belang eiser nog bij zijn beroep heeft. De rechtbank ziet wel aanleiding om de proceskosten van het op 11 augustus 2025 ingediende beroep te vergoeden, omdat nadien is besloten om dit besluit in te trekken.
Het nieuwe besluit van 27 augustus 2025
Voornemen
4. Eiser voert aan dat de minister heeft verzuimd om het voornemen van 4 juni 2025 aan de gemachtigde van eiser te verzenden. De gemachtigde van eiser heeft daarom niet kunnen reageren op het voornemen. Dat is reden om de beschikking te vernietigen.
De rechtbank stelt vast dat het voornemen is verzonden naar de toenmalige gemachtigde van eiser. Verder stelt de rechtbank vast dat eiser op 30 juni 2025 een zienswijze heeft ingediend. Dit betekent dat eiser het voornemen in ieder geval wel heeft ontvangen. De rechtbank ziet hierin dan ook geen reden om het bestreden besluit te vernietigen.
Tijdelijke bescherming en bevriezingsmaatregel
5. Eiser voert aan dat de minister ten onrechte een terugkeerbesluit aan hem heeft opgelegd omdat hij recht heeft op tijdelijke bescherming onder de Richtlijn Tijdelijke Bescherming (RTB). Eiser wijst op het arrest Kabuna en Abkez van het Hof van Justitie waarin is geoordeeld over de wijze waarop de bescherming op grond van de RTB kan worden beëindigd. Eiser voert verder aan dat de minister niet heeft gemotiveerd waarom per 4 september 2025 de bevriezingsmaatregel eindigde. Ook voert eiser aan dat zolang de bevriezingsmaatregel gold de minister geen terugkeerbesluiten mocht nemen. Het nemen van een terugkeerbesluit terwijl de bevriezingsmaatregel nog van kracht is, is onder meer in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel, het evenredigheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel.
De rechtbank overweegt dat zij in haar uitspraak van 27 mei 2025 heeft geoordeeld over de vraag of de tijdelijke bescherming van eiser op grond van de RTB kon worden beëindigd. De rechtbank heeft dat beroep ongegrond verklaard, omdat zij – onder verwijzing naar de uitspraken van de Afdeling van 23 april 2025 – heeft vastgesteld dat de tijdelijke bescherming van derdelanders met voorafgaand tijdelijk verblijf in Oekraïne per 4 maart 2024 rechtsgeldig is beëindigd. Eiser had vanaf die datum geen recht meer op verblijf op grond van de RTB. Het door eiser ingestelde verzet tegen de uitspraak van 27 mei 2025 is door deze rechtbank en zittingsplaats bij uitspraak van 20 april 2026 ongegrond verklaard. Het oordeel staat daarmee in rechte vast.
Gelet op het voorgaande kan de rechtbank in onderhavige procedure niet nogmaals oordelen over de vraag of eiser niet langer recht had op tijdelijke bescherming op grond van de RTB. De RTB stond niet in de weg aan de oplegging van het terugkeerbesluit, zo volgt uit hetgeen is overwogen onder 5.1.
De rechtbank overweegt verder dat het Hof van Justitie in het arrest Kabuna en Abkez heeft geoordeeld dat artikel 6 van de Terugkeerrichtlijn zich ertegen verzet dat aan een derdelander die legaal op het grondgebied van een lidstaat verblijft op grond van facultatieve tijdelijke bescherming een terugkeerbesluit wordt opgelegd voordat deze bescherming is geëindigd. Zoals hiervoor overwogen, is de facultatieve tijdelijke bescherming van eiser per 4 maart 2024 geëindigd. De minister heeft het terugkeerbesluit genomen op 27 augustus 2025. Op dat moment was er alleen (nog) sprake van een bevriezingsmaatregel die ertoe diende om, ondanks de beëindiging van de tijdelijke bescherming per 4 maart 2024, een prejudiciële procedure af te wachten. De rechtbank ziet hierin geen situatie waarin geen terugkeerbesluit kon worden genomen. Naar het oordeel van de rechtbank was de minister op 27 augustus 2025 daarom bevoegd een terugkeerbesluit uit te vaardigen. De rechtbank is verder van oordeel dat de minister met de verwijzing naar de brief van de minister wel degelijk voldoende heeft gemotiveerd waarom de bevriezingsmaatregel per 4 september 2025 is geëindigd.
Geactualiseerde beoordeling van het beginsel van non-refoulement
6. Eiser voert aan dat in het bestreden besluit geen zorgvuldige en deugdelijk gemotiveerde beoordeling heeft plaatsgevonden van de actuele situatie van eiser. De minister dient duidelijk te motiveren waarom hij nu, ondanks een eerder ingetrokken besluit, alsnog of opnieuw tot terugkeer wil overgaan. De minister heeft hierover ook nooit met eiser gesproken. Ook heeft de minister geen daadwerkelijke artikel 3 EVRM-toets verricht of een belangenafweging gemaakt, terwijl eiser in de zienswijze van 30 juni 2025 wel uitvoerig heeft verklaard over zijn persoonlijke situatie.
De minister erkent in het verweerschrift dat de beoordeling van de actuele situatie van eiser onvolledig is en acht, gelet op het arrest Ararat, een volledige beoordeling noodzakelijk. De minister heeft daarom in het verweerschrift alsnog een geactualiseerde beoordeling van het risico op schending van het beginsel van non-refoulement gemaakt en verzoekt de rechtbank dit te beschouwen als een aanvulling op het besluit van 27 augustus 2025. De minister wijst allereerst op paragraaf C7/20 van de Vc, waaruit volgt dat de veiligheidssituatie in Kameroen niet zodanig is dat de minister aanneemt dat voor eenieder die terugkeert naar dat land op voorhand een reëel risico op schending van artikel 3 van het EVRM aannemelijk is. De minister stelt zich verder op het standpunt dat eiser ook niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij persoonlijk een risico loopt bij terugkeer naar Kameroen. Eiser heeft in zijn zienswijze geen persoonlijke feiten en omstandigheden naar voren gebracht waaruit volgt dat zich een reëel risico op refoulement voordoet. De omstandigheid dat eiser niet is verschenen bij zijn asielgehoor en zijn asielaanvraag weer heeft ingetrokken, doen bovendien afbreuk aan de aannemelijkheid van het reële risico op ernstige schade.
De rechtbank merkt het verweerschrift van de minister aan als een aanvullende motivering. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister met het voorgaande een volledige en actuele beoordeling gemaakt van het risico op schending van het beginsel van non-refoulement bij terugkeer naar Kameroen. Eiser heeft geen omstandigheden aangevoerd die niet door de minister zijn betrokken. De rechtbank ziet, gelet op het voorgaande, aanleiding om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten.
Horen
7. Eiser voert aan dat hij ten onrechte niet is gehoord voorafgaand aan het bestreden besluit. Dit is onzorgvuldig en leidt tot een onzorgvuldige besluitvorming.
De beroepsgrond slaagt niet. Uit de jurisprudentie van het Hof van Justitie, waaronder de arresten Mukarubega en Boudjlida volgt dat het recht om te worden gehoord, het recht omvat om, voordat een terugkeerbesluit wordt uitgevaardigd, het standpunt hieromtrent kenbaar te maken. Eiser heeft deze gelegenheid gehad doordat hij binnen vier weken een schriftelijke reactie heeft kunnen geven op het voornemen tot het opleggen van een terugkeerbesluit. Eiser heeft geen persoonlijke feiten of omstandigheden naar voren gebracht die aan een terugkeerbesluit in de weg zouden kunnen staan en op grond waarvan hij (daarnaast) ook in persoon gehoord had moeten worden.
Conclusie en gevolgen
8. Het beroep is niet-ontvankelijk voor zover het is gericht tegen het besluit van 14 juli 2025. Voor zover het beroep is gericht tegen het besluit van 27 augustus 2025 is het gegrond vanwege het geconstateerde motiveringsgebrek. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit van 27 augustus 2025, maar ziet wel aanleiding om de rechtsgevolgen in stand te laten. Dat betekent dat de minister geen nieuw besluit hoeft te nemen.
Omdat het besluit van 14 juli 2025 is ingetrokken en omdat het beroep tegen het besluit van 27 augustus 2025 gegrond is, krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze kosten stelt de rechtbank, op grond van het besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, vast op € 2.802,- (1 punt voor het indienen van een beroepschrift tegen het besluit van 14 juli 2025, 1 punt voor het indienen van een beroepschrift tegen het besluit van 27 augustus 2025 en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van
€ 934,- en een wegingsfactor 1). Verder zijn er geen kosten die vergoed kunnen worden.
Beslissing
De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.D. Overmars, rechter, in aanwezigheid van
mr. V. Vegter, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.