ECLI:NL:RBDHA:2026:10641

ECLI:NL:RBDHA:2026:10641

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 06-05-2026
Datum publicatie 06-05-2026
Zaaknummer 09/046165-24 (ttz. gev), 09/051447-25 (ttz. gev) en 09/206647-22 (tul)
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Den Haag

Samenvatting

Veroordeling voor medeplegen van het teweegbrengen van meerdere ontploffingen, (medeplegen) van bedreigingen en verboden wapenbezit. Gevangenisstraf van 9 jaren. Gedeeltelijke toewijzing vorderingen benadeelde partijen en tenuitvoerlegging TUL.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Meervoudige kamer

Parketnummers: 09/046165-24 (ttz. gev), 09/051447-25 (ttz. gev) en 09/206647-22 (tul)

Datum uitspraak: 6 mei 2026

Tegenspraak

De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1996 te [geboorteplaats] ,

op dit moment gedetineerd in de penitentiaire inrichting [plaats 1] .

1. Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden op de terechtzittingen van 4 maart 2025, 23 mei 2025, 15 augustus 2025, 24 oktober 2025, 22 januari 2026 (allen pro forma) en 22 april 2026 (inhoudelijke behandeling).

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. M.C. Stolk en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsvrouw mr. R.G. Jagesar naar voren is gebracht.

2. De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding, die is gewijzigd op de terechtzitting van 22 april 2026. De tekst van de gewijzigde tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3. De bewijsbeslissing

Inleiding

De strafzaak tegen de verdachte is onderverdeeld in de strafrechtelijke onderzoeken Modena en Darmstadt, en is gelinkt aan andere strafrechtelijke onderzoeken.

Het onderzoek Modena is gestart op basis van informatie van het Team Criminele Inlichtingen (TCI) dat de verdachte mogelijk grootschalig in vuurwapens zou handelen. Gedurende dit onderzoek, waarbij onder meer telefoongesprekken en vertrouwelijke gesprekken in de auto van de verdachte zijn opgenomen en uitgeluisterd, is het vermoeden ontstaan dat de verdachte betrokken is geweest bij verschillende ontploffingen in België en vuurwapenhandel.

Het onderzoek Darmstadt is gestart naar aanleiding van een ontploffing bij een advocatenkantoor in Den Haag op 22 oktober 2024 en heeft verder betrekking op een ontploffing bij een woning en een vernieling van een ruit in dezelfde periode. Het vermoeden is ontstaan dat de verdachte als medepleger dan wel medeplichtige betrokken is geweest bij deze feiten. Ook wordt hem verweten dat hij zijn ex-partner heeft bedreigd.

De verdachte wordt – kort samengevat – verweten dat hij:

- als medepleger, dan wel als medeplichtige, betrokken is geweest bij vier ontploffingen bij verschillende panden in België (dagvaarding I, feit 1 tot en met 3);

- betrokken is geweest bij de handel in vuurwapens (dagvaarding I, feit 4);

- als medepleger, dan wel medeplichtige, betrokken is geweest bij twee ontploffingen en een vernieling in Den Haag (dagvaarding II, feit 1, 3 en 4);

- zijn ex-partner en haar advocaat heeft bedreigd (dagvaarding II, feit 2 en 5).

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot vrijspraak van het onder dagvaarding I, feit 1 en 2 tenlastegelegde en tot bewezenverklaring van het onder dagvaarding I feit 3 primair, feit 4 en hetgeen (primair) onder dagvaarding II ten laste is gelegd.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich met betrekking tot het verwijt dat de verdachte een gaspistool voorhanden zou hebben gehad (dagvaarding I, feit 4) gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Voor alle overige feiten op dagvaarding I en II heeft de raadsvrouw namens de verdachte vrijspraak bepleit.

Voor zover nodig zal de rechtbank hieronder ingaan op de verweren van de verdediging.

Vrijspraak feit 1, feit 2 en feit 4 (partieel) van dagvaarding I

De rechtbank is met betrekking tot de in dagvaarding I onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten van oordeel dat deze feiten niet wettig en overtuigend zijn bewezen. Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat het dossier onvoldoende wettig en overtuigend bewijs bevat dat de verdachte (mede) verantwoordelijk kan worden gehouden voor de ontploffingen in Antwerpen en Kalmthout.

De rechtbank zal de verdachte ten aanzien van het onder feit 4 ten laste gelegde vrijspreken voor zover het gaat om de handel in en overdracht van vuurwapens. Hoewel uit de afgeluisterde gesprekken kan worden afgeleid dat de verdachte met anderen sprak over vuurwapens, kan op basis van deze gesprekken en de door de politie beschreven camerabeelden niet buiten gerede twijfel worden vastgesteld dat de verdachte daadwerkelijk een vuurwapen heeft verhandeld of overgedragen in de ten laste gelegde periode.

Gebruikte bewijsmiddelen

De rechtbank heeft in bijlage 2 opgenomen de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden.

Bewijsoverwegingen

Dagvaarding I, feit 3 (de ontploffing in Sint-Niklaas)

Op basis van de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen kan worden vastgesteld dat met de telefoon van de verdachte specifieke instructies zijn verzonden met het oog op het teweegbrengen van de ontploffing in Sint-Niklaas.

Alternatief scenario

Door de verdachte is het alternatieve scenario naar voren gebracht dat iemand anders de berichten met zijn telefoon naar de uitvoerder van de ontploffing zou hebben verstuurd. Dit scenario is door de verdachte verder niet onderbouwd of concreet gemaakt. Zo heeft de verdachte niet verklaard wie uitgerekend rondom en op het moment van de ontploffing van zijn telefoon gebruik zou kunnen hebben gemaakt. Daar komt bij dat uit het procesdossier en uit de verklaring van de verdachte ter terechtzitting blijkt dat hij tot een paar uur vóór het feit nog wel over zijn telefoon beschikte en vervolgens ook de dag na het feit. Tot slot blijkt uit de telefoongegevens en de verklaring van de verdachte dat hij op de dag voorafgaande aan de ontploffing samen met de uitvoerder de huurauto heeft opgehaald die is gebruikt om van en naar de pleeglocatie te rijden. Het voorgaande leidt de rechtbank tot de conclusie dat voor het alternatieve scenario van de verdachte geen enkel aanknopingspunt in het dossier is te vinden en daarom – in het licht van de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen – als ongeloofwaardig terzijde moet worden gesteld.

Levensgevaar te duchten

Door de raadsvrouw is betoogd dat niet vastgesteld kan worden dat levensgevaar te duchten was door de ontploffing. Uit de bewijsmiddelen blijkt dat er een flinke ontploffing en brand heeft plaatsgevonden, als gevolg waarvan de bewoners van het pand, waaronder kinderen, door de brandweer zijn ontzet en dat hen zuurstof is toegediend. Naar het oordeel van de rechtbank valt hieruit af te leiden dat er levensgevaar voor personen te duchten was.

Dagvaarding II (ontploffingen, bedreigingen en vernieling in Den Haag)

Feiten en omstandigheden

De rechtbank stelt aan de hand van de in de bijlage opgenomen bewijsmiddelen het volgende vast.

Op 22, 24 en 25 oktober 2024 vindt een drietal incidenten plaats in Den Haag. Op 22 oktober vindt een ontploffing plaats bij een plaats bij een pand aan [adres 1] , op 24 oktober wordt een steen door de ruit gegooid van de woning op [adres 2] en op 25 oktober vindt een ontploffing plaats bij de woning aan [adres 3] .

In het getroffen pand aan [straatnaam 1] huist het advocatenkantoor van [benadeelde 1] . Zij is de advocaat van de ex-partner van de verdachte en behartigt haar belangen, onder meer in het kader van de omgangsregeling die ziet op de kinderen van de verdachte en zijn ex-partner. Op de adressen aan [straatnaam 2] en [straatnaam 3] wonen de moeder en vader van de ex-partner.

Op 21 oktober 2024 stuurt [benadeelde 1] aan de advocaat van de verdachte per e-mail een bericht van de ex-partner. Uit de inhoud van dit bericht volgt dat de ex-partner niet tevreden is over de wijze waarop de verdachte zich gedraagt met betrekking tot de omgangsregeling met de kinderen en dat zijn verjaardag haar in dat verband ‘gestolen kan worden.’ Dat dit bericht de verdachte heeft bereikt, blijkt uit het feit dat een screenshot van voornoemd e-mailbericht op zijn telefoon is aangetroffen. Dit screenshot is een dag later op zijn telefoon aangemaakt (op 22 oktober 2024, om 14.28 uur). In de afbeeldingen van zijn telefoon wordt tevens een screenshot van de contactgegevens van [benadeelde 1] aangetroffen. Vlak daarvóór (om 14.26 uur) is op de telefoon van de verdachte meerdere keren op internet gezocht naar [benadeelde 1] (onder meer via zoektermen als “ [benadeelde 1] advocatenkantoor”).

In de avond vindt de ontploffing plaats bij het advocatenkantoor. Uit gegevens van de telefoon van de verdachte blijkt dat hij vlak daarna een video ontvangt van de persoon die is aangemerkt als de dader van de ontploffing ( [naam 1] ). Op deze video is het voorval te zien. Deze betreffende video ontvangt de veerdachte via Snapchat in een berichtenwisseling met de dader. Uit deze gegevens kan verder worden afgeleid dat de verdachte ten tijde van het ontvangen van deze video reeds 537 eerdere berichten met hem had gewisseld.

Op 24 oktober 2024 wordt rond 23.30 uur een steen door een ruit van de woning op [straatnaam 2] gegooid. Ook lijkt de dader iets in de brand te willen steken met een aansteker. Een video van dit voorval is op de telefoon van de verdachte aangetroffen. Ook deze video is door de verdachte vlak na het voorval ontvangen via Snapchat, in dezelfde Snapchat-berichtenwisseling als eerder genoemd. Inmiddels zijn er op dat moment 862 berichten door de verdachte gewisseld met [naam 1] .

Op 25 oktober 2024 vindt de ontploffing plaats bij de woning aan de [straatnaam 3] . Uit politie-onderzoek blijkt dat [naam 1] ook in dit geval kan worden aangemerkt als dader. In een afgeluisterd gesprek zegt de verdachte tegen zijn ex-partner, wanneer zij hem confronteert met deze gebeurtenis, dat zij hem dan maar zijn kinderen moet laten zien.

Op 2 januari 2025 ontvangt de ex-partner telefonisch een bericht waarin onder meer staat dat zij moet zorgen dat de verzender zijn kinderen kan zien en dat zij op dit moment zijn grootste vijand is. Daarbij wordt door de verzender geschreven dat wat er tot nu toe is gebeurd, nog kinderspel is. De verzender schrijft verder dat hij alleen de kinderen wil zien en dat hij wordt tegengewerkt door haar ‘totdat iemand gaat slapen voor deze geintjes.’ Ook staat in het bericht dat haar moeder en vader er nu buiten worden gelaten, maar dat onder meer haar vriend alles is waar de verzender zich nu op gaat ‘focussen.’ Uit onderzoek blijkt dat de telefoon waarmee dit bericht is verzonden gebruikmaakte van twee basisstations, die beide de penitentiaire inrichting [plaats 2] binnen hun bereik hebben. Dit was de inrichting waar de verdachte ten tijde van het feit was gedetineerd.

Samenhang

De voorgaande feiten en omstandigheden dienen naar het oordeel van de rechtbank in samenhang te worden bezien. De feiten zijn allemaal gericht tegen de ex-partner van de verdachte, tevens de moeder van de kinderen van de verdachte, of tegen een connectie van haar zijnde haar advocaat, haar moeder of haar vader. De feiten hebben ook allemaal kort na elkaar plaatsgevonden en kort nadat de verdachte te horen had gekregen dat hij zijn kinderen niet mocht zien. Dat betekent volgens de rechtbank dat de bewijsmiddelen voor deze feiten ook bewijswaarde hebben ten opzichte van elkaar.

Tussenconclusie

De rechtbank is van oordeel dat de hiervoor genoemde belastende feiten en omstandigheden in onderling verband en samenhang bezien redengevend zijn voor het bewijs van de betrokkenheid bij de verdachte bij de tenlastegelegde feiten.

Alternatieve lezingen door de verdachte

De verdachte heeft alle betrokkenheid ontkent. In de kern komt de lezing van de verdachte erop neer dat hij erin is geluisd door personen die een conflict met hem hebben. Deze personen zouden ook verantwoordelijk zijn voor de vernieling van de ruit van de woning aan [straatnaam 2] en de ontploffing bij de woning aan de [straatnaam 3] . De berichten naar zijn ex-partner zouden om dezelfde reden door iemand anders zijn gestuurd die (kennelijk) van zijn situatie afwist.

De rechtbank stelt vast dat de verdachte meerdere keren de gelegenheid heeft gekregen om zijn verhaal te doen en daarmee te onderbouwen met wie hij een conflict heeft om zo concreet te kunnen maken waarom aan zijn alternatieve lezingen geloof moet worden gehecht. Hij is immers meerdere keren verhoord door de politie en hij is verhoord door de rechter-commissaris. Op de zitting heeft de verdachte wederom deze mogelijkheid ruimschoots gekregen.

De rechtbank constateert dat de verdachte echter op geen enkel moment aanknopingspunten naar voren heeft gebracht die wijzen op een begin van een aannemelijkheid van zijn alternatieve lezingen. Zo heeft de verdachte geen namen willen noemen van de personen die het op hem zouden hebben gemunt. Evenmin heeft hij enig verifieerbaar gegeven genoemd waaruit blijkt dat er daadwerkelijk een zodanig hoogoplopend conflict speelde tussen hem en anderen, dat het plegen van ernstige strafbare feiten door die anderen jegens hem niet werd geschuwd.

De verdachte heeft bovendien verklaard dat hij de dader van de ontploffingen en vernieling niet of nauwelijks kent, terwijl dit wordt weersproken door bevindingen van de politie waaruit blijkt dat hij in de tenlastegelegde periode vele berichten met hem heeft gewisseld, waaronder de ontvangst van een video van één van de ontploffingen en een video van de vernieling van de ruit. De rechtbank betrekt hierbij het algemene gegeven dat in dit soort zaken vaker video’s van dergelijke gebeurtenissen nadien door daders als ‘bewijs van uitvoering’ naar een opdrachtgever of tussenpersoon worden verzonden. Ook de verklaring van de verdachte dat hij de betreffende video’s heeft ontvangen via een Telegram-link, vindt geen enkele steun in het dossier.

Alles afwegende komt de rechtbank tot de slotsom dat de verklaringen van de verdachte, noch het dossier enig aanknopingspunt biedt dat voldoende steun biedt aan de alternatieve lezingen van de verdachte. De rechtbank zal deze dan ook als ongeloofwaardig terzijde stellen. Zij komt om die reden tevens tot de conclusie dat de verdachte geen aannemelijke verklaring heeft gegeven die de redengevendheid van het bewijs ontzenuwt, terwijl dat van hem – in het licht van de hiervoor genoemde belastende feiten en omstandigheden – wel van hem mocht worden verlangd.

Daderschap: Medeplegen of medeplichtigheid

Aan de verdachte is bij feit 1, 2, 3 en 4 primair medeplegen en subsidiair medeplichtigheid tenlastegelegd. De rechtbank stelt voorop dat de betrokkenheid aan een strafbaar feit als medeplegen kan worden bewezenverklaard wanneer is komen vast te staan dat bij het begaan daarvan sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking.

Ook wanneer het tenlastegelegde medeplegen in de kern niet bestaat uit een gezamenlijke uitvoering tijdens het begaan van het strafbare feit, maar uit gedragingen die doorgaans met medeplichtigheid in verband plegen te worden gebracht (zoals het verstrekken van inlichtingen, op de uitkijk staan, helpen bij de vlucht), kan sprake zijn van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking. De materiële en/of intellectuele bijdrage van de verdachte aan het strafbare feit zal dan van voldoende gewicht moeten zijn.

Bij de beoordeling of daaraan is voldaan, kan rekening worden gehouden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip.

De rechtbank is op grond van de door haar gebruikte bewijsmiddelen van oordeel dat de voor medeplegen vereiste voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en de medeverdachte(n) is komen vast te staan. Hoewel geen sprake is van een gezamenlijke uitvoering, is de bijdrage van verdachte aan het tenlastegelegde naar het oordeel van de rechtbank van zodanig gewicht dat deze kan worden aangemerkt als medeplegen. Uit de bewijsmiddelen leidt de rechtbank af dat de rol van de verdachte in dit geheel als initiërend van aard moet worden gezien. Daarmee acht de rechtbank het tenlastegelegde medeplegen voor alle vier de feiten bewezen.

Levensgevaar te duchten

Door de raadsvrouw is bepleit dat met betrekking tot feit 1 en feit 4 geen levensgevaar te duchten is geweest. Uit de bewijsmiddelen blijkt echter dat bij de ontploffing aan [straatnaam 1] (feit 1) één van de aldaar werkzame advocaten (mr. [benadeelde 2] ) in het pand op de eerste etage aanwezig was ten tijde van de ontploffing. Ook is in het gebouw een gezin woonachtig. Uit het procesdossier is op te maken dat de steekvlam door de ontploffing is ontstaan erg groot was en tot het balkon op de eerste etage kwam. Hieruit leidt de rechtbank af dat ter zake van feit 1 levensgevaar te duchten was. Met betrekking tot feit 4 is de rechtbank met de raadsvrouw van mening dat geen levensgevaar te duchten was, omdat er op het moment van de ontploffing niemand in de woning aanwezig was. Ook kan uit het dossier niet worden afgeleid dat er voor iemand anders levensgevaar te duchten was.

Bedreigingen

Anders dan de raadsvrouw, is de rechtbank van oordeel dat de gedragingen (de verzending van het bericht naar de ex-partner en het teweegbrengen van een ontploffing bij het kantoor van haar advocaat), onder de gegeven omstandigheden, bedreigingen met enig misdrijf tegen het leven gericht en zware mishandeling opleveren. De rechtbank wijst in dit verband op de inhoud van de verklaringen van de ex-partner en haar advocaat, alsmede de feiten en omstandigheden waaronder de gedragingen zich hebben voorgedaan. Dat de bedreiging jegens de ex-partner is geschied onder een strafverzwarende omstandigheid (schriftelijk en onder een bepaalde voorwaarde), leidt de rechtbank af uit het begin van het bericht (“zorg dat ik mijn kinderen kan zien”) in samenhang bezien met de rest van de inhoud van het bericht.

Vormverzuimen

Het verweer van de raadsvrouw met betrekking tot vormverzuimen vanwege het ontbreken van (tijdige) machtigingen van de rechter-commissaris, behoeft geen nadere bespreking nu de opgenomen vertrouwelijke communicatie van de verdachte in de door de raadsvrouw aangehaalde periodes niet voor het bewijs wordt gebruikt.

De bewezenverklaring

De rechtbank is met betrekking tot de onder dagvaarding I feit 3 primair, feit 4 en dagvaarding II feit 1 primair, feit 2 primair, feit 3 primair, feit 4 primair en feit 5 ten laste gelegde feiten van oordeel dat deze feiten wettig en overtuigend zijn bewezen.

De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:

Dagvaarding I

3

hij op 1 februari 2024 te Sint-Niklaas (België) en/of in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, opzettelijk een ontploffing teweeg heeft gebracht, tegen een pand gevestigd aan de [adres 4] , door een vuurwerkbom aan te steken en tot ontbranding te brengen, in elk geval met open vuur in aanraking te brengen, ten gevolge waarvan dat pand gedeeltelijk is verbrand, in elk geval brand en een ontploffing is ontstaan, en daarvan

- gemeen gevaar voor het voornoemde pand in elk geval gemeen gevaar voor goederen, en

- levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor bewoners in het voornoemde pand te duchten was;

4

hij omstreeks 31 december 2023 te ’s-Gravenhage in ieder geval in Nederland,

- één vuurwapen van categorie III voorhanden heeft gehad;

Dagvaarding II

1

(Ontploffing advocatenkantoor Laan van Meerdervoort)

hij op 22 oktober 2024 te 's-Gravenhage, in ieder geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen opzettelijk een ontploffing teweeg heeft gebracht aan een pand, gevestigd aan [adres 1] , door een vuurwerkbom aan te steken en tot ontbranding te brengen, in elk geval met open vuur in aanraking te brengen, ten gevolge waarvan een ontploffing en brand is ontstaan en voorgenoemd pand gedeeltelijk is verbrand, en daarvan

- gemeen gevaar voor het voornoemde pand, in elk geval gemeen gevaar voor goederen, en

- levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor bewoners en aldaar

te duchten was;

2

(Bedreiging advocaat [benadeelde 1] )

hij op 22 oktober 2024 te ’s-Gravenhage, in ieder geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, [benadeelde 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en met zware mishandeling, door tegen een pand aan [adres 1] , waar het advocatenkantoor van die [benadeelde 1] was gevestigd, een vuurwerkbom aan te steken en tot ontbranding te brengen, in elk geval met open vuur in aanraking te brengen, ten gevolge waarvan een ontploffing en brand is ontstaan en voorgenoemd pand gedeeltelijk is verbrand;

3

(Vernieling Honthorststraat)

hij op 24 oktober 2024 te ’s-Gravenhage, in ieder geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, opzettelijk en wederrechtelijk een ruit van een woning, gelegen aan [adres 2] , die geheel of ten dele aan [benadeelde 3] , in elk geval aan een ander toebehoorde heeft vernield, door een baksteen door de ruit van die woning te gooien;

4

(Ontploffing [straatnaam 3] )

hij op [geboortedatum] 2024 te 's-Gravenhage, in ieder geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, opzettelijk een ontploffing teweeg heeft gebracht, tegen een pand, gevestigd aan [adres 3] , door een vuurwerkbom aan te steken en tot ontbranding te brengen, in elk geval met open vuur in aanraking te brengen, ten gevolge waarvan een ontploffing en brand is ontstaan en voorgenoemd pand gedeeltelijk is verbrand, en daarvan

- gemeen gevaar voor het voornoemde pand, in elk geval gemeen gevaar voor goederen, te duchten was;

5

(Bedreiging [benadeelde 4] )

hij op 2 januari 2025 te ’s-Gravenhage, in ieder geval in Nederland,

[benadeelde 4] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en met zware mishandeling, door (vanuit de P.I. [plaats 3] , locatie [plaats 2] ) met een mobiele telefoon een bericht te sturen naar die [benadeelde 4] , met daarin onder meer de volgende teksten:

- “ dese dingen had ik nooit verwacht maarja eens een waardeloze wijf blijft waardeloos ook jij bent op dit moment mij grootste vijand en wat tot nu is gebeurt is nog kinderspel wat ik doe met jullie”, en

- “ ik wil alleen die kinderen zien wij als gezin kunnen tog nooit herstellen of iets positiefs beginnen want daar zorg jij alleen maar voor heletijd tegenwerken tot dat iemand gaat slapen voor dese geintjes wat ik al 2jaar meemaak”, en

- “ de kinderen komen ooit vanzelf wel tot die tijd gaat iedereen die me heeft gestoken in me rug zwaar boete je vader en moeder zal ik nu erbuiten laten jij en je kk zwerver vriendje en die kk bolle en ze vrouw jullie zijn alles op wat ik ga focussen dalijk heb schijt aan hun kinderen ook let op wat ik zeg jullie moeten afleren om kk achterbaks te liegen en die shit dingen verbergen voor saus haha daardoor heb je altijd chaos gekregen nu gaan we stapjes verder”, en

- “ nu ga ik misschien ff moeten boete maar de boete die jullie gaan moeten lakken straks gaat heel lastig voor jullie worden op mijn moeders graf je weet inmiddels ik zweer niet zomaar he”, en

- “ beloof je let op voor al deze geintjes van jullie gaat duur worden geef me kinderen een kus van papa als ze nog weten wie hun vader is tenminste zeg je kk vriendje en de bolle hoereneef van me niet schijten in je broek dalijk”,

terwijl deze bedreiging schriftelijk en onder bepaalde voorwaarden is geschied.

4. De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

5. De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6. De strafoplegging

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 13,5 jaar, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, en tot oplegging van een gedragsbeïnvloedende of vrijheidsbeperkende maatregel.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft de rechtbank verzocht bij het bepalen van de strafmaat rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, de lange duur van de voorlopige hechtenis en de omstandigheid dat er geen fysiek letsel is ontstaan door de feiten.

Het oordeel van de rechtbank

Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.

Ernst van de feiten

De verdachte is als medepleger betrokken geweest bij drie zeer ernstige ontploffingen en een vernieling. De verdachte heeft daarbij als initiator een essentiële en onmisbare rol gehad. De uitvoerder(s) hebben op verschillende dagen laat op de avond of midden in de nacht een ontploffing veroorzaakt. Twee van deze ontploffingen waren bij woonhuizen, en één vond plaats bij een advocatenkantoor. Bij twee van de ontploffingen waren personen, waaronder kinderen, aanwezig. Dat de aanwezigen in voornoemde panden er zonder lichamelijk letsel vanaf zijn gekomen is een omstandigheid die waarschijnlijk niet aan het handelen van de verdachte is te danken. Dat de aanwezigen geen lichamelijk letsel aan de feiten hebben overgehouden, laat onverlet dat de feiten zeer beangstigend voor hen zijn geweest en een grote impact op hen heeft (gehad). Door de ontploffingen is daarnaast materiële schade ontstaan.

Ontploffingen zijn uiterst bedreigend. In het algemeen leiden dit soort ontploffingen tot onrust en gevoelens van angst en onveiligheid in de maatschappij. Veelal heeft het teweegbrengen van een ontploffing tot doel personen te intimideren. De verdachte heeft dit kennelijk ook als doel gehad of heeft zich daar niet om bekommerd. De rechtbank rekent dat de verdachte ernstig aan.

Strafverzwarend weegt de rechtbank mee dat de verdachte verantwoordelijk kan worden gehouden voor de ontploffing die plaatsvond bij een advocatenkantoor en daarmee ook de bedreiging van een daar werkzame advocaat. Advocaten doen hun werk door belangen te behartigen en zouden niet om die reden betrokken moeten worden bij welk conflict dan ook. Het is van groot belang dat advocaten, die een belangrijke bijdrage leveren aan de vormgeving en instandhouding van onze rechtstaat, zich vrij en veilig voelen om hun taak naar behoren te vervullen. De verdachte heeft hier inbreuk op gemaakt met zijn handelen, wat hem ten zeerste kwalijk kan worden genomen.

De hiervoor genoemde feiten lijkt de verdachte te hebben gepleegd uit onvrede over de opstelling van de ex-partner met betrekking tot zijn contact met hun kinderen. De verdachte heeft zich in dat verband, ondanks dat hij inmiddels was gedetineerd, ook schuldig gemaakt aan bedreiging van zijn ex-partner. Door het handelen van de verdachte heeft hij daarmee de gevoelens van angst bij het slachtoffer veroorzaakt en verergerd. Uit haar schriftelijke slachtoffer verklaring wordt dit ook ten zeerste duidelijk. Ook dit rekent de rechtbank de verdachte aan.

Tevens heeft de verdachte een vuurwapen voorhanden gehad en daarmee in de lucht geschoten. Het voorhanden hebben en houden van vuurwapens brengt de veiligheid van mensen in gevaar en versterkt de gevoelens van onveiligheid in de samenleving, niet zelden worden met dergelijke wapens levensdelicten gepleegd.

Strafblad

De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 7 april 2026. In het nadeel van de verdachte weegt de rechtbank mee dat hij al eerder is veroordeeld voor overtreding van de Wet Wapens en Munitie en bedreiging.

Persoon van de verdachte

Over de persoon van de verdachte is een Pro Justitia rapport d.d. 26 november 2025 opgemaakt. Door de deskundigen is de verdachte gediagnosticeerd met een antisociale persoonlijkheidsstoornis met narcistische trekken. Deze stoornis vormt weliswaar een verklaring voor zijn gedrag, maar leidt volgens de deskundigen niet tot een verminderde mate van toerekening. Het recidiverisico wordt ingeschat als hoog.

De rechtbank heeft tevens kennisgenomen van een reclasseringsadvies over de verdachte van 30 maart 2026, waaruit volgt dat sprake is van problematiek op meerdere leefgebieden, zoals dagbesteding, huisvesting, relatie familie en gezin, sociaal netwerk en psychosociaal functioneren. De reclassering stelt dat sprake is van een hoog recidiverisico, gezien het delictverleden en de bij de verdachte vastgestelde stoornis. De reclassering adviseert bij veroordeling van de verdachte hem op te leggen een straf zonder bijzondere voorwaarden.

Strafmaat

De rechtbank heeft bij de bepaling van de strafmodaliteit en strafmaat aansluiting gezocht bij de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting die zien op het plegen van een plofkraak met levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel. Daarin is als uitgangspunt voor het teweegbrengen van één ontploffing een gevangenisstraf van drie jaar vermeld. Daarnaast heeft de rechtbank gekeken naar wat doorgaans in vergelijkbare gevallen wordt opgelegd.

Gelet op wat hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden volstaan met een lichtere of andere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming van na te melden duur met zich brengt.

De rechtbank acht, alles afwegende, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van negen jaren passend en geboden. Voor oplegging van een voorwaardelijk strafdeel ziet de rechtbank geen aanleiding.

Deze straf is lager dan door de officier van justitie is geëist, gelet op wat doorgaans voor dit soort feiten wordt opgelegd en de (partiële) vrijspraak ten aanzien van het handelen in vuurwapens.

Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.

Maatregel tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking

Aan de wettelijke vereisten voor de oplegging van een maatregel tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking als bedoeld in artikel 38z lid 1 Wetboek van Strafrecht (Sr) is voldaan. De verdachte heeft zich immers schuldig gemaakt aan het medeplegen van het opzettelijk teweegbrengen van een ontploffing, terwijl daarvan levensgevaar/gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is. Dit is een misdrijf dat gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. Aan de verdachte wordt voor onder meer dit strafbare feit bovendien een onvoorwaardelijke gevangenisstraf opgelegd. Naar het oordeel van de rechtbank is de oplegging van de maatregel in het belang van de bescherming van de veiligheid van anderen/de algemene veiligheid van personen of goederen. De rechtbank heeft daarbij gelet op de omstandigheden waaronder de feiten zijn gepleegd en het advies van de reclassering. De rechtbank zal daarom de maatregel opleggen.

7. De vordering van de benadeelde partij/de schadevergoedingsmaatregel

[benadeelde 5] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 2.050, en te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit immateriële schade.

[benadeelde 6] heeft een verzoek tot schadevergoeding ingediend, maar geen concrete bedragen aan materiële of immateriële schade gevorderd.

[benadeelde 1] , bijgestaan door [naam 2] , heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 43.828,94, en te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit € 33.828,94 aan materiële schade en € 10.000 aan immateriële schade.

[benadeelde 2] , bijgestaan door [naam 2] , heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 48.171,17, en te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit € 38.171,17 aan materiële schade en € 10.000 aan immateriële schade.

[benadeelde 3] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 7.391,95, en te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit € 6.991,95 aan materiële schade en € 400 aan immateriële schade.

[benadeelde 4] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 10.000, en te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit immateriële schade.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft ten aanzien van de vorderingen van [benadeelde 5] en [benadeelde 6] geconcludeerd tot niet-ontvankelijk verklaring van de benadeelde partijen. Ten aanzien van de vorderingen van [benadeelde 1] , [benadeelde 2] en [benadeelde 4] heeft de officier van justitie geconcludeerd tot hoofdelijke toewijzing van de vorderingen van de benadeelde partijen met toewijzing van de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Tenslotte heeft de officier van justitie ten aanzien van de vordering van [benadeelde 3] geconcludeerd tot een gedeeltelijke hoofdelijke toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, tot een bedrag van € 400, met toewijzing van de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en tot niet-ontvankelijk verklaring van de benadeelde partij voor het overige.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft de rechtbank verzocht om alle vorderingen tot schadevergoeding niet-ontvankelijk te verklaren vanwege de verzochte vrijspraken, dan wel subsidiair vanwege een onevenredige belasting van het geding deze niet-ontvankelijk te verklaren.

Ten aanzien van de vordering van [benadeelde 5] heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat deze vordering onvoldoende is onderbouwd en daarom niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. [benadeelde 6] heeft in het verzoek reeds vergoede schade opgenomen, welke volgens de verdediging niet nogmaals kan worden gevorderd in het strafgeding.

Met betrekking tot de vordering van [benadeelde 1] worden de posten omtrent de herstelschade van een deurbel en raamfolie niet betwist. De gederfde inkomsten en nader gederfde inkomsten die zowel voor [benadeelde 1] als [benadeelde 2] zijn gevorderd worden wel betwist, omdat deze onvoldoende zijn onderbouwd. De vorderingen zouden een onevenredige belasting van het geding opleveren en de benadeelde partijen dienen volgens de verdediging voor dit deel niet-ontvankelijk te worden verklaard. Met betrekking tot de immateriële schade die deze benadeelde partijen hebben gevorderd, heeft de verdediging verzocht om het bedrag te matigen tot het bedrag waarvoor medeverdachte [naam 1] is veroordeeld. Ten aanzien van de vordering van [benadeelde 2] wordt het rechtstreeks verband tot een eventuele bewezenverklaring betwist in het kader van het gevorderde schadebedrag voor een beveiligingscamera.

Voor de door [benadeelde 4] gevorderde immateriële schade betwist de verdediging het causale verband. Tenslotte heeft de verdediging verzocht om de gehele vordering van [benadeelde 3] af te wijzen omdat deze onvoldoende is onderbouwd en niet duidelijk is geworden hoe de schade in rechtstreeks verband staat tot een eventuele bewezenverklaring.

Het oordeel van de rechtbank

[benadeelde 5]

De rechtbank zal, de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering, aangezien de verdachte van het feit waarop de vordering betrekking heeft, zal worden vrijgesproken.

Proceskostenveroordeling benadeelde partij

Dit brengt mee dat de benadeelde partij moet worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met zijn verdediging tegen die vordering heeft moeten maken. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil.

[benadeelde 6]

Uit het ingediende formulier ‘verzoek tot schadevergoeding’ kan de rechtbank geen vordering tot een vergoeding van een concreet schadebedrag opmaken. De rechtbank houdt het er daarom voor dat geen verzoek tot schadevergoeding is ingediend, waarop zij dient te beslissen.

[benadeelde 1]

Op grond van het dossier kan niet worden vastgesteld dat het aanschaffen van raamfolie in een rechtstreeks verband staat tot het bewezenverklaarde feit. In het algemeen geldt dat kosten voor beveiliging in verband met toekomstige gebeurtenissen niet kunnen worden aangemerkt als materiële schade die het gevolg is van een eerdere gebeurtenis. Het is begrijpelijk dat de benadeelde partij raamfolie wilde kopen om zich veilig te voelen en voor eventueel in de toekomst te plegen feiten, maar dit kan de rechtbank niet aanmerken als rechtstreekse schade in de zin van artikel 6:96 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek. De rechtbank zal, voor zover de vordering betrekking heeft op de post ‘Raamfolie’, de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering.

De rechtbank zal, voor zover de vordering betrekking heeft op de posten ‘Gederfde inkomsten ruim 2 weken geen inkomsten’ en ‘Nader gederfde inkomsten’, de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering. Dit deel van de vordering is namens de verdachte (gemotiveerd) betwist en namens de benadeelde partij onvoldoende onderbouwd. De benadeelde partij de gelegenheid geven voor een nadere onderbouwing van dit deel van de vordering zou een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

De vordering, voor zover deze betrekking heeft op de post ‘Deurbel’, is namens de verdachte niet betwist en namens de benadeelde partij voldoende onderbouwd. Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan dan ook worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het onder dagvaarding II, feit 1 primair bewezenverklaarde feit, ter grootte van het gevorderde bedrag.

Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks immateriële schade heeft geleden door de onder dagvaarding II, feit 1 primair en feit 2 primair bewezenverklaarde feiten. De aanslag heeft plaatsgevonden bij het advocatenkantoor van [benadeelde 1] en bleek gericht op [benadeelde 1] , vanwege haar bijstand aan de ex-partner van verdachte. Deze aanslag was voor [benadeelde 1] zeer bedreigend, helemaal gelet op haar publieke taak als advocaat. De rechtbank stelt dan ook vast dat [benadeelde 1] in haar persoon is aangetast. Gelet op wat namens de benadeelde partij ter toelichting op haar vordering is aangevoerd, zal de rechtbank de geleden immateriële schade naar billijkheid vaststellen ter hoogte van een bedrag van € 5.000. De rechtbank zal de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk verklaren in de vordering tot immateriële schade.

De rechtbank zal - gelet op het voorgaande - de vordering toewijzen tot een bedrag van € 5.014,04, bestaande uit € 14,04 aan materiële schade en € 5.000 aan immateriële schade.

Wettelijke rente

De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 22 oktober 2024, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan.

Proceskostenveroordeling verdachte

Nu de vordering gedeeltelijk wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Hoofdelijkheid

Omdat de verdachte het strafbare feit ter zake waarvan schadevergoeding zal worden toegekend samen met mededaders heeft gepleegd, zijn zij daarvoor ieder hoofdelijk aansprakelijk. Hetzelfde geldt voor de toegewezen proceskosten. Daarbij geldt dat de verdachte, voor zover een van de mededaders een bedrag aan de benadeelde partij heeft betaald, dat deel van de schadevergoeding en/of proceskosten niet meer aan de benadeelde partij hoeft te betalen.

Schadevergoedingsmaatregel

De verdachte zal voor de onder dagvaarding II, feit 1 primair en feit 2 primair bewezenverklaarde strafbare feiten worden veroordeeld en hij is daarom tegenover de benadeelde partij aansprakelijk voor schade die door deze feiten aan haar is toegebracht. De rechtbank zal aan de verdachte hoofdelijk de verplichting opleggen om aan de Staat te betalen een bedrag van € 5.014,04, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 22 oktober 2024 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald; ten behoeve van [benadeelde 1] .

[benadeelde 2]

Op grond van het dossier kan niet worden vastgesteld dat het aanschaffen van beveiligingscamera’s in een rechtstreeks verband staat tot het bewezenverklaarde feit. In het algemeen geldt dat kosten voor beveiliging in verband met toekomstige gebeurtenissen niet kunnen worden aangemerkt als materiële schade die het gevolg is van een eerdere gebeurtenis. Het is begrijpelijk dat de benadeelde partij beveiligingscamera’ wilde kopen om zich veilig te voelen en voor eventueel in de toekomst te plegen feiten, maar dit kan de rechtbank niet aanmerken als rechtstreekse schade in de zin van artikel 6:96 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek. De rechtbank zal, voor zover de vordering betrekking heeft op de post ‘Beveiligingscamera’s’, de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering, aangezien aan de benadeelde partij niet rechtstreeks schade is toegebracht door het bewezenverklaarde feit.

De rechtbank zal, voor zover de vordering betrekking heeft op de posten ‘Gederfde inkomsten ruim 2 weken geen inkomsten’ en ‘Nader gederfde inkomsten’, de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering. Dit deel van de vordering is namens de verdachte (gemotiveerd) betwist en namens de benadeelde partij onvoldoende onderbouwd. De benadeelde partij de gelegenheid geven voor een nadere onderbouwing van dit deel van de vordering zou een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks immateriële schade heeft geleden door het onder dagvaarding II feit 1 primair bewezenverklaarde feit. De aanslag heeft plaatsgevonden bij het advocatenkantoor van onder anderen [benadeelde 2] , terwijl hij daar nog aan het werk was. Deze aanslag was voor [benadeelde 2] zeer bedreigend, helemaal gelet op zijn publieke taak als advocaat. Gelet op wat namens de benadeelde partij ter toelichting op zijn vordering is aangevoerd, zal de rechtbank de geleden immateriële schade naar billijkheid vaststellen op een bedrag van € 5.000. De rechtbank zal de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk verklaren in de vordering tot immateriële schade.

De rechtbank zal - gelet op het voorgaande - de vordering toewijzen tot een bedrag van € 5.000, bestaande uit immateriële schade.

Wettelijke rente

De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 22 oktober 2024, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan.

Proceskostenveroordeling verdachte

Nu de vordering gedeeltelijk wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Hoofdelijkheid

Omdat de verdachte het strafbare feit ter zake waarvan schadevergoeding zal worden toegekend samen met mededaders heeft gepleegd, zijn zij daarvoor ieder hoofdelijk aansprakelijk. Hetzelfde geldt voor de toegewezen proceskosten. Daarbij geldt dat de verdachte, voor zover een van de mededaders een bedrag aan de benadeelde partij heeft betaald, dat deel van de schadevergoeding en/of proceskosten niet meer aan de benadeelde partij hoeft te betalen.

Schadevergoedingsmaatregel

De verdachte zal voor het onder dagvaarding II feit 1 primair bewezenverklaarde strafbare feit worden veroordeeld en hij is daarom tegenover de benadeelde partij aansprakelijk voor schade die door dit feit aan hem is toegebracht. De rechtbank zal aan de verdachte hoofdelijk de verplichting opleggen om aan de Staat te betalen een bedrag van € 5.000, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 22 oktober 2024 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald; ten behoeve van [benadeelde 2] .

[benadeelde 4]

Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks immateriële schade heeft geleden door het onder dagvaarding II feit 5 bewezenverklaarde feit. Gelet op wat namens de benadeelde partij ter toelichting op haar vordering is aangevoerd, zal de rechtbank de geleden immateriële schade naar billijkheid vaststellen op een bedrag van € 6.000. De rechtbank betrekt hier ook bij dat dit feit is gepleegd tegen de achtergrond van de andere bewezenverklaarde feiten onder dagvaarding II, waarbij het intimideren van de benadeelde partij kennelijk het doel was. De rechtbank zal de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk verklaren in de vordering tot immateriële schade.

De rechtbank zal - gelet op het voorgaande - de vordering toewijzen tot een bedrag van € 6.000, bestaande uit immateriële schade.

Wettelijke rente

De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 2 januari 2025, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan.

Proceskostenveroordeling verdachte

Nu de vordering gedeeltelijk wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Schadevergoedingsmaatregel

De verdachte zal voor het onder dagvaarding II feit 5 bewezenverklaarde strafbare feit worden veroordeeld en hij is daarom tegenover de benadeelde partij aansprakelijk voor schade die door dit feit aan haar is toegebracht. De rechtbank zal aan de verdachte de verplichting opleggen om aan de Staat te betalen een bedrag van € 6.000, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 2 januari 2025 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald; ten behoeve van [benadeelde 4] .

[benadeelde 3]

De rechtbank zal, voor zover de vordering betrekking heeft op de posten ‘Rolluiken’, ‘Camera’s’ en immateriële schade, de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering. Dit deel van de vordering is namens de verdachte (gemotiveerd) betwist en namens de benadeelde partij onvoldoende onderbouwd. De benadeelde partij de gelegenheid geven voor een nadere onderbouwing van dit deel van de vordering zou een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Proceskostenveroordeling benadeelde partij

Dit brengt mee dat de benadeelde partij moet worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met zijn verdediging tegen die vordering heeft moeten maken. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil.

8. De inbeslaggenomen voorwerpen

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft voorts gevorderd dat het op de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen (beslaglijst, die als bijlage 3 aan dit vonnis is gehecht) onder 1 genoemde voorwerp zal worden verbeurdverklaard.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich met betrekking tot het in beslaggenomen voorwerp gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank zal het op de beslaglijst onder 1 genoemde voorwerp, te weten 1 stk telefoontoestel, verbeurdverklaren. Dit voorwerp is voor verbeurdverklaring vatbaar, aangezien dit voorwerp aan verdachte toebehoort en met betrekking tot dit voorwerp de bewezenverklaarde feiten zijn begaan.

9. De vordering tot tenuitvoerlegging

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft bij vordering van 10 april 2025 gevorderd dat de bij parketnummer 09/206647-22 door de politierechter van de rechtbank Den Haag op 30 november 2022 voorwaardelijke opgelegde gevangenisstraf van twee weken, ten uitvoer wordt gelegd wegens niet naleven van de algemene voorwaarden.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft ter zitting verzocht de vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde straf af te wijzen.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank ziet aanleiding voor toewijzing van de vordering van de officier van justitie van 10 april 2025 tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf van twee weken, waartoe verdachte werd veroordeeld bij onherroepelijk geworden vonnis van de politierechter in deze rechtbank d.d. 30 november 2022, nu uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat verdachte een van de algemene voorwaarden niet heeft nageleefd, doordat deze zich voor het einde van de proeftijd die bij voormeld vonnis was opgelegd, wederom heeft schuldig gemaakt aan strafbare feiten.

10. De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf en maatregelen zijn gegrond op de artikelen:

33, 33a, 36f, 38z, 47, 55, 57, 63, 157, 285, 350 van het Wetboek van Strafrecht;

26, 55 van de Wet wapens en munitie.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.

11. De beslissing

De rechtbank:

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder dagvaarding I, feit 1 en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de onder dagvaarding I, feit 3 primair en feit 4 en dagvaarding II, feit 1 primair, feit 2 primair, feit 3 primair, feit 4 primair en feit 5 ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven onder 3.7 bewezen is verklaard;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:

Dagvaarding I

ten aanzien van feit 3, primair:

medeplegen van opzettelijk een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan levensgevaar, gevaar voor zwaar lichamelijk letsel en gemeen gevaar voor goederen te duchten is;

ten aanzien van feit 4:

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie;

Dagvaarding II

ten aanzien van feit 1, primair en feit 2, primair:

eendaadse samenloop van:

medeplegen van opzettelijk een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan levensgevaar, gevaar voor zwaar lichamelijk letsel en gemeen gevaar voor goederen te duchten is

en

medeplegen van bedreiging met de dood en met zware mishandeling;

ten aanzien van feit 3, primair:

medeplegen van opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen;

ten aanzien van feit 4, primair:

medeplegen van opzettelijk een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is;

ten aanzien van feit 5:

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en met zware mishandeling, terwijl deze bedreiging schriftelijk en onder een bepaalde voorwaarde geschiedt;

verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 9 (NEGEN) JAREN;

bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

legt aan de verdachte op de maatregel tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking;

de vorderingen van de benadeelde partijen

bepaalt dat de benadeelde partijen [benadeelde 5] en [benadeelde 3] niet-ontvankelijk zijn in de vorderingen tot schadevergoeding;

veroordeelt deze benadeelde partijen in de kosten door de verdachte ter verdediging tegen de vorderingen gemaakt, tot op heden begroot op nihil;

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partijen [benadeelde 1] en [benadeelde 2] deels toe en veroordeelt de verdachte hoofdelijk om te betalen:

een bedrag van € 5.014,04 aan [benadeelde 1], vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 22 oktober 2024 tot de dag waarop deze vordering is betaald;

een bedrag van € 5.000 aan [benadeelde 2], vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 22 oktober 2024 tot de dag waarop deze vordering is betaald;

bepaalt dat als een van de mededader(s) de toegewezen schadevergoeding deels of geheel aan de benadeelde partij heeft betaald de verdachte niet meer verplicht is om dat deel te betalen of te voldoen;

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 4] deels toe en veroordeelt de verdachte om te betalen:

een bedrag van € 6.000 aan [benadeelde 4], vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 2 januari 2025 tot de dag waarop deze vordering is betaald;

bepaalt dat de benadeelde partijen voor het overige deel niet-ontvankelijk zijn in de vorderingen tot schadevergoeding en de vorderingen in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kunnen aanbrengen;

veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partijen gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

de schadevergoedingsmaatregel

legt aan de verdachte hoofdelijk op de verplichting om aan de Staat te betalen:

een bedrag van € 5.014,04, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 22 oktober 2024 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van [benadeelde 1];

bepaalt dat als het verschuldigde bedrag niet volledig wordt betaald of kan worden verhaald, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 50 dagen; de toepassing van gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op;

een bedrag van € 5.000, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 22 oktober 2024 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van [benadeelde 2];

bepaalt dat als het verschuldigde bedrag niet volledig wordt betaald of kan worden verhaald, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 50 dagen; de toepassing van gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op;

legt aan de verdachte op de verplichting om aan de Staat te betalen:

een bedrag van € 6000, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 2 januari 2025 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van [benadeelde 4];

bepaalt dat als het verschuldigde bedrag niet volledig wordt betaald of kan worden verhaald, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 55 dagen; de toepassing van gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op;

bepaalt dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de benadeelde partijen de betalingsverplichtingen aan de Staat in zoverre doet vervallen, en dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de Staat de betalingsverplichtingen aan de benadeelde partijen in zoverre doet vervallen;

de inbeslaggenomen goederen

verklaart verbeurd het op de beslaglijst onder 1 genoemde voorwerp, te weten: 1 stk Telefoontoestel;

de vordering tenuitvoerlegging van een voorwaardelijk opgelegde straf

gelast de tenuitvoerlegging van de straf, voorwaardelijk opgelegd bij voormeld vonnis van de politierechter in deze rechtbank d.d. 30 november 2022, gewezen onder parketnummer 09/206647-22, te weten gevangenisstraf voor de duur van twee weken.

Dit vonnis is gewezen door

mr. M.R. Aaron, voorzitter,

mr. C.W. de Wit, rechter,

mr. S.E. Bandsma, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. V.J.J. van Mierlo, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 6 mei 2026.

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. M.R. Aaron
  • mr. C.W. de Wit
  • mr. S.E. Bandsma

Griffier

  • mr. V.J.J. van Mierlo

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand