[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. P.R. Klaver),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder.
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van zijn asielaanvraag. Verweerder heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 24 maart 2026 niet in behandeling genomen omdat Bulgarije verantwoordelijk is voor de aanvraag.
2. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.
Beoordeling door de rechtbank
3. De rechtbank beoordeelt het beroep aan de hand van de argumenten die eiser heeft aangevoerd, de beroepsgronden.
4. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiser ongelijk krijgt en het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
5. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening. Op grond van de Dublinverordening neemt verweerder een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
6. Verweerder heeft de asielaanvraag niet in behandeling genomen, omdat Bulgarije verantwoordelijk is voor de aanvraag. Nederland heeft bij Bulgarije een verzoek om terugname gedaan. Bulgarije heeft dit verzoek op 19 januari 2026 aanvaard.
7. Eiser betwist niet dat Bulgarije in beginsel verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielaanvraag. Eiser doet een beroep op artikel 17 van de Dublinverordening. Eiser stelt zich op het standpunt dat verweerder niet aan zijn plicht heeft voldaan om te onderzoeken of Bulgarije zijn internationale verplichtingen in zijn geval nakomt en of eiser daadwerkelijk wordt toegelaten tot de asielprocedure en toegang krijgt tot menswaardige opvang en rechtsbescherming. Eiser geeft aan dat hij in Bulgarije in detentie heeft verbleven onder slechte omstandigheden. Hij zat daar met 30 tot 40 personen in een cel en kreeg geen adequate medische zorg. Eiser stelt dat hij ook heeft moeten tekenen dat hij geen nieuw asielverzoek zal indienen. Nu hij dit toch heeft gedaan, riskeert hij in Bulgarije een boete en gevangenisstraf. Hij heeft in zijn zienswijze en in beroep verwezen naar beeldmateriaal van een opvangkamp in Bulgarije. Eiser wil garanties dat hij in Bulgarije niet zal worden blootgesteld aan racisme, mishandeling, gevangenschap of gedwongen deportatie naar Syrië. Eiser stelt daarnaast dat verweerder ten onrechte geen medisch onderzoek heeft verricht en de toegankelijkheid van de zorg in Bulgarije niet heeft onderzocht. Ten slotte heeft verweerder gelet op artikel 8 van het EVRM ten onrechte niet gemotiveerd waarom de overdracht proportioneel is.
8. Uitgangspunt is dat verweerder op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ervan uit mag gaan dat Bulgarije zijn verdragsverplichtingen nakomt. Dit is bevestigd door de Afdeling, in de uitspraak van 25 mei 2025 en onlangs nog in de uitspraak van 20 april 2026. Van dit uitgangspunt kan alleen worden afgeweken wanneer in Bulgarije sprake is van systematische tekortkomingen in de asielprocedure of in de opvangvoorzieningen.
9. Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser er niet in is geslaagd om met objectieve informatie aannemelijk te maken dat er in Bulgarije structurele tekortkomingen zijn in de asielprocedure en opvang, dat de Bulgaarse autoriteiten hun verdragsverplichtingen jegens hem niet zullen nakomen en dat bij terugkeer een situatie zal ontstaan die in strijd is met artikel 3 van het EVRM. Zoals verweerder heeft overwogen in het bestreden besluit, is het door eiser genoemde beeldmateriaal onvoldoende, omdat niet reeds daaruit kan worden afgeleid dat sprake is van systematische tekortkomingen en hij geen verder bewijs hiervoor heeft aangedragen.
10. De rechtbank overweegt dat eiser zijn verklaringen over zijn persoonlijke ervaringen in Bulgarije en zijn gestelde (medische) kwetsbaarheid evenmin met stukken heeft onderbouwd. Namens eiser is niet gesteld dat eiser beschikt over beeldmateriaal waarop zijn persoonlijke opvangervaringen zijn vastgelegd. Bovendien hebben de Bulgaarse autoriteiten met de aanvaarding van het terugnameverzoek van Nederland toegezegd dat eisers asielverzoek zal worden behandeld met inachtneming van de Europese asielrichtlijnen. Dat eiser eerder in Bulgarije zonder succes de asielprocedure heeft doorlopen, dat tegen hem een uitzettingsbevel zou zijn uitgevaardigd en dat eiser daarbij gedetineerd is geweest, levert geen aanknopingspunt op voor het tegendeel. Zoals verweerder terecht heeft overwogen in het bestreden besluit, is niet gebleken dat de Bulgaarse autoriteiten hiermee in strijd hebben gehandeld met het Europese asielrecht. Daarbij heeft verweerder terecht erop gewezen dat eiser bij eventuele tekortkomingen in de opvang of de procedure kan klagen bij de (hogere) Bulgaarse autoriteiten. Dit volgt ook uit het interstatelijk vertrouwensbeginsel, zoals uitgelegd in vaste jurisprudentie van de Afdeling. Het is niet gebleken dat dit voor eiser onmogelijk of bij voorbaat zinloos is. Niet is gebleken dat eiser in Bulgarije bescherming heeft gevraagd.
11. Uit de uitspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 30 november 2023 en de uitspraak de Afdeling van 12 juni 2024 volgt dat er in een Dublinprocedure geen ruimte is voor het toetsen van het risico op indirect refoulement, indien niet is gebleken van systematische tekortkomingen.
12. Verweerder heeft geen aanleiding hoeven zien om vanwege het bestaan van bijzondere individuele omstandigheden de verantwoordelijkheid voor de asielaanvraag aan zich te trekken op grond van artikel 16 en/of artikel 17 van de Dublinverordening. Voor wat betreft de gestelde aanwezigheid van familie in Nederland heeft verweerder terecht overwogen dat het geen gezinslid betreft zoals bedoeld in artikel 2, onder g van de Dublinverordening (kind, broer, zus of ouder). Verder is niet gebleken dat eiser en zijn gestelde neef afhankelijk zijn van elkaar. Buiten de bepalingen van de Dublinverordening om is er in het kader van een overdrachtsbesluit geen ruimte voor toetsing aan artikel 8 van het EVRM.
Conclusie en gevolgen
13. Verweerder heeft de asielaanvraag van eiser terecht niet in behandeling genomen. Het beroep is kennelijk ongegrond.
14. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan op 1 mei 2026 door mr. J.F.I. Sinack, rechter, in aanwezigheid van N.A. D’Hoore, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.