RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam], V-nummer: [v-nummer], eiser,
de minister van Asiel en Migratie, de minister,
Samenvatting
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.4453
(gemachtigde: mr. M.H. van der Linden),
en
(gemachtigde: mr. G.W. Wezelman).
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag niet in stand kan blijven. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiser heeft op 16 juli 2023 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 22 januari 2026 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als ongegrond. Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld.
De rechtbank heeft het beroep op 24 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, een tolk en de gemachtigde van de minister. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.
Beoordeling door de rechtbank
Het asielrelaas
3. Eiser legt aan zijn asielaanvraag ten grondslag dat hij zich sinds ongeveer zijn zestiende heeft afgewend van zijn geloof. Eiser heeft verklaard niet te geloven in een religie, maar wel in een heilige eenheid die het heelal heeft geschapen. Eiser noemt zichzelf atheïst. Eiser heeft verklaard dat hij in Syrië bleef praktiseren uit angst voor verstoting van zijn familie en gemeenschap. Eiser heeft verklaard dat hij in Nederland niet meer praktiseert en open gesprekken voert met mensen in zijn AZC. Eiser heeft verklaard dat hij zich bij terugkeer niet openlijk zou durven uiten als atheïst, omdat hij bang is verstoten en vermoord te worden door zijn familie, geïsoleerd te worden door de maatschappij, en gestraft door de autoriteiten. Eiser vreest bij terugkeer voor psychische problemen. Eiser heeft verklaard dat zijn familie Alawiet is. Eiser heeft verklaard dat sinds de val van Assad meermaals gewapende mannen bij eisers ouderlijk huis, waar zijn vader en broer nog wonen, zijn familie met de dood hebben bedreigd. Eiser vreest bij terugkeer gearresteerd of vermoord te worden omdat hij Alawiet is. Eiser vreest bij terugkeer voor de algemene situatie van onderdrukking van Koerden in Syrië.
Het bestreden besluit
4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:
De minister stelt dat alle motieven geloofwaardig zijn.
Heeft eiser te vrezen vanwege zijn afvalligheid?
5. Eiser stelt dat hij zijn vrees als afvallige aannemelijk heeft gemaakt. Eiser wijst op het Algemeen Ambtsbericht en informatie van Vluchtelingenwerk waaruit volgt dat atheïsten en afvalligen van de islam in Syrië over het algemeen nooit openlijk uitkomen voor hun afvalligheid. Afvalligen en bekeerlingen riskeren verstoting of riskeren vermoord te worden. Eiser wijst op een recente wijziging van de grondwet en de extreme eigenschappen van de huidige regering. Men kan op straat aangehouden worden omdat ze niet religieus genoeg zijn. Eiser heeft zijn gevoelens ten aanzien van de islam al jaren moeten opkroppen en heeft gedaan alsof hij moslim was. Het feit dat hij gedwongen werd om een geloof te belijden waar hij niet achterstond maakt dat hij psychische problemen ondervond. Hier is onvoldoende rekening mee gehouden. Eiser praktiseert in Nederland niet meer en kan zich in Syrië niet uiten over religie zoals hij dat zou willen. Eiser vindt dat geen terughoudendheid van hem mag worden verwacht.
De rechtbank stelt voorop dat het voor beantwoording van de vraag of eiser vanwege zijn afwending van de islam risico loopt bij terugkeer, niet uitmaakt of eiser al dan niet als atheïst is.
In dat kader overweegt de rechtbank dat de minister in het bestreden besluit aan de hand van objectieve bronnen heeft gemotiveerd dat in Syrië in het algemeen geen sprake is van vervolging of bestraffing op grond van het niet volgen van de islamitische leefregels. Afvalligen in Syrië lopen geen verhoogd risico op vervolging. In hetgeen eiser heeft aangevoerd ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat de minister zich ten onrechte op dit standpunt heeft gesteld. Die omstandigheden, evenals de door eiser genoemde bronnen, zijn namelijk verdisconteerd in de informatie waar de minister zich op heeft gebaseerd en kunnen daar daarom niet aan afdoen. Ook de enkele verwijzing naar het rapport van de US Commission on International Religious Freedom is in dit kader onvoldoende. Niet is gebleken dat in het algemeen sprake is van vervolging of bestraffing van afvalligen.
In de specifieke omstandigheden van eiser ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat hij, ondanks deze algemene situatie, toch een verhoogd risico op vervolging loopt. De rechtbank is met de minister van oordeel dat het niet aannemelijk is dat eiser zijn afvalligheid bij terugkeer naar Syrië actief zal gaan uiten. Eiser heeft eerder in Syrië en tijdens zijn verblijf hier te lande zijn afvalligheid niet actief geuit. Hoewel eiser heeft verklaard zijn geloofsovertuiging wel te willen uiten, beperkt dit zich tot op heden tot niet vasten, niet bidden en het voeren van gesprekken in de persoonlijke sfeer. Gelet op de algemene situatie in Syrië is dit onvoldoende om een risico op vervolging aan te nemen. Ten aanzien van eisers familie heeft de minister kunnen overwegen dat als eiser zijn afvalligheid niet verborgen wil houden en dit leidt tot een conflict of afstoting, dat zeer vervelend is maar onvoldoende is om te spreken van vervolging. De minister heeft dan ook kunnen concluderen dat eisers terughoudende wijze van uiten bij terugkeer niet tot problemen zal leiden en hij daarom geen verhoogd risico loopt op vervolging.
Ten aanzien van de psychische situatie van eiser oordeelt de rechtbank dat de minister, gelet op voorgaande, heeft kunnen overwegen dat eiser zich bij terugkeer kan uiten zoals hij wil. In zoverre aangenomen moet worden dat het ontstaan van de psychische problemen verband houden met een terughoudende opstelling van eiser in het verleden, speelt dit bij terugkeer reeds om het voorgaande geen rol. Omdat dit verband anderszins ook niet is onderbouwd, oordeelt de rechtbank dat de minister de medische omstandigheden van eiser voldoende bij de beoordeling heeft betrokken. Ten overvloede merkt de rechtbank op dat de medische omstandigheden ook worden beoordeeld in het kader van een lopende aanvraag voor toepassing van artikel 64 van de Vw. In dat kader heeft de gemachtigde van de minister toegezegd ervoor te zullen zorgdragen dat de door eiser in onderhavige zaak overgelegde (nadere) medische informatie zal worden doorgeleid naar de juiste afdeling.
Heeft eiser te vrezen omdat hij Alawiet is?
6. Eiser wijst er op dat hij niet naar Damascus kan terugkeren omdat hij Alawiet is. Eiser zal derhalve naar zijn dorp Afrin moeten terugkeren met alle gevolgen van dien. Eiser wijst op conflicten tussen Koerden en SNA-fracties en stelt daarom een groot gevaar te lopen als hij naar Afrin zou moeten terugkeren.
Voor wat betreft het individualiseringsvereiste merkt eiser op dat mensen bij hem langs de deur komen, leuzen roepen en bedreigingen uiten. De minister heeft dit geloofwaardig geacht. Tot op heden hebben buren nog weten te voorkomen dat de vader van eiser mishandeld wordt of meegenomen wordt. Als de vader van eiser gewaarschuwd wordt, gaat hij weg. Hij verblijft niet de hele tijd in de woning en verplaatst zich veelvuldig vanwege zijn angst. Eiser wijst op p. 92. e.v. van het Ambtsbericht en concludeert dat het aannemelijk is dat de dreigementen ten uitvoer zullen worden gebracht.
De rechtbank overweegt dat niet in geschil is dat eiser in Damascus is geboren en getogen en hier tot aan zijn vertrek heeft gewoond. De rechtbank is daarom met de minister van oordeel dat Damascus aangemerkt moet worden als vaste woon- en verblijfsplaats van eiser en dat niet valt in te zien waarom hij naar zijn dorp Afrin zou teruggaan. In zoverre de gronden van eiser zien op problemen bij Afrin tussen de Koerden en SNA-fracties, behoeven deze dan ook geen bespreking. De stelling van eiser dat hij in Damascus gevaar loopt omdat hij Alawiet is, beoordeelt de rechtbank hieronder.
Daarnaast overweegt de rechtbank dat uit paragraaf C2/2.4 van de Vc volgt dat op basis van landeninformatie een groep als risicoprofiel kan worden aangewezen, als sprake is van een meer structurele en minder incidentele wijze waarop een groep in de negatieve aandacht staat van de autoriteiten dan wel derden tegen wie geen (doeltreffende) bescherming door de autoriteiten van het land van herkomst of door internationale organisaties kan worden geboden. Voor de vreemdeling die behoort tot een groep waarvoor in algemene zin een risicoprofiel is aangewezen, blijft het individualiseringsvereiste gelden en geldt er geen aangepaste bewijslastverdeling. Aan de hand van de individuele omstandigheden zoals de persoonlijke omstandigheden, de verrichte activiteiten en eventuele eerdere gebeurtenissen, beoordeelt de minister of de vreemdeling gegronde vrees voor vervolging of een reëel risico op ernstige schade loopt of heeft gelopen.
De rechtbank stelt voorop dat de minister geloofwaardig heeft geacht dat eisers vader en broer zijn bedreigd met de dood door gewapende leden van de algemene veiligheidsdiensten van het nieuwe regime. Deze bedreigingen hebben meerdere keren plaatsgevonden en eiser heeft verklaard dat dit was, omdat de belagers elke Alawiet als aanhanger van het oude regime beschouwen.
De rechtbank oordeelt dat onder de huidige motivering, niet valt in te hoe de minister heeft kunnen concluderen dat eiser bij terugkeer geen gegronde vrees voor vervolging heeft. Hoewel te volgen is dat eiser ondanks dat hij onder een risicoprofiel valt, zijn vrees individueel moet maken en dit de bewijslastverdeling niet aantast, heeft de minister verzuimd het geloofwaardig geachte relaas van eiser af te zetten tegen het risicoprofiel en de openbare informatie.
In de besluitvorming heeft de minister overwogen dat de bedreigingen nog geen gevolgen hebben gehad en dat een bedreiging die niet tot uiting komt geen daad van vervolging is. Daargelaten dat die redenering het asielrecht in zijn geheel overbodig maakt, gaat ze voorbij aan de redenen waarom Alawieten tot een risicoprofiel behoren en aan de openbare informatie waaruit volgt dat Alawieten onder het nieuwe regime te maken krijgen discriminatie en wraakacties. Deze informatie onderschrijft het geloofwaardig geachte relaas van eiser en dit had daarom tegen elkaar afgezet moeten worden. Hoewel de openbare informatie algemeen is, heeft de minister zich zonder die afweging niet op het standpunt kunnen stellen dat eiser niet voldoet aan het individualiseringsvereiste. Een geloofwaardig persoonlijk relaas, afgezet tegen openbare informatie, kan immers ook de vrees individueel maken. Anders gezegd, het feit dat het individualiseringsvereiste geldt, maakt niet dat aan het risicoprofiel geen betekenis toekomt.
In zoverre de minister overweegt dat eiser niet persoonlijk is bedreigd en eventueel elders in Damascus kan gaan wonen, volgt de rechtbank dat standpunt niet. De bedreigingen aan het adres van de vader en broer van eiser komen van de veiligheidsdiensten en zijn direct gerelateerd aan hun Alawitische achtergrond. Aangezien eiser deel uitmaakt van dit gezin en dezelfde achtergrond heeft, ziet de rechtbank niet in hoe een dergelijk onderscheid gerechtvaardigd of relevant is, te meer omdat de bedreigingen zijn gedaan door de veiligheidsdiensten. Bovendien ziet de logica van de risicoprofielen erop dat sprake is van meer structurele wijze waarop een groep in de negatieve aandacht staat en voor wie geen (doeltreffende) bescherming door de autoriteiten bestaat. Dat staat er niet aan in de weg dat eiser zijn vrees nog steeds individueel moet maken, maar maakt naar het oordeel van de rechtbank in de context van de bedreigingen door de algemene veiligheidsdiensten wel dat de tegenwerpingen, dat eiser niet persoonlijk is bedreigd en ergens anders kan gaan wonen, in dit geval doel missen.
Het beroep is gegrond. De beroepsgronden behoeven daarom voor het overige geen bespreking.
Conclusie en gevolgen
7. Het beroep is gegrond en het bestreden besluit wordt vernietigd.
8. De rechtbank veroordeelt de minister in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatige verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).
Beslissing
De rechtbank
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- draagt de minister op binnen zes weken na de dag van bekendmaking van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak;
- veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.D. Overmars, rechter, in aanwezigheid van mr. D.G. van den Berg, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.