[naam], eiser,
V-nummer: [v-nummer],
(gemachtigde: mr. A.M. Veld),
en
de minister van Asiel en Migratie.
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 4 februari 2026 niet in behandeling genomen omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de aanvraag.
De rechtbank doet uitspraak zonder zitting.
Op het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening wordt apart beslist.
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden die eiser heeft aangevoerd.
3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiser ongelijk krijgt en het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Wat vindt eiser?
4. Eiser stelt dat ten aanzien van Duitsland niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Eiser heeft verwezen naar openbare bronnen waaruit blijkt dat de opvang overvol was en niet voldeed aan de Europese maatstaven. Daarnaast heeft eiser in Duitsland geen recht op rechtsbijstand. Dit is in strijd met de Procedurerichtlijn. De minister gaat daarbij voorbij aan het AIDA-rapport. Eiser is van mening dat hij in Duitsland een reëel risico op onmenselijke of vernederende behandeling in de zin van artikel 3 van het EVRM of artikel 4 van het Handvest zal lopen. Daarnaast is niet deugdelijk gemotiveerd waarom geen sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden die maken dat de overdracht van eiser van een onevenredige hardheid getuigt.
Oordeel van de rechtbank
5. De rechtbank overweegt dat, gelet op het interstatelijk vertrouwensbeginsel, de minister er in het algemeen van mag uitgaan dat Duitsland zijn verdragsverplichtingen nakomt. Van dit uitgangspunt wordt slechts afgeweken indien eiser aannemelijk maakt dat het asiel- en opvangsysteem in Duitsland dusdanige tekortkomingen vertoont dat hij bij overdracht aan Duitsland een reëel risico loopt op een behandeling die in strijd is met artikel 3 van het EVRM of artikel 4 van het EU-Handvest. Van een schending van artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest zal, in geval de vreemdeling aannemelijk maakt dat sprake is van tekortkomingen in het asiel- en opvangsysteem, eerst sprake zijn indien die tekortkomingen structureel zijn en een bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid bereiken in de zin van het arrest Jawo van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 19 maart 2019.
Naar het oordeel van de rechtbank is eiser er niet in geslaagd om het voorgaande aannemelijk te maken. De generieke verwijzing naar openbare bronnen is hiertoe onvoldoende en bovendien heeft de Afdeling op 14 februari 2025 nog bevestigd dat de minister er in het algemeen van mag uitgaan dat Duitsland zijn verdragsverplichtingen nakomt. Het betoog van eiser dat asielzoekers in Duitsland zelf hun advocaat moeten betalen - en dat dit betekent dat Duitsland zijn internationale verdragsverplichtingen niet nakomt - slaagt niet nu de Procedurerichtlijn geen onvoorwaardelijk recht op gratis rechtsbijstand en vertegenwoordiging in asielprocedures biedt. Uit de artikelen 20 en verder van de Procedurerichtlijn volgt dat kosteloze rechtsbijstand niet onbeperkt is en dat daaraan voorwaarden mogen worden gesteld. De rechtbank ziet geen grond voor het oordeel dat Duitsland in strijd met deze richtlijn handelt en dat eiser in Duitsland een effectief rechtsmiddel wordt onthouden en voor zover eiser meent dat er geen of ontoereikende opvang voor hem zal zijn, dient hij hierover te klagen bij de Duitse autoriteiten.
Voorts is de rechtbank van oordeel dat de minister zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat niet gesproken kan worden van onevenredige hardheid waardoor artikel 17, eerste lid van de Dublinverordening zou moeten worden toegepast. De minister heeft in het voornemen overwogen geen aanknopingspunten voor dit oordeel te zien en dat het aan eiser is om hier meer informatie over te geven. Eiser heeft geen zienswijze ingediend en de minister heeft dan ook geen aanleiding hoeven zien op dit punt tot een ander oordeel te komen. Er is geen motiveringsgebrek. Omdat eiser ook in beroep zijn standpunt niet heeft onderbouwd, ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat de minister hier alsnog op moet ingaan.
Conclusie en gevolgen
6. Het beroep is kennelijk ongegrond. Dat betekent dat eiser mag worden overgedragen aan Duitsland. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.D. Overmars, rechter, in aanwezigheid van mr. D.G. van den Berg, griffier, en openbaar gemaakt door gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.