RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam] , eiser,
de minister van Asiel en Migratie, de minister,
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.22325
geboren op [geboortedatum] ,
van Nigeriaanse nationaliteit,
V-nummer: [nummer] ,
(gemachtigde: mr. M. Rasul),
en
(gemachtigde: mr. P.A.L.A. van Ittersum).
Procesverloop
1. De minister heeft op 24 februari 2026 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft op 22 april 2026 gronden ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 1 mei 2026 op zitting behandeld. Eiser is niet verschenen, maar heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. Pater, die waarnam voor zijn gemachtigde. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten.
Overwegingen
2. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 12 maart 2026 volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom staat nu alleen ter beoordeling of de maatregel van bewaring rechtmatig is sinds het sluiten van dat onderzoek op 6 maart 2026.
3. Als de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
Standpunten eiser
4. Eiser voert aan dat uit de voortgangsrapportage blijkt dat de minister onvoldoende voortvarend heeft gehandeld. Op 24 februari 2026 is een lp aangevraagd, maar inmiddels zijn er twee maanden verstreken en is er nog steeds geen lp afgegeven. Daarnaast heeft er in de afgelopen maanden geen presentatie plaatsgevonden. Inmiddels staat er een presentatie gepland op 24 april 2026, maar onduidelijk is waarom het plannen hiervan twee maanden heeft geduurd. Verder heeft de minister sinds het sluiten van het onderzoek in de vorige procedure te weinig gerappelleerd. Er is namelijk slechts tweemaal gerappelleerd en hebben er slechts twee vertrekgesprekken plaatsgevonden in de gehele periode dat eiser in bewaring verblijft. Ook heeft eiser aangegeven dat hij wil terugkeren naar zijn land van herkomst. Er bestaat dan ook geen zicht op uitzetting. Daarnaast meent eiser dat een lichter middel in de vorm van een meldplicht opgelegd kan worden.
Beoordeling rechtbank
5. De rechtbank stelt voorop dat zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn naar Nigeria in het algemeen niet ontbreekt. De rechtbank ziet geen aanleiding om in het geval van eiser anders te oordelen. De lp-aanvraag is nog steeds in onderzoek en het tijdsverloop sinds de aanvraag is niet zodanig lang dat alleen daarom al zou moeten worden aangenomen dat er geen lp zal worden afgegeven. Daar komt bij dat de minister afhankelijk is van de medewerking van de Nigeriaanse autoriteiten. Ook acht de rechtbank van belang dat eiser inmiddels op 24 april 2026 in persoon is gepresenteerd bij de Nigeriaanse autoriteiten en dat zijn Nigeriaanse nationaliteit is bevestigd.
6. Verder is de rechtbank van oordeel dat de minister sinds het sluiten van het onderzoek in de vorige procedure voldoende voortvarend heeft gehandeld. De minister heeft op 12 maart 2026 en 2 april 2026 schriftelijk gerappelleerd en ook tweemaal een vertrekgesprek met eiser gevoerd, laatstelijk op 21 april 2026. Ook is op 28 april 2026 een vlucht voor eiser aangevraagd. De rechtbank acht deze gang van zaken voldoende voortvarend.
7. De rechtbank heeft in de hiervoor onder 2. genoemde uitspraak geoordeeld dat het toepassen van een lichter middel niet volstaat om de uitzetting van eiser te verzekeren. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser ook in de onderhavige procedure geen omstandigheden aangevoerd die aanleiding geven om te oordelen dat een lichter middel nu wel zou kunnen volstaan of dat de voortzetting van de vreemdelingenbewaring niet langer gerechtvaardigd zou zijn. Dat eiser bereidwillig is om zijn medewerking te verlenen aan de uitzetting maakt dat niet anders, omdat op grond van de medewerkingsplicht van hem mag worden verwacht dat hij actieve en volledige medewerking verleend. Ter volledigheid merkt de rechtbank het volgende op. De minister heeft op de zitting toegelicht dat eiser op dit moment in CTP Veldzicht verblijft, dat zijn psychische toestand is verbeterd en dat zijn behandelaars akkoord hebben gegeven voor de uitzetting van eiser. Ook zal eiser tijdens de vlucht worden begeleid door een medische escort.
8. De rechtbank ziet ook voor het overige geen grond voor het oordeel dat de maatregel van bewaring in de periode tussen het sluiten van het vorige onderzoek en het sluiten van het onderhavige onderzoek op enig moment onrechtmatig was.
Conclusie
9. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. V.A.G. van Dijk, rechter, in aanwezigheid van R. de Boer, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.