RECHTBANK DEN HAAG
Jeugd- en Zorgrecht
Zaaknummer: C/09/701445 / JE RK 26-433
Datum uitspraak: 26 maart 2026
Beschikking van de kinderrechter
Afwijzing machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
Stichting Jeugdbescherming west Haaglanden,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling,
over
[de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2016 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [de minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder] ,
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat: mr. G.A. Nandoe Tewarie te Den Haag,
[de vader] ,
hierna te noemen: de vader,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat: mr. M.S. Polat te Rijswijk.
1. Het verloop van de procedure
Op 16 maart 2026 heeft mr. R. van Zeijst- Repelaer van Driel, kinderrechter in de rechtbank, mondeling buiten kantooruren een (spoed)machtiging verleend om [de minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een gezinsgerichte voorziening van 16 maart 2026 tot 17 maart 2026 om 17:00 uur. Iedere verdere beslissing is aangehouden.
Bij beschikking van 17 maart 2026 heeft de kinderrechter in deze rechtbank een (spoed)machtiging verleend om [de minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een gezinsgerichte voorziening van 17 maart 2026 tot 30 maart 2026 en het verzoek voor het overige aangehouden.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 17 maart 2026;
de beschikking van 17 maart 2026;
- het bericht van de advocaat van de vader met bijlage van 26 maart 2026.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 26 maart 2026. Daarbij waren aanwezig:
[naam 1] en [naam 2] namens de gecertificeerde instelling;
de advocaat van de moeder;
de vader, via telefonische verbinding;
de advocaat van de vader.
De moeder is niet verschenen. De kinderrechter stelt vast dat de moeder wel juist is opgeroepen.
De kinderrechter heeft [de minderjarige] naar zijn mening gevraagd. [de minderjarige] heeft geen mening gegeven.
2. De feiten
Voor de feiten verwijst de kinderrechter naar de beschikking van 17 maart 2026.
3. Het verzoek
De gecertificeerde instelling verzoekt een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een gezinsgerichte voorziening te verlenen voor de duur van de ondertoezichtstelling en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
De gecertificeerde instelling heeft het verzoek als volgt gemotiveerd. De gecertificeerde instelling is sinds 23 juli 2025 betrokken bij [de minderjarige] . De eerste periode zijn er samen met het gezin veiligheidsafspraken gemaakt en is er gewerkt aan het maken van een gezinsplan en het opstellen van de bijbehorende doelen. De gecertificeerde instelling maakt zich grote zorgen over de ontwikkeling van [de minderjarige] . Hij groeit op in een gezin waar sprake is van problematiek op verschillende leefgebieden: beide ouders hebben hun eigen problematiek en [de minderjarige] heeft kind-eigen problematiek (taalontwikkelingsstoornis en autismespectrumstoornis). Daarbij wordt gezien dat het de ouders niet altijd lukt om [de minderjarige] de structuur, regels en grenzen te bieden die hij nodig heeft en de adviezen van de betrokken hulpverlening op te volgen. [de minderjarige] laat gedrag zien dat sterk samenhangt met de onrust en stress binnen het gezin. Het gedrag van [de minderjarige] laat zien dat hij kwetsbaar is en sterk reageert op de omgeving waarin hij opgroeit. Hij heeft behoefte aan voorspelbaarheid, duidelijke grenzen, rust en emotionele beschikbaarheid van zijn opvoeders. De afgelopen maanden is het onrustig geweest in het gezin. Er hebben zich meerdere incidenten voorgedaan waarbij sprake was van huiselijk geweld tussen de ouders. Naar aanleiding hiervan zijn herhaaldelijk veiligheidsafspraken gemaakt door Veilig Thuis en de gecertificeerde instelling, met als doel escalaties tussen de ouders in het bijzijn van [de minderjarige] te voorkomen. Deze afspraken blijken echter niet houdbaar. Met de moeder zijn momenteel geen afspraken te maken. Er zijn grote zorgen over mogelijk psychische problematiek van de moeder. Hierdoor is haar gedrag onvoorspelbaar, wat tot gevaarlijke situaties kan leiden en ook heeft geleid. Op het moment dat de moeder – tegen de afspraken in – toch naar de woning gaat waar de vader en [de minderjarige] verblijven, escaleert de situatie. [de minderjarige] is hier dan getuige van. Hoewel de vader van goede wil is en er geen zorgen zijn over de veiligheid van [de minderjarige] bij hem, is hij niet in staat de moeder op afstand te houden en daarmee de veiligheid van [de minderjarige] te waarborgen. Volgens de gecertificeerde instelling zijn er op dit moment geen alternatieven dan [de minderjarige] uit huis te plaatsen, hoe onwenselijk de gecertificeerde instelling dit ook vindt. Er is geen andere plek voor de vader en [de minderjarige] beschikbaar. Een plaatsing bij de grootmoeder vaderszijde is niet haalbaar. Voor plaatsing in een ouder-kindvoorziening zijn er lange wachtlijsten. Er is geprobeerd een tijdelijk huisverbod voor de moeder te realiseren, maar volgens de politie is de situatie daar niet acuut genoeg voor. De gecertificeerde instelling is in overleg met Bemoeizorg om te kijken wat de mogelijkheden zijn voor gedwongen hulpverlening voor de moeder. Ook een crisismachtiging in het kader van een gedwongen opname van de moeder is nu niet aan de orde omdat er geen sprake is van acute zorgen. Aangezien de moeder niet gedwongen kan worden haar huissleutel in te leveren, blijft het risico bestaan dat zij de woning onverwacht binnengaat. Daarmee ontstaan er veiligheidsrisico’s voor [de minderjarige] . Dat is de reden dat de gecertificeerde instelling het verzoek tot een machtiging uithuisplaatsing handhaaft. De gecertificeerde instelling heeft verder nog naar voren gebracht dat [de minderjarige] heftig op de uithuisplaatsing heeft gereageerd. Hij is logischerwijs erg verdrietig. Ook wordt gezien dat hij snel uit zijn is, waarna hij boos of afwijzend reageert.
4. De standpunten
Namens de moeder is verweer gevoerd tegen het verzoek. De advocaat heeft één keer contact kunnen krijgen met de moeder. De moeder gaf toen aan het niet eens te zijn met de uithuisplaatsing. Sindsdien is de moeder onbereikbaar. De advocaat voert aan dat niet aan de gronden voor een uithuisplaatsing wordt voldaan. Een uithuisplaatsing is een vergaand middel dat alleen ingezet kan worden als er geen minder ingrijpende alternatieven zijn. [de minderjarige] is een kwetsbaar kind met kind-eigen problematiek. Hij is gebaat bij structuur, duidelijkheid en een vertrouwde omgeving. Hij is volledig van slag door de uithuisplaatsing. Het is duidelijk dat de vader wel voor [de minderjarige] kan zorgen, zolang de moeder voorlopig buiten de deur blijft. Er zijn genoeg (juridische) middelen om ervoor te zorgen dat de vader voorlopig alleen voor [de minderjarige] kan zorgen, in de (echtelijke) woning of elders. Het is in ieder geval niet in het belang van [de minderjarige] als hij nog langer uithuisgeplaatst blijft. Namens de moeder verzoekt de advocaat dan ook het verzoek af te wijzen.
Door en namens de vader is verweer gevoerd tegen het verzoek. Daartoe is aangevoerd dat een machtiging uithuisplaatsing een ultimum remedium is dat alleen ingezet kan worden als er geen minder ingrijpende alternatieven voorhanden zijn. De zorgen over [de minderjarige] zijn gelegen in het gedrag en de (psychische) problematiek van de moeder. Zij verblijft op dit moment drie maanden in een begeleid-wonen traject, maar komt geregeld onaangekondigd naar de woning. De moeder is onvoorspelbaar en houdt zich niet aan de gemaakte veiligheidsafspraken. Duidelijk is dat de vader wel zelf voor [de minderjarige] kan zorgen. Op dit moment is er dan ook geen grond voor een uithuisplaatsing, nu er andere (juridische) mogelijkheden zijn om de moeder buiten de deur te houden. De Wet Tijdelijk Huisverbod biedt mogelijkheden om de moeder tijdelijk de toegang tot de woning te ontzeggen. Daarnaast is de problematiek van de moeder dusdanig dat een (crisis)zorgmachtiging passend lijkt, omdat er sprake lijkt te zijn van een psychische stoornis en zij een gevaar vormt voor anderen en mogelijk ook voor zichzelf. De advocaat heeft verder met de vader gesproken over het aanvragen van een echtscheiding. In dat kader is de advocaat voornemens zo snel mogelijk – bij voorkeur vandaag – een verzoek in te dienen tot het treffen van voorlopige voorzieningen in het kader van de echtscheiding, waaronder over het exclusief gebruik van de (huur)woning. Het is van belang dat [de minderjarige] zo snel mogelijk terugkeert bij de vader. [de minderjarige] is gelet op zijn problematiek buitengewoon kwetsbaar. Hij heeft zichtbaar last van de uithuisplaatsing en hij kan daardoor niet nog langer gescheiden blijven van zijn vader. De vader wil verder benadrukken dat er foutieve informatie in de stukken staat waardoor er een verkeerd beeld wordt geschetst over de (problematiek van de) vader. De advocaat heeft daarom nog een stuk ingediend met een verklaring van de behandelaar van de vader, waarbij wordt aangegeven wat de actuele DSM-classificatie is. Gelet op het voorgaande verzoekt de vader de machtiging tot uithuisplaatsing af te wijzen.
5. De beoordeling
De kinderrechter is van oordeel dat de in artikel 1:265b, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek genoemde gronden voor uithuisplaatsing niet aanwezig zijn.
De kinderrechter overweegt daartoe als volgt. Er zijn zorgen over de ontwikkeling van [de minderjarige] . Bij beschikking van 23 juli 2025 is hij daarom onder toezicht gesteld van de gecertificeerde instelling. [de minderjarige] is een kwetsbare jongen die kampt met hevige kind-eigen problematiek. Hij is gediagnosticeerd met TOS, ADHD en een autismespectrumstoornis. Hierdoor kan [de minderjarige] extreem gedrag laten zien. [de minderjarige] is gebaat bij rust, duidelijkheid en structuur. De afgelopen weken hebben zich meerdere incidenten voorgedaan tussen de ouders, waarvan [de minderjarige] getuige is geweest. Naar aanleiding hiervan zijn herhaaldelijk veiligheidsafspraken gemaakt door Veilig Thuis en de gecertificeerde instelling, met als doel escalaties tussen de ouders in het bijzijn van [de minderjarige] te voorkomen. Deze afspraken bleken echter niet houdbaar, aangezien de ouders zich hier niet aan hielden. Recent heeft zich opnieuw een incident voorgedaan waarbij de ouders zich niet aan de veiligheidsafspraken hebben gehouden en er sprake was van (verbaal) geweld. [de minderjarige] is hier getuige van geweest. Dit heeft geleid tot de spoeduithuisplaatsing van [de minderjarige] op 16 maart 2026. De kinderrechter onderschrijft dat er zorgen zijn over de ontwikkeling en opvoedsituatie van [de minderjarige] . De kinderrechter is er echter niet van overtuigd dat een zwaar middel als een uithuisplaatsing op dit moment nog steeds noodzakelijk én in het belang van [de minderjarige] is. Niet ter discussie staat of [de minderjarige] voldoende veilig is bij de vader. Dit is door de gecertificeerde instelling op de zitting bevestigd. De vader wordt in staat geacht de verzorging en opvoeding van [de minderjarige] te dragen en zijn veiligheid te waarborgen zolang de moeder zich aan de veiligheidsafspraken houdt. De moeder is echter zeer onvoorspelbaar en lijkt met psychische problematiek te kampen. Zij is op dit moment niet voor rede vatbaar en vormt daarmee een gevaar voor anderen, waaronder voor [de minderjarige] . Voor het kunnen waarborgen van de veiligheid van [de minderjarige] is het noodzakelijk dat de vader voorlopig alleen voor hem zorgt. Hoewel de ouders op dit moment nog gehuwd zijn en de moeder mede met het gezag over [de minderjarige] is belast, zijn er juridische mogelijkheden om de moeder tijdelijk de toegang tot de woning te ontzeggen of ervoor te zorgen dat zij de (gedwongen) hulp krijgt die zij nodig heeft. Een andere optie is de vader en [de minderjarige] tijdelijk elders te plaatsen, op een voor de moeder geheime locatie. Een uithuisplaatsing van [de minderjarige] op een neutrale plek is op dit moment niet proportioneel én noodzakelijk. Een dergelijk middel dient enkel als laatste redmiddel ingezet te worden. Daarbij weegt de kinderrechter ook mee dat [de minderjarige] -meer dan een gemiddeld kind- geschaad wordt door de uithuisplaatsing, omdat hij door zijn kind-eigen problematiek veel moeite heeft met wisselingen en onduidelijkheid en een sterke behoefte heeft een hechtingsfiguur om zich heen te hebben. [de minderjarige] heeft zichtbaar moeite om zich aan te passen aan de nieuwe situatie in het gezinshuis en lijkt niet vooruit maar juist achteruit te gaan in zijn ontwikkeling. Dat kan nooit het doel zijn van een uithuisplaatsing. Gelet op het voorgaande wijst de kinderrechter het verzoek af.
6. De beslissing
De kinderrechter:
wijst het verzoek af.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 26 maart 2026 door
mr. M. de Kleine, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. J.M. Dreef als griffier, en op schrift gesteld op 27 maart 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.