Gezagsuitoefening
Beschikking op het op 16 januari 2026 ingekomen verzoek van:
[de vader] ,
de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. A.P. van Stralen te Utrecht.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:
[de moeder] ,
de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. M.Y.M. Renken te Zoeterwoude.
Procedure
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
De minderjarige [de minderjarige 1] heeft zich schriftelijk uitgelaten over het verzoek.
Op 27 februari 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:
Feiten
- [de minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2015 te [geboorteplaats 1] ,
- [de minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2018 te [geboorteplaats 2] ,
- Bij beschikking van 15 augustus 2024 heeft deze rechtbank beslissingen genomen over de echtscheiding, de voorlopige zorgregeling, de kinder- en partneralimentatie, de verdeling van de algehele gemeenschap van goederen en het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning. De rechtbank heeft verder aan de moeder vervangende toestemming verleend om a) ID-kaarten voor de kinderen aan te vragen, b) de kinderen in te schrijven op de [BSO] dan wel een andere BSO in de regio Leiden, op de momenten dat de kinderen bij de vrouw verblijven en zij aan het werk is, c) de kinderen in gesprek te laten gaan met een psycholoog, waarbij de vrouw iemand mag uitzoeken, mits het een psycholoog is die gespecialiseerd is in hulpverlening aan kinderen in echtscheidingssituaties. De rechtbank heeft ten aanzien van de zorgregeling bepaald dat voor [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] voorlopig een zorgregeling zal gelden inhoudende dat de kinderen in de ene week van maandag uit school tot de maandagochtend naar school bij de vrouw en in de andere week van maandag uit school tot de maandag erop naar school bij de man zullen verblijven. De rechtbank heeft verder de Raad voor de Kinderbescherming (RvdK) verzocht om een onderzoek in te stellen, daarover te rapporteren en de rechtbank van advies te voorzien bij de volgende vragen:
- Welke gezagssituatie is in het belang van de kinderen?
- Welke hoofdverblijfplaats is in het belang van de kinderen?
- Welke zorgregeling is in het belang van de kinderen?
- Is verdere hulpverlening voor de ouders en/of de kinderen noodzakelijk en zo ja, welke hulpverlening?
Iedere verdere beslissing ten aanzien van het gezag, de hoofdverblijfplaats, de zorgregeling en de proceskosten is aangehouden in afwachting van het rapport van de RvdK.
- Bij beschikking van deze rechtbank van 22 april 2025 is – voor zover hier van belang – bepaald:
- dat de minderjarigen de hoofdverblijfplaats bij de moeder hebben en op haar adres ingeschreven zullen staan;
- dat de kinderen in de oneven weken bij de moeder zijn van maandag uit school/BSO tot de maandag erop naar school/BSO, en in de even weken bij de vader van maandag uit school tot de maandag erop naar school, waarbij geldt dat de vader de kinderen in de oneven weken niet uit school of van de BSO mag ophalen;
- een verdeling van de vakanties en feestdagen.
- Het gerechtshof Den Haag heeft de beschikking van 22 april 2025 op 18 juni 2025 vernietigd ten aanzien van de kinderalimentatie en voor het overige bekrachtigd.
Verzoek en verweer
De vader verzoekt te bepalen:
- dat de moeder gehouden is de minderjarigen in haar zorgweken daadwerkelijk in de gelegenheid te stellen deel te nemen aan alle reguliere trainingen, wedstrijden en teamactiviteiten van hun sportverenigingen, conform de geldende clubroosters;
subsidiair: indien de moeder zelf op een specifiek moment niet in staat zou zijn, de vader in staat stellen de kinderen te faciliteren volgens beproefde ‘contactloze’ methode;
uiterlijk drie dagen vóór een training of wedstrijd (via de reguliere kanalen, clubapps en appgroepen), tenzij sprake is van een plotselinge medische noodsituatie;
voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
De moeder voert verweer en verzoekt zelfstandig de vader te veroordelen in de proceskosten.
Beoordeling
Verplichtingen moeder en dwangsom
De vader verzoekt meerdere gedragsmaatregelen waaraan de moeder zich moet houden. Reden hiervoor is dat hij het belangrijk vindt dat de moeder [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] in de gelegenheid stelt om ook in haar zorgweken aan álle sportmomenten deel te nemen. Volgens de vader is dat nu niet het geval. Dit is niet in het belang van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] . Er zijn geen objectieve belemmeringen die maken dat [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] niet op alle sportmomenten aanwezig kunnen zijn. De vader vindt daarom dat de moeder verplicht moet worden om deze sportactiviteiten te faciliteren. Een dwangsom is nodig om te zorgen dat het voorgaande wordt nagekomen.
De moeder voert verweer tegen de verzoeken van de vader. Uitgangspunt is dat tussen de ouders parallel solo ouderschap geldt, maar de vader probeert zich alsnog te bemoeien met de zorgmomenten van de moeder. Overigens is de wettelijke grondslag van de verzoeken onduidelijk. In ieder geval is feitelijk onjuist dat de moeder de sport voor de kinderen niet faciliteert. Er is dus geen wijziging van omstandigheden die maakt dat opnieuw een uitspraak over dit onderwerp nodig is. De vader is om al deze redenen niet-ontvankelijk.
De moeder benadrukt dat zij niet langer wil procederen over de sport van de kinderen. De rechtbank en het Hof hebben een beschikking gewezen. De moeder houdt zich aan de beschikkingen en zij vindt dat de vader dat ook moet doen. De vader moet zich niet langer met haar zorgweken bemoeien.
De rechtbank oordeelt dat op dit moment, zoals door de moeder is aangevoerd, geen sprake is van een relevante wijziging van omstandigheden die maakt dat de rechtbank opnieuw over hetzelfde onderwerp moet beslissen. De rechtbank overweegt in dat verband dat wat de vader in dat kader heeft gesteld, namelijk dat hij inmiddels niet meer de coach of trainer van de kinderen is, niet relevant is. Ongewijzigd is dat de communicatie tussen partijen slecht is. In dat verband is eerder door de rechtbank besloten dat de ouders zich niet moeten bemoeien met de invulling door de andere ouder van de zorgregeling en de buitenschoolse activiteiten. Deze uitspraak is door het Hof bekrachtigd. Nu voor het overige geen relevante wijziging van omstandigheden is gebleken, zal de rechtbank de vader niet-ontvankelijk verklaren.
Proceskosten
Partijen verzoeken over en weer de ander in de proceskosten te veroordelen.
De rechtbank overweegt dat in verzoekschriftprocedures tussen ex-partners terughoudend wordt omgegaan met een proceskostenveroordeling. Als hoofdregel geldt dan ook dat de proceskosten worden gecompenseerd, dus dat iedere partij zijn eigen kosten draagt.
Slechts in uitzonderlijke gevallen wordt van deze hoofdregel afgeweken.
Op grond van vaste jurisprudentie geldt dat voor een proceskostenveroordeling evident sprake moet zijn van het nodeloos in rechte betrekken van een wederpartij. De rechtbank is van oordeel dat in casu sprake is van zo'n uitzonderlijk geval.
De rechtbank overweegt daartoe als volgt. Zoals ter zitting voorgehouden dient de vader zich aan gerechtelijke uitspraken te houden. De vader heeft op zitting laten merken dat als hij geen gelijk krijgt, hij het in het belang van de kinderen vindt om anders te handelen dan de rechtbank besloten heeft. De rechtbank acht deze hardnekkigheid niet acceptabel en een proceskostenveroordeling daarom aan de orde. Nu de vader na een duidelijke uitspraak alsnog is gaan procederen, en aannemelijk is dat dit zonder geldelijk signaal doorgaat, ziet de rechtbank aanleiding om af te wijken van de hoofdregel.
De rechtbank is uit de stukken gebleken dat de eigen bijdrage van de moeder aan haar advocaat € 379,- bedraagt. Samen met het griffierecht van € 93,-, begroot de rechtbank haar proceskosten daarom op € 472,-. De rechtbank zal bepalen dat de vader deze kosten aan de moeder moet voldoen.
Beslissing
De rechtbank:
verklaart de vader niet ontvankelijk in zijn verzoeken;
veroordeelt de vader in de kosten van deze procedure, tot op heden aan de zijde van de moeder begroot op € 93,- aan griffierecht en € 379,- aan eigen bijdrage, aan de moeder te voldoen;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.