ECLI:NL:RBDHA:2026:10751

ECLI:NL:RBDHA:2026:10751

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 27-03-2026
Datum publicatie 07-05-2026
Zaaknummer C/09/684264 / FA RK 25-3134
Rechtsgebied Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Den Haag

Samenvatting

Gezag, zorg-/omgangsregeling, informatieregeling. Erkenning Zuid-Koreaanse uitspraken over echtscheiding en gezag/omgang.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Enkelvoudige kamer

Rekestnummer: FA RK 25-3134 (bodem), FA RK 25-8475 (voorlopige voorzieningen)

Zaaknummer: C/09/684264 (bodem), C/09/694371 (voorlopige voorzieningen)

Datum beschikking: 27 maart 2026

Gezag, zorg-/omgangsregeling, informatieregeling

Beschikking op het op 18 april 2025 ingekomen verzoek van:

[de vader] ,

de vader,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

advocaat: mr. S. Kievit te Breda.

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de moeder] ,

de moeder,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

advocaat: mr. M.T. Wernsen te Voorburg.

Procedure

De rechtbank heeft kennis genomen van de stukken, waaronder:

- het verzoekschrift in de bodemprocedure;

- het verzoekschrift in de voorlopige voorzieningen;

- het verweerschrift tevens zelfstandig verzoek.

Op 20 februari 2026 is de zaak op een zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:

Feiten

- Partijen zijn gehuwd geweest van [datum 1] 2018 tot [datum 2] 2023.

- Zij zijn de ouders van het volgende nog minderjarige kind:

- [de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2020 te [geboorteplaats] , Zuid-Korea;

- Bij beschikking van het Familiy Court te Daegu, Zuid-Korea van 20 juli 2023 is – voor zover van belang:

­ de echtscheiding tussen partijen uitgesproken;

­ de moeder belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige] ;

­ een omgangsregeling vastgesteld, waarbij de vader contact heeft met [de minderjarige] :

1) gedurende het verblijf van de vader in Nederland:

a. via videobellen gedurende 30 minuten tussen 20.00 uur en 21.00 uur op de eerste, derde en vijfde zaterdag van elke maand en tijdens Chinees nieuwjaar, de ‘Chuseok’-feestdag, op [de minderjarige] ’s verjaardag, Kerst en ‘Children’s Day’;

b. op het moment dat [de minderjarige] naar de basisschool gaat: tijdens een schoolvakantie gedurende veertien nachten en vijftien dagen bij de vader in Nederland;

2) op het moment dat de vader (tijdelijk) in Zuid-Korea is:

a. totdat [de minderjarige] zes jaar is: elke zaterdag of zondag van 11.00 uur tot 19.00 uur;

b. vanaf het moment dat [de minderjarige] zes jaar is: elke zaterdag van 11.00 uur tot zondag 19.00 uur,

waarbij de vader in ieder geval één maand van tevoren bij de moeder aangeeft dat hij naar Zuid-Korea komt, bij de moeder thuis of een door partijen samen gekozen plaats.

a. elke tweede en vierde zaterdag van de maand van 11.00 uur tot 17.00 uur;

b. op een doordeweekse dag een videobelmoment van 20 minuten;

c. tijdens haar verjaardag, op ‘Children’s Day’, Kerst, de eerste schooldag en de dag van de diploma-uitreiking (‘graduation day’) een videobelmoment van 30 minuten;

­ vanaf 1 januari 2026 tot 31 december 2026:

a. elke tweede zaterdag van iedere maand van 11.00 uur tot 17.00 uur;

b. elke vierde zaterdag van de maand van zaterdag 11.00 uur tot zondag 17.00 uur;

c. op een doordeweekse dag een videobelmoment van 20 minuten;

d. tijdens haar verjaardag, op ‘Children’s Day’, Kerst, de eerste schooldag en de dag van de diploma-uitreiking (‘graduation day’) een videobelmoment van 30 minuten;

­ vanaf 1 januari 2027 tot het moment waarop [de minderjarige] meerderjarig wordt:

a. op de tweede en vierde zaterdag van elke maand van zaterdag 11.00 uur tot zondag 17.00 uur;

b. op een doordeweekse dag gedurende een videobelmoment van 20 minuten;

c. gedurende één week in de zomervakantie indien de ouders hierover overeenstemming hebben en vanaf het moment dat [de minderjarige] zes jaar is;

d. tijdens haar verjaardag, op ‘Children’s Day, Kerst, de eerste schooldag en de dag van de diploma-uitreiking (‘graduation day’) een videobelmoment van 30 minuten.

- De vader, de moeder en [de minderjarige] hebben alle drie de Zuid-Koreaanse nationaliteit.

Verzoek en verweer

In de bodemprocedure (C/09684264)

De vader verzoekt:

­ om het weekend van vrijdag uit school tot zondag 18.00 uur;

­ in de weken dat [de minderjarige] in het weekend niet bij de vader is: eenmalig na schooltijd tot 19:00 uur op dezelfde dag;

en waarbij de vader [de minderjarige] bij de moeder ophaalt en de moeder [de minderjarige] weer bij de vader ophaalt;

een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad en kosten rechtens.

De vader doet zijn verzoek steunen op de stelling dat de omstandigheden na dagtekening van voormelde beschikking zijn gewijzigd.

De moeder heeft verweer gevoerd, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken en verzoekt:

een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.

In de voorlopige voorzieningen (C/09/694371)

De vader verzoekt een voorlopige omgangsregeling vast te stellen, in die zin dat [de minderjarige] om het weekend van vrijdag na school tot zondag 18.00 uur bij de vader verblijft, en in de weken dat [de minderjarige] in het weekend niet bij de vader is op woensdag na school tot 19.00 uur, waarbij de vader [de minderjarige] uit school haalt en de moeder [de minderjarige] weer bij de vader ophaalt, een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad en kosten rechtens.

De moeder heeft verweer gevoerd, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.

Beoordeling

I. Rechtsmacht en toepasselijk recht

Nu de gewone verblijfplaats van [de minderjarige] in Nederland is, is de Nederlandse rechter bevoegd om naar Nederlands recht te beslissen op de voorliggende verzoeken.

Voorlopige voorzieningen

Op grond van het eerste lid van artikel 223 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) kan iedere partij tijdens een aanhangig geding vorderen dat de rechter een voorlopige voorziening zal treffen voor de duur van het geding. De rechtbank heeft de bodemprocedure tegelijk behandeld met het verzoek om voorlopige voorzieningen. Omdat in de bodemprocedure beslissingen zullen worden genomen, heeft de vader geen belang meer bij het vaststellen van voorlopige voorzieningen. De rechtbank zal dit verzoek daarom afwijzen.

Erkenning Koreaanse uitspraken

De rechtbank ziet zich allereerst voor de vraag gesteld of de rechterlijke uitspraken die in Zuid-Korea zijn gedaan zich lenen voor erkenning in Nederland. Door de moeder is ook verzocht om dit vast te stellen. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen de uitspraak inzake de echtscheiding van 20 juli 2023 en de daarin opgenomen beslissingen over [de minderjarige] en de uitspraak over de wijziging van de omgangsregeling van 9 januari 2025.

Uitspraak inzake de echtscheiding met nevenvoorzieningen (20 juli 2023)

Artikel 10:57 van het Burgerlijk Wetboek (BW) bepaalt dat een in het buitenland na een behoorlijke rechtspleging verkregen ontbinding van het huwelijk in Nederland wordt erkend, indien zij tot stand is gekomen door de beslissing van een rechter of andere autoriteit en indien aan die rechter of andere autoriteit daartoe rechtsmacht toekwam.

Op grond van artikel 840 van het Koreaans Burgerlijk Wetboek is voor een echtscheiding een verzoek bij een familierechtbank vereist. Door de vader is een (beëdigde vertaling van) een uitspraak van een Zuid-Koraanse familierechtbank inzake de echtscheiding overgelegd. Naar oordeel van de rechtbank kan daarmee worden vastgesteld dat de echtscheiding tot stand is gekomen door een beslissing van een rechter die daartoe rechtsmacht toekwam. Verder is ook gebleken dat beide partijen betrokken zijn geweest in de echtscheidingsprocedure. Daardoor is sprake geweest van een behoorlijke rechtsgang. De rechtbank komt daarom tot de conclusie dat de echtscheiding in Zuid-Korea zich leent voor erkenning in Nederland.

Vervolgens is het de vraag of de beslissingen over [de minderjarige] uit de echtscheidingsbeslissing ten aanzien van – voor zover in deze procedure van belang – het gezag en de omgangsregeling zich ook lenen voor erkenning in Nederland. Zowel Nederland als Zuid-Korea zijn aangesloten bij het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996 (HKBV). In artikel 23 van het HKBV is – voor zover relevant – opgenomen:

Artikel 23

De door de autoriteiten van een Verdragsluitende Staat genomen maatregelen worden van rechtswege in alle andere Verdragsluitende Staten erkend.

Erkenning kan evenwel worden geweigerd:

a. indien de maatregel is genomen door een autoriteit wiens bevoegdheid niet was gebaseerd op een van de in hoofdstuk II bedoelde gronden (…).

Naar oordeel van de rechtbank moeten op basis van het aangehaalde artikel de beslissingen over het gezag en de omgangsregeling uit de Zuid-Koreaanse uitspraak van 20 juli 2023 worden erkend. De Zuid-Koreaanse rechter was op grond artikel 5 van het HKBV (opgenomen in hoofdstuk II van het verdrag) bevoegd, omdat [de minderjarige] op dat moment haar gewone verblijfplaats in Zuid-Korea had. Ook van de overige in artikel 23 opgenomen uitzonderingsgevallen is niet gebleken. Dit betekent dat de beslissing van de Zuid-Koreaanse rechtbank over het gezag en de omgangsregeling in Nederland wordt erkend.

Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het verzoek van de moeder om erkenning van de uitspraak van 9 januari 2025 van het Uijeongbu District Court te Zuid-Korea, toewijzen.

Uitspraak inzake de wijziging van omgangsregeling (9 januari 2025)

De rechtbank moet ten aanzien van de uitspraak van de Zuid-Koreaanse rechtbank inzake de wijziging van de omgangsregeling van 9 januari 2025 eveneens beoordelen of deze zich voor erkenning leent. Hierbij neemt de rechtbank opnieuw artikel 23 HKBV als uitgangspunt. Zoals in het voorgaande ook benoemd, kan erkenning worden geweigerd indien de bevoegdheid van de rechter niet was gegrond op een van de artikelen 5 tot en met 10 HKBV genoemde gronden. Anders dan ten aanzien van de eerdere beslissingen over [de minderjarige] , is de rechtbank van oordeel dat de Zuid-Koreaanse rechter in dit geval niet bevoegd was om een beslissing te nemen. Uit de stukken en dat wat op de zitting is besproken, is namelijk gebleken dat aan de moeder en [de minderjarige] in november 2023 een verblijfsvergunning is verleend voor een verblijf in Nederland op basis van gezinshereniging met de nieuwe partner van de moeder. [de minderjarige] is vervolgens op 8 november 2023 op een Nederlands adres ingeschreven in de basisregistratie personen (BRP). In maart 2024 is zij in Nederland gestart op de basisschool. De moeder heeft daarbij toegelicht dat de intentie daarbij was om zich definitief in Nederland te vestigen. De gewone verblijfplaats van [de minderjarige] was daarmee op het moment van de uitspraak in januari 2025 niet meer in Zuid-Korea, maar in Nederland.

Dit brengt mee dat de Zuid-Koreaanse rechter op grond van artikel 5 HKBV niet bevoegd was om van het verzoek tot wijziging van de omgangsregeling kennis te nemen. De artikelen 6 tot en met 10 HKBV leiden evenmin tot bevoegdheid van de Zuid-Koreaanse rechter. Nu de Zuid-Koreaanse rechter niet bevoegd was, is de Zuid-Koreaanse uitspraak van 9 januari 2025 niet voor erkenning vatbaar. Het verzoek van de moeder hiertoe zal daarom worden afgewezen.

Gezag

De vader heeft verzocht om hem (opnieuw) te belasten met het gezag over [de minderjarige] . Volgens hem is de situatie gewijzigd ten opzichte van de echtscheidingsbeschikking, omdat de moeder en [de minderjarige] op dat moment in Zuid-Korea woonden. De vader heeft toen, met name gelet op de afstand, ingestemd met het eenhoofdig gezag voor de moeder. Inmiddels is dat anders: zowel de vader als de moeder en [de minderjarige] wonen in Nederland. De vader wil meer betrokken zijn bij [de minderjarige] . Hoewel hij erkent dat de communicatie tussen partijen niet altijd soepel loopt, doet dit zich volgens hem enkel voor wanneer de moeder zich niet houdt aan de omgangsregeling. Dat leidt er echter niet toe dat partijen het gezag niet gezamenlijk kunnen uitoefenen. De vader vreest daarnaast dat de moeder (weer) zal verhuizen. Als hij geen gezag heeft, is hij ook niet betrokken bij een dergelijke beslissing.

De moeder is het niet eens met verzoek van de vader. Het lukt haar niet om constructief met de vader te communiceren en zij verwacht dat [de minderjarige] klem en verloren zal raken bij gezamenlijk gezag. De moeder heeft geen vertrouwen in de vader en hij heeft geen vertrouwen in haar, terwijl een vertrouwensband naar haar mening een noodzakelijke basis is voor gezamenlijk gezag.

De rechtbank overweegt als volgt. Artikel 1:253o BW bepaalt dat beslissingen waarbij een ouder alleen met het gezag is belast op verzoek van de ouders of van een van hen door de rechtbank kunnen worden gewijzigd op de grond dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd, of dat bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. Uitgangspunt hierbij is dat de situatie sinds de beslissing van de rechter zodanig veranderd is, dat het niet langer in het belang van het kind is om het eenhoofdig gezag te handhaven. Hoewel de rechtbank met de vader van oordeel is dat de situatie is veranderd ten opzichte van de Koreaanse beslissing over het gezag, leidt dit er niet toe dat de ouders (opnieuw) gezamenlijk met het gezag moeten worden belast. De rechtbank vindt het in het belang van [de minderjarige] dat (voor nu) de moeder alleen met het gezag blijft belast. Daarbij neemt de rechtbank ook de vereisten die in het algemeen gelden bij het verkrijgen van het gezag (waaronder het klem-en-verloren-criterium) mee in haar beoordeling. Uit de stukken en dat wat op de zitting is besproken, leidt de rechtbank af dat de communicatie tussen partijen ernstig te wensen overlaat. Het lukt hen niet om afspraken te maken en in de afgelopen jaren hebben verschillende procedures over [de minderjarige] plaatsgevonden. De ouders wantrouwen elkaar sterk: de vader vreest dat de moeder het contact met [de minderjarige] zal blijven beperken en de moeder heeft onvoldoende vertrouwen in de opvoedvaardigheden van de vader. Zij maken daarbij continu verwijten naar elkaar, zo is ook op de zitting gebleken. Zoals ook door de Raad is benoemd, ontbreekt een gezamenlijke visie op het ouderschap. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat de verwachting bestaat dat [de minderjarige] bij gezamenlijk gezag klem zal komen te zitten. De rechtbank wijst het verzoek van de vader tot gezamenlijk gezag daarom af.

De rechtbank merkt hierbij wel op dat indien de communicatie en het vertrouwen tussen de ouders verbetert, op termijn mogelijk wel ruimte kan ontstaan voor gezamenlijk gezag.

De vader vreest dat de moeder opnieuw naar het buitenland zal verhuizen. De rechtbank benadrukt dat een dergelijke verhuizing ook bij eenhoofdig gezag een inbreuk op het omgangsrecht van de vader kan betekenen en dat de moeder daarom niet zonder meer naar het buitenland zal kunnen verhuizen.

Omgangsregeling

Aangezien het verzoek van de vader inzake het gezamenlijk gezag wordt afgewezen, spreekt de rechtbank in het navolgende over een omgangsregeling.

Wijziging van omstandigheden

De rechtbank is gebleken dat na de voormelde vaststelling van een omgangsregeling door de rechtbank in Zuid-Korea op 20 juli 2023 de omstandigheden zijn gewijzigd. Gebleken is dat de moeder na deze uitspraak met [de minderjarige] naar Nederland is verhuisd, zodat de rechtbank reeds hierin een wijziging van omstandigheden ziet. Omdat de Koreaanse uitspraak van 9 januari 2025 niet wordt erkend, is het niet relevant of de omstandigheden ten opzichte van deze uitspraak zijn gewijzigd. De vader en de moeder zijn daarom ontvankelijk in hun verzoeken tot wijziging van de omgangsregeling.

Inhoudelijke beoordeling

Hoewel in het voorgaande is gebleken dat de uitspraak van 9 januari 2025 uit Zuid-Korea niet voor erkenning in aanmerking komt, hebben partijen de hierin opgenomen omgangsregeling in de praktijk wel uitgevoerd. [de minderjarige] verbleef daarbij steeds om het weekend op zaterdag bij de vader. Volgens deze omgangsregeling zou [de minderjarige] vanaf januari één keer per maand 2026 bij de vader zou moeten gaan overnachten. De moeder heeft hieraan echter haar medewerking geweigerd, omdat [de minderjarige] volgens haar na de omgangsmomenten afwijkend gedrag vertoont en zorgwekkende uitspraken doet. [de minderjarige] is ook gewend om bij de moeder (in bed) te slapen en zij is bang dat de vader haar ’s nachts niet zal kunnen kalmeren, aldus de moeder. De vader wil juist een uitgebreidere omgangsregeling met [de minderjarige] en zo snel mogelijk starten met overnachtingen, om zo een goede band te kunnen opbouwen, juist omdat hij langere tijd geen contact met [de minderjarige] heeft gehad.

Evenals de Raad is de rechtbank van oordeel dat de huidige omgangsregeling te beperkt is en dat deze moet worden uitgebreid. De rechtbank ziet daarbij in hetgeen door de moeder is aangevoerd geen reden om de overnachtingen bij de vader uit te stellen. Het is gelet op deze zorgen juist van belang dat zij meer contact heeft met de vader, zo is door de Raad op de zitting uitgelegd. Daarbij moet wel een opbouw plaatsvinden, zodat [de minderjarige] kan wennen om steeds wat langer bij de vader te zijn. Daarbij is het ook van belang om de vragen van [de minderjarige] over haar situatie, waarbij ze zowel bij de moeder als bij de vader een ‘thuis’ zal hebben, op een leeftijdsadequate manier te beantwoorden.

Gelet op hierop zal de rechtbank een omgangsregeling vaststellen, waarbij [de minderjarige] allereerst op zaterdag overdag langer bij de vader zal zijn. In de meivakantie 2026 zal zij vervolgens voor het eerst een nacht bij de vader slapen, waarna [de minderjarige] om de week bij de vader gaat slapen en uiteindelijk tot zondag 17.00 uur bij hem verblijft. De moeder (of haar partner) zal daarbij steeds [de minderjarige] naar de vader brengen en de vader brengt [de minderjarige] weer terug bij de moeder thuis. Het verzoek van de vader om [de minderjarige] ook doordeweeks een dag na schooltijd bij de vader te laten zijn, zal de rechtbank afwijzen. De rechtbank vindt dit – gelet op de reisafstand en de jonge leeftijd van [de minderjarige] – op dit moment te onrustig voor haar.

Ten aanzien van het verzoek van de vader om een verdeling van de vakanties en de feestdagen, zal de rechtbank een regeling vaststellen, waarbij [de minderjarige] in de zomervakantie van 2026 een week bij de vader verblijft, alsmede de helft van de herfstvakantie en een week in de kerstvakantie. Vanaf 2027 zal [de minderjarige] in de zomervakantie twee weken bij de vader verblijven en voor het overige conform het verzoek tot verdeling van de vakanties en feestdagen van de vader, nu door de moeder hiertegen geen inhoudelijk verweer is gevoerd. Voor de feestdagen in 2026 geldt dat de rechtbank deze niet in de door haar vastgestelde opbouwregeling vindt passen. De verzoeken van de vader op dat punt worden daarom afgewezen.

Informatieregeling

De vader heeft tot slot verzocht om de vaststelling van een informatieregeling. De moeder heeft hiertegen geen bezwaar. De rechtbank zal een informatieregeling vaststellen, met dien verstande dat zij een frequentie van één keer per kwartaal voldoende vindt, mede gelet op de vast te stellen omgangsregeling. De rechtbank vindt het van belang dat de moeder – als gezagsdragende ouder – de vader op de hoogte houdt over de ontwikkeling van [de minderjarige] , medische aangelegenheden, school, sport of andere hobby’s, interesses, sociale activiteiten, et cetera. Van de moeder wordt verwacht dat zij de vader steeds per e-mail zal informeren. Op deze manier is de vader niet alleen op de hoogte van [de minderjarige] , maar heeft hij ook de mogelijkheid om zoveel mogelijk aan te sluiten bij haar belevingswereld en behoeften.

Proceskosten

Gelet op het feit dat het hier een procedure van familierechtelijke aard betreft, zal de rechtbank de proceskosten compenseren als hierna vermeld. De rechtbank ziet in hetgeen door de moeder is aangevoerd ten aanzien van een proceskostenveroordeling, geen aanleiding om van dit uitgangspunt af te wijken.

Beslissing De rechtbank – met wijziging in zoverre van de beschikking van het Familiy Court te Daegu, Zuid-Korea van 20 juli 2023 –:

verklaart voor recht dat de beschikking van het Family Court te Daegu, Zuid-Korea van 20 juli 2023 voor erkenning in aanmerking komt, zowel ten aanzien van de echtscheiding als het gezag en de omgangsregeling;

wijst het verzoek van de vader om hem mede met het gezag te belasten af;

bepaalt dat de minderjarige: [de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2020 te [geboorteplaats] , Zuid-Korea, bij

de vader zal zijn:

vanaf heden: om de week op zaterdag van 09.00 uur tot 17.00 uur;

vanaf het eerste weekend van de meivakantie (aldus 25 april 2026) en vervolgens

om de week van zaterdag 09.00 uur tot zondag 13.00 uur;

- vanaf 13 juni 2026: om de week van zaterdag 09.00 uur tot zondag 17.00 uur;

waarbij de moeder (of haar partner) [de minderjarige] steeds naar de vader brengt en de vader [de minderjarige] vervolgens weer terugbrengt bij de moeder;

stelt een verdeling van de schoolvakanties en feestdagen vast, waarbij [de minderjarige] :

in 2026:

in de zomervakantie 2026 een week (zeven dagen) bij de vader verblijft, waarbij de ouders in onderling overleg zullen bepalen welke week dit is;

in de herfstvakantie 2026 de helft van de herfstvakantie bij de vader verblijft, waarbij de ouders in onderling overleg zullen bepalen welk deel dit is;

in de kerstvakantie 2026/2027 een week bij de vader verblijft;

vanaf 2027 :

in de voorjaarsvakantie in de even jaren bij de vader verblijft en de oneven jaren bij de moeder;

in de meivakantie één week bij elke ouder verblijft, in onderling overleg nader te bepalen;

in de zomervakantie: twee weken bij de vader en vier weken bij de moeder verblijft, in onderling overleg nader te bepalen;

in de herfstvakantie: in de oneven jaren bij de vader en in de even jaren bij de moeder verblijft;

tijdens Pasen: in de even jaren bij de vader en in de oneven jaren bij de moeder verblijft;

tijdens Hemelvaart: in de oneven jaren bij de vader en in de even jaren bij de moeder verblijft;

tijdens Pinksteren: in de oneven jaren bij de vader en in de even jaren bij de moeder verblijft;

tijdens Koningsdag: in de even jaren bij de vader en in de oneven jaren bji de moeder verblijft;

tijdens haar verjaardag conform de zorgregeling bij een ouder verblijft, waarbij de andere ouder haar mag bezoeken;

tijdens de verjaardag van de vader (15 januari) of moeder (1 mei) bij de betreffende ouder verblijft;

bepaalt dat de vrouw met ingang van heden de man eens per kwartaal per e-mail informatie zal verschaffen over de ontwikkeling en het welzijn van en de ontwikkeling van [de minderjarige] ;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. E. Boot, kinderrechter, bijgestaan door mr. S.B. Boekema als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 27 maart 2026.

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. S.B. Boekema

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand