[eiseres 1] , eiseres 1, V-nummer: [V-nummer 1]
[eiseres 2] , eiseres 2, V-nummer: [V-nummer 2]
[eiser] , eiser, V-nummer: [V-nummer 3]
hierna gezamenlijk te noemen: eisers
(gemachtigde: mr. P.R. van de Water),
en
de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigden: mr. J.G.R. Becker en [gemachtigde] ).
Inleiding
In drie afzonderlijke besluiten van 3 juni 2024 (de bestreden besluiten) heeft verweerder de asielaanvragen van eisers afgewezen als ongegrond.
Eisers hebben beroep ingesteld tegen de bestreden besluiten.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Eisers hebben aanvullende beroepsgronden ingediend en de rechtbank verzocht de behandeling van de beroepen aan te houden in afwachting van medisch onderzoek naar eiseres 1 door het instituut voor Mensenrechten en Medisch Onderzoek (iMMO).
Verweerder heeft een aanvullend verweerschrift ingediend en de rechtbank verzocht de beroepen niet aan te houden.
De rechtbank heeft de beroepen aangehouden in afwachting van de rapportage van iMMO, en de geplande zitting van 12 december 2024 verdaagd.
Eisers hebben een iMMO-rapportage overgelegd, alsmede een vluchtverhaalanalyse van VluchtelingenWerk Nederland (VWN) en een USB-stick met videobeelden en een schriftelijke beschrijving van die beelden.
Verweerder heeft een aanvullend verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft de beroepen op 22 april 2026 op een zitting behandeld in Breda. Eisers zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Als tolk is verschenen [naam] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [gemachtigde] .
Beoordeling door de rechtbank
Feiten
1. Eisers zijn geboren op respectievelijk [datum 1] 1991, [datum 2] 1969 en [datum 3] 2003 en hebben de Iraakse nationaliteit. Zij hebben op 29 september 2022 asiel aangevraagd in Nederland. Eiseres 1 heeft daarbij verklaard dat zij een geheime liefdesrelatie had en dat haar vader en ooms het daar absoluut niet mee eens waren. Eiseres 2 is de moeder van eiseres 1. Zij heeft verklaard dat ook zij een geheime liefdesrelatie had waar diezelfde familieleden, haar ex-man en zwagers, het eveneens absoluut niet mee eens waren. Eiser, de broer van eiseres 1 en de zoon van eiseres 2, heeft verklaard dat deze familieleden het er verder absoluut niet mee eens waren dat hij contact onderhield met zijn zus en moeder. Volgens eisers zijn zij om deze redenen herhaaldelijk met de dood bedreigd en op 6 juni 2017 beschoten.
2. In de bestreden besluiten heeft verweerder de asielaanvragen van eisers afgewezen als ongegrond op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Verweerder heeft de door eisers gestelde identiteit, nationaliteit en herkomst geloofwaardig geacht. Verweerder heeft de door eisers gestelde bedreigingen door de familieleden en terroristen echter ongeloofwaardig geacht, omdat eisers dit niet hebben onderbouwd met documenten en hierover vage, summiere en inconsistente verklaringen hebben afgelegd. Evenmin heeft verweerder geloofwaardig geacht dat eiseres 1 en eiseres 2 in Irak kunnen worden aangemerkt als alleenstaande vrouwen.
Standpunten
3. Eisers zijn het niet eens met de bestreden besluiten. Zij voeren aan dat zij een plausibele uitleg hebben gegeven voor het ontbreken van documenten. Ook voeren zij aan dat verweerder ten onrechte aan hen tegenwerpt dat zij vaag, summier en inconsistent hebben verklaard. Daarbij stellen eisers dat verweerder te weinig aandacht heeft besteed aan de door hen overgelegde correcties en aanvullingen op de gehoorrapporten, en aan de medische adviezen aan verweerder van MediFirst over eiseres 1 en eiseres 2. Ook wijzen eisers erop dat hetzelfde relaas in de asielzaak van een andere broer van eiseres 1 wel geloofwaardig is geacht. Daarnaast voeren eisers aan dat verweerder ten onrechte niet heeft onderkend dat eiseres 1 en eiseres 2 als alleenstaande vrouwen in Irak gevaar lopen. In aanvulling hierop stellen eisers dat de iMMO-rapportage over eiseres 1, de vluchtverhaalanalyse van VWN en de videobeelden op de USB-stick ondersteunen dat hun relaas geloofwaardig is.
4. Verweerder stelt zich in de verweerschriften op het standpunt dat de bestreden besluiten juist zijn. Niet valt in te zien waarom eisers een deel van de door hen zelf benoemde documenten niet hebben overgelegd. Er heeft een deugdelijke geloofwaardigheidsbeoordeling plaatsgevonden waarbij de correcties en aanvullingen zijn betrokken. Uit de MediFirst-adviezen volgt niet dat eisers niet adequaat zouden kunnen verklaren. Het relaas van de andere broer is slechts geloofwaardig geacht om redenen van efficiëntie, aangezien hij vanwege de coronacrisis niet goed kon worden gehoord. Het stuk van VWN is te algemeen om de individuele situaties van eisers aannemelijk te maken. Het iMMO-rapport over eiseres 1 is geen aanleiding voor een ander oordeel omdat er in dit rapport te weinig individualisering plaatsvindt, omdat eiseres 1 andere verklaringen bij iMMO heeft afgelegd dan bij verweerder en omdat iMMO deze ten onrechte voor waar aanneemt. Daarnaast zijn de conclusies niet inzichtelijk en kan niet met zekerheid worden gezegd dat de bij eiseres 1 vastgestelde klachten zijn veroorzaakt door wat zij in haar asielrelaas naar voren heeft gebracht, en evenmin dat haar klachten van invloed zijn geweest op het adequaat kunnen verklaren. Verweerder heeft geen USB-stick met videobeelden ontvangen, maar deze beelden zijn tijdens de zitting op een zogeheten standalone-computer van de rechtbank bekeken. Volgens verweerder zijn deze beelden geen aanleiding voor een ander oordeel omdat daaruit niet kan worden afgeleid wanneer de beelden gemaakt zijn en wie er daarop te zien zijn.
De rechtbank oordeelt als volgt.
Documenten
5. Op grond van artikel 4 van de Kwalificatierichtlijn (2011/95/EU), overgenomen in artikel 31 van de Vw, wordt van een asielzoeker verlangd dat hij relevante documentatie overlegt. Als deze ontbreekt, moet worden beoordeeld of daarvoor een plausibele verklaring bestaat en of de asielzoeker samenhangende en aannemelijke verklaringen heeft afgelegd over zijn asielrelaas.
6. Eisers hebben een schuldigverklaring en een strafmaat van de Iraakse rechtbank van 3 december 2018 overgelegd. Anders dan eisers aanvoeren, heeft verweerder niet ten onrechte overwogen dat deze stukken hun relaas niet onderbouwen. Daarbij heeft verweerder er terecht op gewezen dat de namen van de verdachten niet degenen zijn die volgens eisers bij het schietincident op 6 juni 2017 aanwezig waren. Ook heeft verweerder er terecht op gewezen dat deze stukken niet duidelijk maken wat er op die datum is gebeurd, aangezien er alleen in algemene zin en zonder verdere toelichting wordt gesproken over huiselijk geweld.
7. Daarnaast heeft verweerder niet ten onrechte aan eisers tegengeworpen dat zij geen plausibele verklaring hebben gegeven voor het ontbreken van de andere documenten die zij in hun relaas benoemd hebben. Eisers hebben verklaard dat eiseres 1 en eiseres 2 na het schietincident in het ziekenhuis hebben verbleven, en dat zij diverse aangiftes hebben gedaan. Eisers hebben ook verklaard dat er van die ziekenhuisopnames en aangiftes documenten zijn opgemaakt en dat deze aan de Iraakse rechtbank zijn gestuurd. Aangezien eisers wel andere gerechtelijke documenten hebben overgelegd, heeft verweerder niet ten onrechte aan eisers tegengeworpen dat niet valt in te zien waarom deze documenten niet zijn overgelegd. Daarnaast hebben eisers verklaard dat zij elk beschikten over een smartphone. Verweerder heeft gelet daarop niet ten onrechte aan hen tegengeworpen dat het niet aannemelijk is dat zij geen enkel bewijs kunnen overleggen van de gestelde relaties van eiseres 1 en eiseres 2 en de gestelde bedreigingen die volgens eisers op deze telefoons zouden zijn ontvangen, desnoods via een clouddienst of een e-mailaccount.
Vermogen om te verklaren
8. Voordat kan worden getoetst of eisers ondanks het gedeeltelijk ontbreken van documenten hun relaas met verklaringen aannemelijk hebben gemaakt, moet worden beoordeeld of eisers op het moment van de gehoren met verweerder in staat waren om adequaat te verklaren. Uit de MediFirst-adviezen over eiseres 1 en eiseres 2 kan niet worden afgeleid dat dit niet het geval was. Daaruit blijkt namelijk alleen dat eiseressen hebben aangegeven niet in staat te zijn om exacte datums te benoemen. De tegenwerping van verweerder dat eisers vaag, summier en inconsistent hebben verklaard is echter niet gelegen in het niet kunnen benoemen van exacte datums. In aanvulling hierop oordeelt de rechtbank als volgt over het door eisers overgelegde iMMO-rapport.
9. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft in de uitspraak van 2 april 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1472, richtinggevende oordelen gegeven over het omgaan met iMMO-rapportages. Uit deze uitspraak volgt dat wetenschappelijk gezien niet met zekerheid kan worden gezegd dat psychische klachten die zijn gerelateerd aan geweld maken dat de betrokkene niet meer coherent en consistent kan verklaren. Dit is per persoon verschillend. Hoewel een iMMO-rapport een deskundigenadvies is, mag daarom worden verwacht dat er een op de persoon toegesneden beoordeling wordt gemaakt. In de leeswijzer van het iMMO van oktober 2025, die na deze Afdelingsuitspraak tot stand is gekomen, wordt uiteengezet dat het niet mogelijk is om precies aan te geven op welke manier de geconstateerde medische klachten een rol hebben gespeeld bij het verklaren tijdens de gehoren in de asielprocedure, die vaak veel eerder hebben plaatsgevonden. Wel kan volgens deze leeswijzer uitspraak worden gedaan over de vraag of de klachten van invloed kunnen zijn geweest op het vermogen om te verklaren (cursivering door de rechtbank).
10. In de iMMO-rapportage over eiseres 1 van 18 december 2025 wordt het volgende gerapporteerd. Het litteken aan het voorhoofd is 'typerend' voor het gestelde geweld (beschieting door de vader). Het litteken aan de rechterhand is 'consistent' met het gestelde geweld (duw door de vader waardoor eiseres 1 viel en met haar hand tegen de deur kwam). Het totaal van fysieke uitingen van stress, spanningen en angst is 'consistent' met het gestelde geweld. De duidelijk PTSS-gerelateerde psychische klachten zijn 'zeer consistent' met het gestelde geweld. Alle klachten samen zijn 'zeer consistent' met het gestelde geweld. Ten tijde van de asielgehoren was sprake van medische problematiek waarvan bekend is dat deze van belang kan zijn bij het afleggen van verklaringen. Eiseres 1 heeft niet alles aan verweerder willen vertellen omdat zij daardoor zeer angstig wordt.
11. De rechtbank is van oordeel dat dit rapport niet meebrengt dat eiseres 1 ten tijde van haar gehoren met verweerder niet in staat was om adequaat te verklaren. De conclusie van het iMMO dat eiseres 1 klachten had die van invloed kunnen zijn op het verklaren, betekent immers niet dat dit ook daadwerkelijk het geval was en laat de mogelijkheid open dat zij ondanks haar klachten in staat was om goed te verklaren. De rechtbank beziet dit in samenhang met wat hiervoor al over het MediFirst-advies is geoordeeld, en de omstandigheid dat uit de rapporten van de gehoren met eiseres 1 niet blijkt van communicatiestoringen. Daarnaast kan uit het iMMO-rapport worden afgeleid dat de fysieke en mentale klachten van eiseres 1 kunnen zijn veroorzaakt door het door haar gestelde asielrelaas, maar niet dat dit ook daadwerkelijk het geval is. De door verweerder tegengeworpen gebreken in de door eisers afgelegde verklaringen kunnen dan ook niet met deze rapportage worden gecompenseerd. Over die gebreken oordeelt de rechtbank als volgt.
Geloofwaardigheidsbeoordeling
12. Gelet op het voorgaande mocht verweerder zich bij het verrichten van de geloofwaardigheidsbeoordeling baseren op de verklaringen zoals die door eisers zijn afgelegd tijdens hun gehoren. Verweerder heeft niet ten onrechte aan eisers tegengeworpen dat zij niet inzichtelijk hebben gemaakt hoe de vader en ooms, tevens ex-man en zwagers, in staat waren om hen voortdurend in de gaten te houden, soms door tussenkomst van ingehuurde derden. De stelling van eisers dat het in de Iraakse cultuur niet gebruikelijk is om dit soort informatie met vrouwen te delen, maakt dit niet anders. Eiseres 1 heeft namelijk verklaard dat eiseres 2 hier wel weet van had, terwijl ook zij op dit punt niet inzichtelijk heeft verklaard. Daarnaast is hiermee niet opgehelderd waarom ook eiser als man hierover summier heeft verklaard. Ook heeft verweerder niet ten onrechte aan eisers tegengeworpen dat eiseres 1 en eiseres 2 vage verklaringen hebben afgelegd over hun minnaars, en dat eisers vage en summiere verklaringen hebben afgelegd over de bedreigingen die zij stellen te hebben ontvangen. Hierbij wordt terugverwezen naar de zienswijzen, terwijl niet wordt onderbouwd waarom de reactie van verweerder daarop in de bestreden besluiten niet deugdelijk zou zijn.
13. Hoewel verweerder in de zaken van eiseres 2 en eiser heeft verwezen naar de zaak van eiseres 1, heeft verweerder anders dan eisers aanvoeren de geloofwaardigheidsbeoordeling ook op eigen merites gestoeld. Zo heeft verweerder niet ten onrechte aan eiseres 2 tegengeworpen dat zij vaag en summier heeft verklaard over waar, wanneer en bij wie zij zou hebben verbleven na het gestelde schietincident. Ook heeft verweerder terecht aan eiser tegengeworpen dat hij tegenstrijdig heeft verklaard over zijn ontsnapping uit de kamer waar hij door zijn vader en ooms stelt te zijn opgesloten.
14. In aanvulling hierop kunnen eisers niet worden gevolgd in hun stelling dat verweerder te weinig gewicht heeft toegekend aan de correcties en aanvullingen. De correcties en aanvullingen ten aanzien van eiseres 2 en eiser zijn na de voornemens ingediend en worden niet expliciet in de beschikkingen ten aanzien van hen besproken. Dit is echter wel gebeurd in de beschikking ten aanzien van eiseres 1. Dusdoende heeft verweerder alle correcties en aanvullingen in de beoordeling betrokken. Verweerder heeft zich daarbij terecht op het standpunt gesteld dat de correcties en aanvullingen niet kunnen worden gevolgd, omdat daarin de tegenstrijdige verklaringen die eisers ten opzichte van elkaar tijdens de gehoren met verweerder hebben afgelegd worden aangepast, zonder toe te lichten waarom er in eerste instantie niet consistent is verklaard. Anders dan eisers aanvoeren, mag volgens vaste rechtspraak een dergelijke toelichting wel worden verlangd. Een stelling, zonder verdere duiding, dat sprake is geweest van onjuiste verslaglegging door de gehoorambtenaren, dan wel onjuiste vertaling door de tolken, is daarvoor niet voldoende.
15. Nu verweerder heeft toegelicht dat de asielaanvraag van een andere broer van eiseres 1 is ingewilligd om redenen van efficiëntie en niet om inhoudelijke redenen, is dit geen aanleiding om aan de geloofwaardigheidsbeoordeling in de zaken van eisers te tornen.
16. De door eisers overgelegde vluchtverhaalanalyse van VWN van 4 december 2024 is evenmin aanleiding om aan de geloofwaardigheidsbeoordeling te tornen. In deze analyse wordt uiteengezet dat de asielrelazen van eisers passen bij het beeld dat over Irak ontstaat uit algemene bronnen zoals rechtspraak en landeninformatie. Daarmee worden de relazen zoals eisers die persoonlijk naar voren hebben gebracht echter niet alsnog aannemelijk gemaakt. Voor zover dit stuk ingaat op het vermogen om te verklaren, wordt verwezen naar wat daarover hiervoor al is overwogen. Op het zijn van een alleenstaande vrouw in Irak wordt hierna verder ingegaan.
17. Hoewel verweerder heeft verzocht de door eisers overgelegde videobeelden niet toe te laten, heeft de rechtbank gemeend dit wel te moeten doen. Hierbij verwijst de rechtbank naar artikel 1.15 van het Procesreglement bestuursrecht rechtbanken, dat de mogelijkheid biedt aan partijen om gegevensdragers met audio- en video-opnames in het geding te brengen, en de artikelen 83 en 83a van de Vw waarin de rechtbank wordt opgedragen om in asielzaken rekening te houden met alle na het bestreden besluit aangevoerde feiten en omstandigheden. Verweerder heeft in een verweerschrift gereageerd op de schriftelijke beschrijving van de beelden en is daarnaast tijdens de zitting in de gelegenheid gesteld om de beelden te bekijken en daarop te reageren. Verweerder heeft zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat deze beelden niet bijdragen aan de geloofwaardigheid van het asielrelaas van eisers, omdat niet zichtbaar is wie de personen zijn die op de beelden te zien zijn en omdat niet duidelijk is wanneer de op de beelden zichtbare gebeurtenissen hebben plaatsgevonden.
Alleenstaande vrouwen in Irak
18. Verweerder heeft niet ten onrechte ongeloofwaardig geacht dat eiseres 1 en eiseres 2 in Irak kunnen worden aangemerkt als alleenstaande vrouwen. Hierbij heeft verweerder niet ten onrechte betrokken dat het niet geloofwaardig is dat de band met hun familie vanwege de gestelde bedreigingen is verbroken. Daarnaast is de stelling van eisers dat er momenteel alleen nog een zus in Irak verblijft die niet in staat is om hen te ondersteunen niet onderbouwd.
19. In aanvulling hierop is volgens het beleid van verweerder in onderdeel C7/16.3.2.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000 relevant of een Iraakse vrouw zich ondanks haar alleenstaande status in het verleden zelfstandig heeft kunnen handhaven in haar land van herkomst. In dit licht heeft verweerder in de beoordeling kunnen betrekken dat eiseres 1 en eiseres 2 volgens hun verklaringen in staat waren om zelfstandig te gaan werken en in hun gezamenlijke levensonderhoud te voorzien.
Conclusies en gevolgen
20. De conclusie is dat de beroepen ongegrond moeten worden verklaard. Dit betekent dat eisers geen gelijk krijgen. De bestreden besluiten blijven in stand.
21. Gelet hierop bestaat er geen aanleiding om verweerder te veroordelen in de door eisers gemaakte kosten voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand of in de kosten voor het laten opstellen van het iMMO-rapport.
Beslissing
De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan op 6 mei 2026 door mr. B.F.Th. de Roos, rechter, in aanwezigheid van mr. A.S. Hamans, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
Deze uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.