ECLI:NL:RBDHA:2026:10763

ECLI:NL:RBDHA:2026:10763

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 27-03-2026
Datum publicatie 07-05-2026
Zaaknummer C/09/679176 / FA RK 25-535
Rechtsgebied Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Den Haag

Samenvatting

Verzoek vaststellen geboortegegevens afgewezen. Man niet-ontvankelijk in verzoek gerechtelijke vaststelling vaderschap. Rechtbank benoemt bijzondere curator die, indien gewenst, verzoek gerechtelijke vaststelling vaderschap kan overnemen.

Uitspraak

Beschikking op het op 22 januari 2025 ingekomen verzoek van:

[de man] ,

de man,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

advocaat: mr. T. Kocabas te Zoetermeer.

Als belanghebbenden worden aangemerkt:

de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente ’s-Gravenhage,

zetelend te ’s-Gravenhage,

hierna te noemen: de ambtenaar,

en

[de moeder] ,

de moeder,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

advocaat: mr. E.H.L. van Vliet te Alphen aan den Rijn.

Procedure

Feiten

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:

Op 27 februari 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:

- De man en de moeder hebben een affectieve relatie met elkaar gehad.

- Uit de moeder is op [geboortedatum] 2019 te [geboorteplaats] , Oekraïne de minderjarige [de minderjarige] geboren.

- De moeder erkent dat de man de biologische vader van [de minderjarige] is.

- Van [de minderjarige] is geen geboorteakte opgenomen in de registers van de burgerlijke stand van de gemeente ’s-Gravenhage.

- De man heeft de Turkse nationaliteit en de moeder en [de minderjarige] hebben de Oekraïense nationaliteit.

- Bij beschikking voorlopige voorziening ex artikel 223 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering van 17 maart 2025:

 is bepaald dat [de minderjarige] voorlopig met ingang van 5 maart 2025 iedere woensdag van 14:00 uur tot 18:00 uur bij de man zal zijn, waarbij de man [de minderjarige] bij de moeder ophaalt en ook weer bij de moeder terugbrengt;

na twee maanden zal [de minderjarige] voorlopig iedere woensdag van 14:00 uur tot 18:00 uur en één keer in de veertien dagen op zaterdag van 12:00 uur tot 18:00 uur bij de man zijn, waarbij de man [de minderjarige] bij de moeder ophaalt en ook weer bij de moeder terugbrengt;

 zijn de moeder en de man verwezen naar de voor hen bekende mediator om te werken aan de verbetering van de onderlinge communicatie en het maken van verdere afspraken over [de minderjarige] ;

 is vastgesteld dat de man en de moeder bij proces-verbaal van doorverwijzing zijn verwezen naar Jeugdteams Leidse Regio voor deelname aan het traject Ouderschapsbemiddeling / Parallel (solo) ouderschap, en voor aanmelding bij de uitvoerende hulpverleningsinstantie.

Verzoek en verweer

De man verzoekt nu:

- primair:

 te constateren dat een volledig Oekraïens afschrift/certificaat van de geboorteakte van [de minderjarige] thans niet kan worden verkregen;

 te bepalen dat de fictieve vadervermelding op de Oekraïense geboorteakte niet voor erkenning in Nederland in aanmerking komt;

 de ambtenaar te gelasten een akte op te maken/aan te vullen waarin de man als vader van [de minderjarige] wordt vermeld;

 voor recht te verklaren dat – na vaststelling van de afstamming – de man mede met het gezag is belast;

subsidiair:

 het vaderschap van de man over [de minderjarige] gerechtelijk vast te stellen ex artikel 1:207 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW);

 de moeder te gelasten mee te werken aan DNA-onderzoek, met bepaling van de bewijsrechtelijke gevolgen bij weigering;

 de ambtenaar te bevelen de registers dienovereenkomstig te verwerken;

 de naamskeuze bij vaststelling toe te staan ten gunste van de man;

 gezamenlijk gezag toe te wijzen ex artikel 1:253c BW;

meer subsidiair:

 de moeder op grond van artikel 22 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering te bevelen binnen een door de rechtbank te bepalen termijn het Oekraïense afschrift van de geboorteakte van [de minderjarige] over te leggen;

 indien dat uitblijft: te constateren dat het stuk niet kan worden verkregen en op basis van de overige bewijsmiddelen te beslissen;

 een bijzondere curator te benoemen ex artikel 1:250 BW;

- een zorgregeling vast te stellen waarbij [de minderjarige] bij de man verblijft iedere woensdag na school tot 18.00 uur en iedere zaterdag van 10.00 uur tot 18.00 uur,

een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.

De ambtenaar voert verweer tegen de verzoeken aangaande de geboorteakte/vaststelling van de geboortegegevens.

De moeder voert verweer tegen de verzoeken van de man. Daarnaast verzoekt zij zelfstandig een zorgregeling vast te stellen, zo nodig onder begeleiding van een door de rechtbank passend geachte en aan te wijzen hulpverleningsinstantie, waarbij geldt dat:

- [de minderjarige] iedere woensdag van 14.00 uur tot 18.00 uur bij de man verblijft, waarbij de man [de minderjarige] bij de moeder ophaalt en ook weer bij de moeder terugbrengt;

- [de minderjarige] één keer in de veertien dagen op zaterdag van 12.00 uur tot 18.00 uur bij de man verblijft, waarbij de man [de minderjarige] bij de moeder ophaalt en ook weer bij de moeder terugbrengt;

- gezien de huidige woonsituatie van de man [de minderjarige] daar niet zal overnachten; mocht de man passende woonruimte vinden waar [de minderjarige] kan blijven overnachten, zullen partijen in overleg treden om te kijken of zij passende afspraken kunnen maken;

- wat betreft de vakanties, in afwijking van het voorgaande, het volgende van toepassing zal zijn:

 herfstvakantie: [de minderjarige] zal op de laatste zondag van de herfstvakantie bij de man verblijven van 10.00 uur tot 18.00 uur; de overige dagen van de herfstvakantie verblijft [de minderjarige] bij de moeder;

 kerstvakantie: [de minderjarige] zal in het weekend voordat school weer gaat beginnen op zaterdag van 10.00 uur tot 18.00 uur en op zondag van 10.00 uur tot 18.00 uur bij de man verblijven; de overige dagen van de kerstvakantie verblijft [de minderjarige] bij de moeder;

 voorjaarsvakantie: [de minderjarige] zal op de laatste zondag van de voorjaarsvakantie bij de man verblijven van 10.00 uur tot 18.00 uur; de overige dagen van de voorjaarsvakantie verblijft [de minderjarige] bij de moeder;

 meivakantie: [de minderjarige] zal in het weekend voordat school weer gaat beginnen op zaterdag van 10.00 uur tot 18.00 uur en op zondag van 10.00 uur tot 18.00 uur bij de man verblijven; de overige dagen van de meivakantie verblijft [de minderjarige] bij de moeder;

 zomervakantie: [de minderjarige] verblijft de eerste drie weken aangesloten bij de moeder en de laatste drie weken van de zomervakantie zal [de minderjarige] volgens de reguliere regeling bij de man verblijven, waarbij als aanvulling geldt dat [de minderjarige] in de vijfde week van de zomervakantie op zaterdag van 10.00 uur tot 18.00 uur en op zondag van 10.00 uur tot 18.00 uur bij de man zal verblijven,

een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.

Beoordeling

De man wenst de juridische vader van [de minderjarige] te zijn en als zodanig op de geboorteakte van [de minderjarige] te worden vermeld. Daarnaast wil de man dat [de minderjarige] zijn achternaam gaat dragen en dat hij mede het gezag heeft over [de minderjarige] . De man en de moeder verzoeken beiden een zorgregeling c.q. omgangsregeling tussen de man en [de minderjarige] vast te stellen.

Rechtsmacht

Omdat de man, de moeder en [de minderjarige] in Nederland wonen, heeft de Nederlandse rechter op grond van artikel 3 onder a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering rechtsmacht om op de voorliggende verzoeken te beslissen.

Geboorteakte

Door de man is een kopie van een uittreksel van de geboorteakte van [de minderjarige] overgelegd. In de geboorteakte is iemand anders dan de man als vader vermeld.

In Oekraïne wordt als juridische vader van een kind beschouwd: de echtgenoot van de moeder ten tijde van de geboorte, de man die het kind heeft erkend, de man wiens vaderschap gerechtelijk is vastgesteld of de man die het kind heeft geadopteerd. Als er geen juridische vader is, wordt er een fictieve vader in de geboorteakte opgenomen.

Nergens blijkt uit dat de moeder ten tijde van de geboorte van [de minderjarige] was gehuwd of dat er sprake is geweest van erkenning, gerechtelijke vaststelling van het vaderschap of adoptie. De man en de moeder geven beiden aan dat de man de biologische vader is van [de minderjarige] en dat er bij de geboorteaangifte een fictieve vader is opgegeven. Gelet op het voorgaande gaat de rechtbank ervan uit dat in de geboorteakte van [de minderjarige] een fictieve vader is vermeld. Dit leidt ertoe dat inschrijving van de geboorteakte van [de minderjarige] in de registers van de burgerlijke stand in strijd is met de openbare orde. De geboorteakte van [de minderjarige] leent zich daarmee niet voor inschrijving in de registers van de burgerlijke stand (artikel 1:25g, eerste lid, BW).

Vaststellen geboortegegevens

Nu de geboorteakte niet kan worden ingeschreven, verzoekt de man, naar de rechtbank begrijpt, de rechtbank om op basis van artikel 1:25c, eerste lid, BW de geboortegegevens van [de minderjarige] vast te stellen en hem daarbij als vader op te nemen.

Ingevolge artikel 1:25c, eerste lid, BW, kan deze rechtbank, indien ten aanzien van een buiten Nederland geboren persoon geen akte van geboorte overeenkomstig de plaatselijke voorschriften door een bevoegde instantie is opgemaakt of kan worden overgelegd, op verzoek van het openbaar ministerie, van een belanghebbende of van de ambtenaar, de voor het opmaken van een geboorteakte noodzakelijke gegevens vaststellen, indien:

a. die persoon Nederlander is of te eniger tijd Nederlander dan wel Nederlands onderdaan niet-Nederlander is geweest;

b. die persoon rechtmatig verblijft op grond van artikel 8, onder c en d, van de Vreemdelingenwet 2000;

c. op grond van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek een latere vermelding aan de akte van geboorte moet worden toegevoegd.

Voormeld artikel speelt niet alleen in de daarin genoemde gevallen een rol, maar ook als de inschrijving van een buitenlandse geboorteakte wordt geweigerd op grond van strijd met de openbare orde.

Nog daargelaten dat het de vraag is of de man kan worden aangemerkt als belanghebbende in de zin van artikel 1:25c BW, staat vast dat niet is voldaan aan de vereisten als bedoeld in artikel 1:25c, eerste lid onder a, b of c BW. Vaststelling van de geboortegegevens van [de minderjarige] is op dit moment dan ook niet mogelijk.

Gerechtelijke vaststelling ouderschap

Nu de geboortegegevens van [de minderjarige] niet kunnen worden vastgesteld, verzoekt de man om gerechtelijke vaststelling van zijn vaderschap.

Allereerst dient de rechtbank te beoordelen welk recht op dit verzoek van toepassing is.

Ingevolge artikel 10:97, eerste lid, BW wordt of en onder welke voorwaarden ouderschap van een persoon gerechtelijk kan worden vastgesteld, bepaald door het recht van de staat van de gemeenschappelijke nationaliteit van die persoon en de moeder, of indien dit ontbreekt, door het recht van de staat waar die persoon en de moeder elk hun gewone verblijfplaats hebben of, indien dit ook ontbreekt, door het recht van de staat van de gewone verblijfplaats van het kind. Hierbij is ingevolge artikel 10:97, derde lid, BW bepalend het tijdstip van indiening van het verzoek.

De rechtbank past Nederlands recht toe op het verzoek, zijnde het recht van de staat waar de man en de moeder elk hun gewone verblijfplaats hadden ten tijde van de indiening van het verzoek.

In artikel 1:207, eerste lid, BW is bepaald dat het ouderschap van een persoon, ook indien deze is overleden, op de grond dat deze de verwekker is van het kind of op de grond dat deze als levensgezel van de moeder ingestemd heeft met een daad die de verwekking van het kind tot gevolg kan hebben gehad, door de rechtbank kan worden vastgesteld op verzoek van de moeder, tenzij het kind de leeftijd van zestien jaar heeft bereikt, respectievelijk door het kind.

De wet biedt de biologische vader geen mogelijkheid om het ouderschap gerechtelijk te doen vaststellen. Namens de man is onder verwijzing naar een uitspraak van het gerechtshof Amsterdam van 6 september 2022 (ECLI:NL:GHAMS:2022:2596) betoogd dat de man op grond van artikel 8 EVRM wel degelijk om gerechtelijke vaststelling van zijn ouderschap kan verzoeken. De namens de man aangehaalde uitspraak betreft echter een heel andere vraag dan hier aan de orde, namelijk of verzoekers kunnen worden beschouwd als belanghebbenden en daarmee of zij in hoger beroep kunnen gaan tegen een beschikking waarin het ouderschap van hun overleden zoon/broer is vastgesteld. De rechtbank gaat dan ook aan het standpunt van de man voorbij en zal de man – in de eindbeschikking – niet-ontvankelijk verklaren in zijn verzoek.

Blijkens artikel 1:212 BW kan een minderjarig kind in zaken van afstamming niet zelfstandig optreden als verzoeker of belanghebbende. Het kind moet worden vertegenwoordigd door een bijzondere curator. De rechtbank die over de zaak beslist, benoemt die bijzondere curator.

Gelet op het in deze zaak gedane subsidiaire verzoek tot gerechtelijke vaststelling van het vaderschap, zal de rechtbank een bijzondere curator over [de minderjarige] benoemen. De bijzondere curator vertegenwoordigt [de minderjarige] en zal daarom uitsluitend haar belangen behartigen. De bijzondere curator kan, indien gewenst, het verzoek van de man strekkende tot gerechtelijke vaststelling van zijn ouderschap overnemen. De rechtbank zal de bijzondere curator vragen een verslag van bevindingen te maken en daarin een standpunt in te nemen ten aanzien van de gerechtelijke vaststelling van het ouderschap.

De bijzondere curator dient te werken volgens de “Richtlijn benoeming bijzondere curatoren op grond van artikel 1:212 BW” van 1 april 2014 en het Procesreglement Overige (Boek 1) Zaken (beiden te raadplegen via www.rechtspraak.nl).

De rechtbank verzoekt de bijzondere curator het verslag binnen vier weken aan de rechtbank, de man en de moeder toe te sturen. De man en de moeder kunnen, indien gewenst, binnen twee weken na ontvangst van het verslag van de bijzondere curator hierop schriftelijk reageren.

In afwachting van het verslag van de bijzondere curator zal de rechtbank iedere verdere beslissing ten aanzien van de gerechtelijke vaststelling van het ouderschap en de naamskeuze pro forma aanhouden.

Gezag

De man wenst mede te worden belast met het gezag over [de minderjarige] . Nu gezamenlijk gezag pas aan de orde kan komen als de man de juridische vader is van [de minderjarige] , zal de rechtbank ook het verzoek aangaande het gezag pro forma aanhouden.

Omgang

Op dit moment wordt uitvoering gegeven aan de omgangsregeling die is vastgesteld bij beschikking voorlopige voorziening ex artikel 223 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering van 17 maart 2025, inhoudende dat [de minderjarige] bij de man verblijft iedere woensdag van 14.00 uur tot 18.00 uur en één keer in de veertien dagen op zaterdag van 12.00 uur tot 18.00 uur. Partijen zijn er niet in geslaagd om tijdens het mediationtraject of het ouderschapsbemiddelingstraject nadere afspraken te maken over de omgang. Beide trajecten zijn voortijdig afgebroken.

De man handhaaft zijn verzoek om een omgangsregeling vast te stellen waarbij [de minderjarige] bij hem verblijft iedere woensdag na school tot 18.00 uur en iedere zaterdag van 10.00 uur tot 18.00 uur. De moeder verzoekt de huidige regeling voort te zetten. Gezien de strubbelingen bij de uitvoering van de omgangsregeling ziet zij het op dit moment niet zitten dat de omgang wordt uitgebreid.

De rechtbank is gebleken dat de omgang tussen de man en [de minderjarige] op zichzelf goed verloopt, maar dat er wel veel spanningen tussen ouders zijn bij de overdrachten. Dit laatste is erg schadelijk voor [de minderjarige] . De rechtbank ziet aanleiding om de door de man verzochte regeling voorlopig vast te stellen. De man zal [de minderjarige] op woensdagmiddag ophalen bij school, zodat ouders dan geen contact meer met elkaar hoeven te hebben. Voor de overige overdrachtsmomenten geldt dat het wenselijk zou zijn als deze door een derde worden begeleid. De rechtbank draagt de moeder op om uit te zoeken of iemand dit wil doen (bijvoorbeeld een medewerker van Oog voor Thuis of iemand uit de kennissenkring van moeder). De beslissing ten aanzien van de definitieve zorgregeling c.q. omgangsregeling zal de rechtbank aanhouden, zodat later kan worden geëvalueerd hoe de omgang verloopt. De rechtbank merkt nog op dat het belangrijk is dat beide partijen zich stipt aan de in deze beschikking vast te stellen tijden zullen houden.

Voor wat betreft de vakanties zal de rechtbank bepalen dat de moeder twee keer per jaar met [de minderjarige] op vakantie mag gaan: in de zomervakantie maximaal drie weken en een week in een andere vakantie. Als de moeder niet met [de minderjarige] op vakantie is, zal de reguliere regeling in de vakanties doorlopen. Zoals op de zitting aangegeven, zal de rechtbank bepalen dat de man in de vakanties (voor zover de moeder niet met [de minderjarige] op vakantie is) extra omgang met [de minderjarige] kan hebben. De man heeft dan recht op een derde dag omgang in de week van 10.00 uur tot 18.00 uur, in onderling overleg vast te stellen. Ook voor de vast te stellen vakantieregeling geldt dat deze voorlopig is en dat de definitieve beslissing zal worden aangehouden.

BeslissingDe rechtbank:

*

benoemt tot bijzondere curator over de minderjarige [de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2019 te [geboorteplaats] , Oekraïne:

mr. A. Schellekens,

kantoorhoudende te (2408 AE), Leidse Schouw 2, Alphen aan den Rijn;

bepaalt dat de bijzondere curator binnen vier weken een verslag of verzoekschrift namens [de minderjarige] toestuurt aan de rechtbank, de man en de moeder;

bepaalt dat de man en de moeder, indien gewenst, binnen twee weken na ontvangst van het verslag van de bijzondere curator hierop schriftelijk kunnen reageren; deze reactie dient aan de rechtbank, aan de andere procespartij en aan de bijzondere curator te worden toegezonden;

*

bepaalt dat [de minderjarige] voorlopig bij de man zal verblijven iedere woensdag na school tot 18.00 uur en iedere zaterdag van 10.00 uur tot 18.00 uur;

bepaalt dat de moeder voorlopig twee keer per jaar met [de minderjarige] op vakantie mag gaan: in de zomervakantie maximaal drie weken en een week in een andere vakantie, en dat als de moeder niet met [de minderjarige] op vakantie is, de reguliere regeling in de vakanties zal doorlopen;

bepaalt dat de man voorlopig in de vakanties (voor zover de moeder niet met [de minderjarige] op vakantie is) recht heeft op een derde dag omgang in de week van 10.00 uur tot 18.00 uur, in onderling overleg vast te stellen;

verklaart de voorlopige omgangsregeling uitvoerbaar bij voorraad;

*

houdt iedere verdere beslissing ten aanzien van de gerechtelijke vaststelling ouderschap, de naamskeuze, het gezag en de definitieve zorgregeling c.q. omgangsregeling pro forma aan tot 15 mei 2026.

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. C.P.E. van de Fliert-Verburg

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand