[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. D.W.M. van Erp),
en
de minister van Asiel en Migratie,
(gemachtigde: mr. Y. Thole).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) voor [naam] (zijn moeder).
De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 23 april 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 11 juli 2025 op het bezwaar van eiser is de minister bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 23 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, mr. C.T.W. van Dijk als waarnemer van de gemachtigde van eiser, M. Ziad als tolk en de gemachtigde van de minister.
Bij sluiting van het onderzoek op zitting heeft de rechtbank meegedeeld binnen zes weken uitspraak te doen. De rechtbank heeft deze termijn niet gehaald en partijen bericht zes weken later uitspraak te doen.
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank beoordeelt de afwijzing van de aanvraag voor een mvv aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Hierna legt zij uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Waar gaat deze zaak over?
4. Eiser is geboren op [geboortedatum 1] 1979 en heeft de Syrische nationaliteit. Hij heeft in Nederland een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Op 9 december 2022 heeft eiser een aanvraag voor een mvv ingediend voor zijn moeder, vrouw en vijf kinderen. De minister heeft de aanvraag voor eisers vrouw en kinderen ingewilligd, maar afgewezen voor zijn moeder. De moeder van eiser is geboren op [geboortedatum 2] 1948 en heeft de Syrische nationaliteit. Zij verbleef op het moment van het sluiten van het onderzoek in Libanon.
5. Volgens de minister is er tussen eiser en zijn moeder geen sprake van familie- en gezinsleven in de zin van artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), omdat niet is gebleken van bijkomende elementen van afhankelijkheid. Daarbij is onder andere van belang dat uit de ingediende documenten niet blijkt dat sprake is van structurele financiële steun, dat eisers moeder pas na zijn vertrek afhankelijk is geworden van (continue) zorg van anderen en daarbij ook hulp kan krijgen van een vriendin en buurman. Dat zij lang hebben samengewoond en daardoor een hechte emotionele band hebben, is onvoldoende om aan te nemen dat sprake is van familie- en gezinsleven. De minister neemt aan dat er tussen de drie oudste kinderen van eiser ( [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] ) en hun oma wél sprake is van familie- en gezinsleven. Zij waren erg klein toen hun moeder hen achterliet, en de tweede vrouw van eiser keek niet naar hen om. Hun oma was degene die feitelijk voor hen zorgde. Volgens de minister valt de belangenafweging echter in hun nadeel uit. De minister betrekt daarbij onder andere dat de kinderen naarmate zij ouder werden hun oma meer zijn gaan helpen en dat eisers rol in de opvoeding groter is geworden. Ook weegt de minister onder andere het restrictieve toelatingsbeleid en het economische belang van de Nederlandse staat in hun nadeel.
6. Eiser voert aan dat er wel degelijk sprake is van familie- en gezinsleven tussen hem en zijn moeder. De minister heeft niet gemotiveerd waarom de lange periode van samenwoning niet maakt dat bijkomende elementen van afhankelijkheid bestaan. Verder maken de overgelegde documenten en zijn verklaringen tijdens de hoorzitting voldoende aannemelijk dat hij geld stuurt aan zijn moeder, en dat dit structureel is. Dit kan ook alleen eiser doen. Verder is er onvoldoende ingegaan op de medische problemen van zijn moeder: deze zijn ten onrechte afgedaan als ouderdomsklachten. De minister heeft daarbij ook onvoldoende betrokken dat er in Libanon al een zekere afhankelijkheid bestond, en dat de mensen die zijn moeder nu helpen dat slechts tijdelijk kunnen doen.
Verder geeft de besluitvorming onvoldoende blijk van een belangenafweging op basis van een diepgaand onderzoek, zoals is vereist ingevolge het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) van 6 juli 2010 met daarbij “a paramount consideration” voor de belangen van de kleinkinderen. Eiser wijst op de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, van 24 december 2020, r.o. 6.3, waarin de oma ook een ouderrol vervulde. Volgens eiser gaat de minister voorbij aan de moederrol van oma (waarbij het ook nog zo is dat de kinderen lange tijd alleen bij haar hebben gewoond, toen eiser in Libanon was) bijvoorbeeld door te stellen dat het gebruikelijk is dat familieleden elkaar bij afwezigheid missen en steun aan elkaar hebben. Verder is het zo dat eiser een grotere rol heeft gekregen, maar het is algemeen bekend dat het gebrek aan een moederfiguur in de opvoeding gevolgen heeft voor kinderen. Uit het verslag van de hoorzitting blijkt dat er bepaalde onderwerpen zijn die de (puber)dochters van eiser alleen met oma bespreken. Hij heeft in beroep een brief van de school van de kinderen overgelegd, waarin onder andere het gemis van oma wordt benoemd en dat dit aantoonbare negatieve invloed heeft op het welzijn en de ontwikkeling van de kinderen. Eiser begrijpt ook niet waarom ten nadele wordt meegewogen dat zijn moeder sterkere banden heeft met het land van herkomst en geen sterke banden heeft met Nederland. Verder zal zijn moeder niet ten laste komen van de Nederlandse staat: als zij naar Nederland komt, kan zij helpen bij de zorg voor de kinderen, waardoor eiser ontlast zou worden en bijvoorbeeld meer zou kunnen werken.
Bijkomende elementen van afhankelijkheid tussen eiser en zijn moeder
7. De rechtbank oordeelt dat de minister deugdelijk heeft gemotiveerd dat er tussen eiser en zijn moeder geen sprake is van bijkomende elementen en afhankelijkheid. De rechtbank licht dit als volgt toe.
De minister heeft de samenwoning van eiser met zijn moeder betrokken in het bestreden besluit (p. 3, 6 en 7) en onderkend dat zij een hechte band hebben. De minister mocht daarbij echter van belang vinden dat het in de cultuur van eiser gebruikelijk is dat kinderen voor hun ouders zorgen en hen in huis wonen. De samenwoning betekent dus op zichzelf niet dat er bijkomende elementen van afhankelijkheid bestaan. Wat betreft de medische situatie van zijn moeder en de praktische afhankelijkheid heeft eiser verklaard dat toen hij nog in Libanon woonde, zijn moeder zorg nodig had, maar niet continu. Eiser bracht haar indien nodig naar het ziekenhuis of de apotheek. Zijn dochters hielpen haar met douchen. Eiser heeft toegelicht dat de gezondheid van zijn moeder na zijn vertrek is achteruitgegaan, en dat zij nu wel continu zorg nodig heeft, bijvoorbeeld voor het lezen van de medicatie. Zij heeft een hoge bloeddruk, heeft last van haar kniegewrichten, heeft een oogoperatie ondergaan en heeft last van hypertensie. De minister mocht echter van belang vinden dat eiser heeft verklaard dat de cardioloog naast zijn moeder woont (en de hartmedicatie naar haar toebrengt), en dat een vriendin die verderop woont helpt met de boodschappen. De minister mocht de verklaring van de buurman (cardioloog) en zijn vrouw dat het de beurt van de kinderen is om voor eisers moeder te zorgen, en dat zij zonder de zorg van haar kinderen in gevaar is, onvoldoende vinden. Ook de verklaring van een buurvrouw dat zij nu zelf zorg nodig heeft, en dat er in Libanon niemand anders is die het kan doen, mocht de minister onvoldoende vinden. Hieruit blijkt dat de buren zich zorgen maken en willen dat de familie de zorg op zich neemt, maar niet dat zij niet meer kunnen helpen. Dat dit in de toekomst mogelijk anders wordt, mocht de minister een onzekere omstandigheid vinden die niet betrokken hoeft te worden. Wat betreft de financiële steun van eiser aan zijn moeder blijkt uit de documenten dat eiser in ieder geval op 25 mei 2023, 22 juni 2023, 29 september 2023, 7 januari 2024 en 22 mei 2024 bedragen heeft gestuurd. De rechtbank kan de minister volgen dat hieruit niet blijkt dat sprake is van structurele financiële steun. Wat betreft de bedragen die eiser meegeeft aan anderen, is ook niet concreet hoe vaak en op welke wijze dit precies gebeurt. Bovendien mocht de minister van belang vinden dat eiser de financiële steun ook op afstand kan voortzetten. Verder kan de rechtbank volgen dat aan de emotionele band tussen eiser en zijn moeder geen doorslaggevend gewicht toekomt. Er is niet gebleken dat eisers moeder in emotioneel opzicht van zijn zorg afhankelijk is, of andersom.
Belangenafweging ten aanzien van eisers (drie) kinderen en hun oma
8. Tussen eisers drie oudste kinderen en hun oma neemt de minister wel familie- en gezinsleven in de zin van artikel 8 van het EVRM aan. De afwijzing van de mvv-aanvraag maakt inbreuk op hun recht op familie- en gezinsleven. De minister moet dan een belangenafweging maken, waarbij het belang om het familie- en gezinsleven in Nederland uit te oefenen wordt afgewogen tegen het belang van de Nederlandse Staat. De rechtbank oordeelt dat de minister deugdelijk heeft gemotiveerd waarom de belangenafweging ten aanzien van de moeder van eiser en haar drie kleinkinderen in hun nadeel uitvalt. De minister heeft de belangen van de kinderen daarbij voldoende betrokken. De rechtbank licht dit als volgt toe.
9. Uit het bestreden besluit (p. 9) blijkt dat de minister erkent dat de kinderen een sterke band met hun oma hebben, omdat zij bij haar zijn opgegroeid en hun biologische moeder niet in beeld was, en dat zij haar missen. Daarbij is opgemerkt dat eiser echter niet heeft onderbouwd dat de kinderen zich zonder haar niet kunnen redden, of minder goed presteren. In beroep is wel een verklaring van de school overgelegd, waarin het gemis van oma wordt benoemd en dat dit aantoonbare negatieve invloed heeft op het welzijn en de ontwikkeling van de kinderen. Deze verklaring is ondertekend door de teamleider van de school. Eiser heeft op de zitting toegelicht dat de kinderen op school worden begeleid door een psycholoog, en dat dit ook haar standpunt is. Dat blijkt echter niet uit de verklaring. De minister hoefde aan de verklaring daarom geen doorslaggevend gewicht toe te kennen. De minister mocht ook van belang vinden dat de aard en de intensiteit van het gezinsleven is veranderd. Uit de verklaringen van eiser blijkt dat de kinderen na zijn vertrek meer voor hun oma zijn gaan zorgen, en dat hun oma zelf geen fysieke zorg meer aan hen verleent. Eiser heeft een grotere rol gekregen in de opvoeding. De minister mocht daarom overwegen dat zij ook op afstand invulling kunnen geven aan het gezinsleven (zodat de aanwezigheid van oma in Nederland niet noodzakelijk is). De minister mocht verder in hun nadeel wegen dat Nederland in dit geval een restrictief toelatingsbeleid heeft. Ook mocht de minister het economische belang in hun nadeel wegen. De kans is immers groot dat de moeder van eiser aanspraak zal maken op bijvoorbeeld de gezondheidszorg in Nederland. Dat eiser kan werken om de kosten (deels) op te vangen, neemt niet weg dat dit een belasting vormt voor de Nederlandse samenleving. Uit het bestreden besluit (p. 11) blijkt dat deze punten (het restrictieve toelatingsbeleid en het economische belang) uiteindelijk de doorslag hebben gegeven, en niet de banden met het land van herkomst en met Nederland. Dit samen met de omstandigheid dat de aard en intensiteit van het gezinsleven is veranderd en dat de gevolgen voor de kinderen onvoldoende onderbouwd zijn. De rechtbank kan deze beoordeling volgen.
Conclusie en gevolgen
10. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en de afwijzing van de aanvraag voor een mvv in stand blijft. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.P. Loman, rechter, in aanwezigheid van mr. S.J. Valk, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op 10 april 2026