Gerechtelijke vaststelling ouderschap
Beschikking op het op 3 februari 2025 ingekomen verzoekschrift van:
[verzoeker] ,
verzoeker,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat mr. L.E.M. Elbertse te Pijnacker.
Procedure
De rechtbank heeft kennisgenomen van het verzoekschrift.
Op 27 februari 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: verzoeker met zijn advocaat, alsmede de moeder van verzoeker.
Feiten
- Verzoeker is op [geboortedatum 1] 2004 te [geboorteplaats 1] geboren uit [naam 1] .
- Verzoeker heeft geen juridische vader.
- [naam 2] , geboren op [geboortedatum 2] 1964 te [geboorteplaats 2] , is op [datum] 2024 te [plaats] overleden.
Verzoek
Het verzoekschrift strekt tot gerechtelijke vaststelling van het ouderschap van [naam 2] over verzoeker, voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
Beoordeling
Belanghebbenden
In een procedure tot gerechtelijke vaststelling ouderschap wordt/worden de aangewezen vader of – of indien deze vader is overleden – diens afstammelingen als belanghebbende(n) aangemerkt. De erfgenamen, naar de rechtbank begrijpt zijn dat de twee broers van [naam 2] , worden daarom niet aangemerkt als belanghebbenden in deze procedure.
Ontvankelijkheid
Op grond van artikel 1:207, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan het ouderschap van een persoon, ook indien deze is overleden, op de grond dat deze de verwekker is van het kind door de rechtbank worden vastgesteld op verzoek van de moeder – tenzij het kind de leeftijd van zestien jaar heeft bereikt – of van het kind. De wet stelt voor kinderen geen termijn waarbinnen een verzoek tot vaststelling van het ouderschap moet worden ingediend. Verzoeker is daarom ontvankelijk in zijn verzoek.
Inhoudelijke beoordeling
Volgens vaste jurisprudentie dient voorafgaand aan de vaststelling van het vaderschap van een man een DNA-rapport te worden overgelegd waaruit blijkt dat de man de verwekker van het kind is. Onder bepaalde omstandigheden kan daarvan worden afgeweken. Een DNA-onderzoek teneinde het verwekkerschap van [naam 2] te bewijzen is niet aanwezig.
Ter onderbouwing van zijn stelling dat [naam 2] zijn verwekker is, heeft verzoeker verschillende e-mails tussen zijn moeder en [naam 2] overgelegd, alsmede een verklaring van zijn moeder, waarin zij aangeeft tijdens de verwekkingsperiode van verzoeker alleen seksueel contact te hebben gehad met [naam 2] .
Naar het oordeel van de rechtbank is het voorgaande onvoldoende om te kunnen concluderen dat [naam 2] de verwekker is van verzoeker. Derhalve zal middels de uitkomsten van een DNA-onderzoek bewijs moeten worden geleverd ten aanzien van het verwekkerschap. De minst ingrijpende methode zou zijn dat directe familieleden van [naam 2] medewerking verlenen aan DNA-onderzoek.
De rechtbank ziet aanleiding om verzoeker in de gelegenheid te stellen om zijn verzoek uiterlijk binnen drie maanden na heden met nadere stukken te onderbouwen.
Beslissing
De rechtbank:
stelt verzoeker in de gelegenheid om zijn verzoek uiterlijk binnen drie maanden na de datum van deze beschikking met nadere stukken te onderbouwen;