ECLI:NL:RBDHA:2026:10789

ECLI:NL:RBDHA:2026:10789

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 12-02-2026
Datum publicatie 07-05-2026
Zaaknummer NL25.51257
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Utrecht

Samenvatting

VK, asiel, Somalië, geen alleenstaande vrouw: niet onderbouwd dat familie niet langer in Somalië is, belangenafweging privéleven 8 EVRM in nadeel, beroep ongegrond.

Uitspraak

[eiseres] , V-nummer: [V-nummer] , eiseres

(gemachtigde: mr. R.P. van Empel-Bouman),

en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. Y. Thole).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de afwijzing van haar asielaanvraag.

Eiseres heeft op 8 april 2023 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft de asielaanvraag met het besluit 27 september 2024 afgewezen als kennelijk ongegrond. Deze rechtbank, zittingsplaats Rotterdam, heeft het beroep van eiseres tegen dit besluit op 10 januari 2025 gegrond verklaard. Dit oordeel staat in rechte vast met de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 13 maart 2025.

De minister heeft vervolgens met het besluit van 17 oktober 2025 (het bestreden besluit) de asielaanvraag opnieuw afgewezen als kennelijk ongegrond.

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.

De rechtbank heeft het beroep op 23 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres, I.M. Osman als tolk en de gemachtigde van de minister. Er waren ook medewerkers van Nidos aanwezig: [persoon1] en [persoon2] .

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt de afwijzing van de asielaanvraag van eiseres. Zij doet dit aan de hand van de beroepsgronden van eiseres.

3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Hierna legt de rechtbank hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Het asielrelaas

4. Eiseres stelt dat zij de Somalische nationaliteit heeft en dat zij is geboren op [geboortedatum] 2007. Zij is afkomstig uit [plaats 1] , regio [regio 1] , en behoort tot de clan Hawiye. Eiseres heeft aan haar asielaanvraag ten grondslag gelegd dat zij in Somalië problemen heeft met Al-Shabaab en met de familie van [persoon3] . [persoon3] was haar echtgenoot, maar hij is gedood door Al-Shabaab.

De vorige procedure

5. De minister heeft de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiseres geloofwaardig geacht in het besluit van 27 september 2024. De problemen van eiseres in Somalië heeft de minister ongeloofwaardig geacht. De rechtbank heeft in de uitspraak van 10 januari 2025 geoordeeld dat de minister het asielrelaas niet ten onrechte ongeloofwaardig heeft bevonden. De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard, omdat de minister onvoldoende voortvarend was geweest in het onderzoek naar adequate opvang voor eiseres in het land van herkomst. De minister moest dit onderzoek verrichten omdat eiseres destijds een alleenstaande minderjarige vreemdeling (amv) was. Dit oordeel staat in rechte vast.

Het bestreden besluit

6. In het bestreden besluit heeft de minister de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiseres (opnieuw) geloofwaardig geacht. Dat betekent volgens de minister echter niet dat eiseres bij terugkeer een gegronde vrees heeft voor vervolging of een reëel risico loopt op ernstige schade. Eiseres heeft volgens de minister namelijk niet aannemelijk gemaakt dat zij een alleenstaande vrouw is en daardoor risico zou kunnen lopen in Somalië. De minister betrekt daarbij dat eiseres heeft verklaard dat haar moeder en familie in Somalië verblijven, en dat zij behoort tot een meerderheidsclan (Hawiye), die ook dominant is in de regio [regio 1] . Verder zijn de problemen van eiseres met Al-Shabaab en de familie van [persoon3] volgens de minister nog altijd ongeloofwaardig. De minister heeft de asielaanvraag van eiseres daarom afgewezen als kennelijk ongegrond.

7. De minister heeft in het bestreden besluit ook getoetst aan artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Volgens de minister is er wel sprake van privéleven, maar valt de belangenafweging in het nadeel van eiseres uit. De minister weegt daarbij onder meer in het nadeel van eiseres: het restrictieve toelatingsbeleid van de Staat, dat eiseres sinds 2023 een beroep op de algemene middelen heeft gedaan, en dat zij tot haar 15e in Somalië heeft gewoond en daar weer contacten kan opbouwen. De minister heeft daarom geen verblijfsvergunning regulier op grond van artikel 8 van het EVRM verleend.

8. De minister heeft met het bestreden besluit wel een verblijfsvergunning regulier op grond van het amv-buitenschuldbeleid verleend, van 8 april 2023 tot 20 juni 2025. Deze vergunning is volgens de minister niet verleend omdat is komen vast te staan dat er geen adequate opvang is voor eiseres, maar omdat de rechtbank in de uitspraak van 10 januari 2025 heeft geoordeeld dat het onderzoek naar adequate opvang te weinig voortvarend is geweest.

Alleenstaande vrouw uit Somalië

9. Eiseres voert aan dat onvoldoende voortvarend handelen door de minister geen grond is om een amv-buitenschuldvergunning te verlenen. Volgens eiseres moet daarom worden aangenomen dat deze vergunning is verleend omdat er voor haar geen adequate opvang was. Verder wordt in het bestreden besluit verwezen naar een nota van de Dienst Terugkeer en Vertrek (DT&V) van 25 juni 2025 waarin is geconcludeerd dat eiseres onvoldoende zou hebben meegewerkt aan het onderzoek naar adequate opvang. Eiseres is het hier niet mee eens, en heeft ter onderbouwing van haar medewerking stukken overgelegd. Eiseres heeft op de zitting toegelicht dat het voorgaande relevant is voor de vraag of zij als alleenstaande vrouw moet worden aangemerkt. Nu zij heeft meegewerkt aan het onderzoek naar adequate opvang en haar familie niet is gevonden, is onvoldoende onderbouwd waarom zij op haar moeder of andere familie zou kunnen terugvallen. Verder stelt eiseres dat zij ook niet op haar clan kan terugvallen. Haar moeder heeft daarvan namelijk ook geen steun gekregen. Ook schrijft Somalië-deskundige [persoon4] in een mailwisseling met Vluchtelingenwerk Nederland van 6 februari 2025 dat het verwijzen naar het gebied of de clan waar iemand vandaan komt, geen enkele basis biedt voor wat iemand te wachten staat als hij terugkeert, en dat Hawiye in Somalië nauwelijks wordt gebruikt als clangids. Uit het Algemeen Ambtsbericht Somalië van april 2025, p. 117, blijkt ook dat het van belang is om de individuele situatie van eiseres te onderzoeken.

10. De rechtbank overweegt als volgt. De minister heeft in het verweerschrift toegelicht dat de amv-buitenschuldvergunning is verleend op de grond dat vertrek buiten de schuld van de vreemdeling niet kon plaatsvinden. Dit hield verband met de uitspraak van de rechtbank dat het onderzoek van de minister naar adequate opvang onvoldoende voortvarend was. Uit paragraaf B8/6.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc) volgt dat deze verleningsgrond veronderstelt dat de vreemdeling zich actief heeft ingezet om vertrek te realiseren. De minister heeft in dit verband op de zitting toegelicht dat hij volgt dat eiseres actief heeft meegeholpen aan het onderzoek. Maar het verlenen van de amv-buitenschuldvergunning betekent niet dat daarmee ook is komen vast te staan dat er voor eiseres geen adequate opvang is. De rechtbank kan de minister hierin volgen. 10.1. De minister heeft verder terecht opgemerkt dat er, nu eiseres meerderjarig is, sprake is van een andere bewijslastverdeling. Het is aan eiseres om aannemelijk te maken dat zij een alleenstaande vrouw is, zoals bedoeld in paragraaf C7/30.3.2.2 van de Vc. De rechtbank volgt de minister in zijn standpunt dat eiseres daar niet in is geslaagd. Eiseres heeft tijdens het nader gehoor op 7 maart 2024 verklaard dat haar moeder, broers en zussen en een verre verwant van haar moeder in Somalië wonen. De minister mocht de stukken die eiseres heeft overgelegd onvoldoende vinden om aan te nemen dat de familieleden van eiseres zich niet meer in haar dorp bevinden, en dat zij als alleenstaande vrouw moet worden aangemerkt. Uit de stukken blijkt dat er met name online is gezocht (onder andere via Facebook). Verder heeft de pleegmoeder van eiseres haar netwerk ingezet, en contact gehad met iemand uit [plaats 2] . Er is echter niet gebleken dat in het dorp van eiseres is gezocht. Daarnaast heeft de stichting SBIN onderzoek gedaan (brief van 6 november 2024). Ook de organisatie FSAN heeft gezocht naar de ouders, broers, zussen en neef van eiseres door middel van hun uitgebreide netwerk in Nederland en Somalië (brief van 22 augustus 2025). De minister heeft terecht opgemerkt dat uit de brieven niet blijkt hoe de stichting SBIN en de organisatie FSAN precies hebben gezocht, en dat hieruit dus niet de conclusie kan worden getrokken dat de familieleden zich niet meer in hun woonplaats bevinden. Verder blijkt uit de stukken dat eiseres in februari 2025 alsnog akkoord is gegaan met een zoektocht door het Rode Kruis, en dat dit op 1 april 2025 is doorgegeven. Uit de mail van 3 december 2025 blijkt dat het Rode Kruis toen nog geen nieuws had over de zoektocht naar de ouders van eiseres. Hieruit blijkt niet dat het Rode Kruis het dorp van eiseres heeft bezocht. Ook blijkt niet in hoeverre er ander onderzoek is gedaan. Eiseres heeft op de zitting toegelicht dat zij ervan uitgaat dat het Rode Kruis niet naar haar dorp is gegaan vanwege de veiligheidssituatie, omdat het Rode Kruis heeft gezegd dat ze alleen naar het dorp gaan als het veilig genoeg is. Eiseres heeft deze veronderstelling echter niet onderbouwd. 10.2. Gelet op het voorgaande mocht de minister ervan uitgaan dat eiseres in Somalië nog familie heeft waar zij op terug kan vallen. Daar komt bij dat eiseres tot de clan Hawiye behoort, waarvan zij steun zou kunnen ontvangen. Uit het Algemeen ambtsbericht Somalië van april 2025 blijkt dat de Hawiye een meerderheidsclan is, die ook de meerderheid heeft in de regio [regio 2] (p. 9 en 54). Uit het rapport Country Guidance: Somalia” van EUAA van 2 oktober 2025 blijkt verder dat het behoren tot een meerderheidsclan een factor van ondersteuning kan zijn (p. 22). De minister hoefde in de mailwisseling van [persoon4] geen aanleiding te zien om tot een ander standpunt te komen. Dat [persoon4] als een Somalië-deskundige wordt aangemerkt, neemt namelijk niet weg dat van belang is in hoeverre zijn stellingen met objectieve bronnen zijn onderbouwd. De rechtbank is van oordeel dat uit de mailwisseling niet blijkt waarop [persoon4] zijn standpunten baseert. De beroepsgrond slaagt niet.

Artikel 15c van de Definitierichtlijn

11. Eiseres voert aan dat volgens het rapport “Country Guidance: Somalia” van EUAA van 2 oktober 2025, in de regio [regio 2] sprake is van het één na hoogste niveau van willekeurig geweld, in de zin van artikel 15c van de Definitierichtlijn. [regio 1] , waar eiseres vandaan komt, bestaat uit [regio 2] en Hiraan. De minister heeft haar individuele situatie onvoldoende onderzocht.

12. De rechtbank overweegt als volgt. Eiseres verwijst naar de volgende passage uit het rapport (p. 18): “Indiscriminate violence in situations of armed conflict reaches a high level in the regions of Lower Juba, Bay, Lower Shabelle, Benadir/Mogadishu, Hiraan, Middle Shabelle, Mudug, Galgaduud. Accordingly, a lower level of individual elements is required to show substantial grounds for believing that a civilian, returned to the area, would face a real risk of serious harm." De minister heeft op de zitting aangevoerd dat, omdat [regio 2] in deze categorie wordt geplaatst, er individuele elementen moeten worden aangevoerd, en dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij risico loopt. Eiseres heeft dat niet betwist, en de rechtbank kan de minister hierin volgen. Uit het rapport van EUAA blijkt dat er in [regio 2] geen sprake is van de meest uitzonderlijke situatie, waarin de mate van willekeurig geweld zo hoog is dat een vreemdeling door zijn enkele aanwezigheid al een risico loopt. Uit de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) volgt dat de minister in dat geval bij de toepassing van artikel 15c van de Definitierichtlijn zowel de individuele omstandigheden van een vreemdeling als de veiligheidssituatie in het land van herkomst moet betrekken. Eiseres heeft geen persoonlijke kenmerken en individuele omstandigheden naar voren gebracht, waardoor zij een verhoogd risico zou lopen om slachtoffer te worden van willekeurig geweld. Eiseres heeft dan ook niet aannemelijk gemaakt dat zij bij terugkeer een reëel risico op ernstige schade loopt. De beroepsgrond slaagt niet.

Artikel 8 van het EVRM

13. Eiseres stelt dat de belangenafweging van de minister in het kader van artikel 8 van het EVRM onvoldoende gemotiveerd is. Zij voert daartoe aan dat zij haar school met goed gevolg heeft afgerond, en heeft gedaan wat ze kon om aan werk te komen. Verder heeft eiseres in Nederland steun van haar pleeggezin bij haar psychische problemen, waarvoor zij ook een EMDR-behandeling heeft ondergaan. Als de minister eerder de amv-buitenschuldvergunning had verleend, had eiseres een leven kunnen opbouwen. De minister heeft haar daarin belemmerd.

14. De rechtbank overweegt als volgt. Eiseres heeft – in het kader van haar betoog over het onderzoek naar adequate opvang – aangevoerd dat de minister ten onrechte heeft tegengeworpen dat zij niet heeft meegewerkt aan de aanvraag voor een laissez-passer (lp). In het bestreden besluit (p. 4) staat hierover: “Dat niet is meegewerkt aan de aanvraag van een laissez-passer wordt meegewogen in de belangenafweging bij 8 EVRM.” Eiseres heeft een brief van maart 2024 overgelegd, waarin zij heeft laten weten dat zij bereid is om het formulier voor een lp-aanvraag te ondertekenen, maar pas als duidelijk is dat de asielprocedure en het onderzoek naar adequate opvang is afgelopen en dat zij definitief geen verblijf kan krijgen in Nederland. De weigering van eiseres speelde zich dus af toen de asielprocedure nog liep. Naar het oordeel van de rechtbank is daarom, mede in het licht van de uitspraak van de Afdeling van 19 november 2024, niet inzichtelijk waarom dit in het nadeel van eiseres weegt. In zoverre is sprake van een motiveringsgebrek. De rechtbank ziet aanleiding om dit gebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) te passeren. Daartoe overweegt de rechtbank het volgende.14.1. De minister heeft op de zitting desgevraagd aangegeven dat, ook als de weigering van eiseres niet in haar nadeel was betrokken, de belangenafweging niet anders zou zijn uitgevallen. De rechtbank kan dit volgen. Uit het bestreden besluit, p. 4 en 5, blijkt niet dat de weigering van eiseres uiteindelijk een rol heeft gespeeld bij de belangenafweging in het kader van artikel 8 van het EVRM. Verder mocht de minister in het nadeel van eiseres wegen dat zij sinds 2023 een beroep op de algemene middelen heeft gedaan. De minister mocht ook betrekken dat eiseres tot haar 15e in Somalië heeft gewoond, waardoor verwacht mag worden dat zij daar (weer) sociale contacten aangaat. Verder kan de rechtbank de minister volgen dat het privéleven dat eiseres tijdens haar amv-buitenschuldvergunning heeft opgebouwd niet zwaarwegend genoeg is om de belangenafweging in haar voordeel te doen uitvallen. De minister mocht daarbij betrekken dat de vergunning een tijdelijke karakter had. De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

15. De minister heeft de aanvraag terecht afgewezen als kennelijk ongegrond.

Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. In de toepassing van artikel 6:22 van de Awb ziet de rechtbank aanleiding de minister te veroordelen in de proceskosten van eiseres. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiseres een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:- verklaart het beroep ongegrond;

- veroordeelt de minister in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.868,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.P. Loman, rechter, in aanwezigheid van mr. S.J. Valk, griffier.

Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. G.P. Loman

Griffier

  • mr. S.J. Valk

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand