[verzoeker] , V-nummer: [V-nummer] , verzoeker
(gemachtigde: mr. S. Karkache),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister.
Inleiding
In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker.
De minister heeft met het besluit van 31 januari 2025 (het primaire besluit) de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd van verzoeker ingetrokken met ingang van
7 juli 2022. Tevens heeft de minister aan verzoeker een terugkeerbesluit en een inreisverbod voor de duur van tien jaar opgelegd. Verzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit.
Bij besluit van 24 juli 2025 is de minister bij het primaire besluit gebleven. Verzoeker heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 24 juli 2025 (het bestreden besluit). Dit beroep is
geregistreerd onder zaaknummer NL25.37844.
Verzoeker heeft de voorzieningenrechter eerder verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. De voorzieningenrechter heeft op 26 augustus 2025 het verzoek toegewezen en daarbij bepaald dat de minister verzoeker niet mag uitzetten totdat op het beroep is beslist.
Verzoeker heeft de voorzieningenrechter op 7 januari 2026 opnieuw verzocht om een voorlopige voorziening te treffen met de strekking dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit worden geschorst. De minister heeft geen verweerschrift ingediend.
De voorzieningenrechter nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat in deze zaak niet nodig is.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
1. De voorzieningenrechter wijst het onderhavige verzoek om een voorlopige
voorziening af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Griffierecht
2. Verzoeker heeft verzocht om vrijstelling van de verplichting om griffierecht te
betalen vanwege betalingsonmacht. Verzoeker heeft voldoende aangetoond dat hij aan de voorwaarden voor deze vrijstelling voldoet. De voorzieningenrechter verleent verzoeker daarom vrijstelling van de verplichting om griffierecht te betalen.
Het verzoek om schorsing van de rechtsgevolgen van het bestreden besluit
3. Verzoeker beoogt met de voorlopige voorziening dat de rechtsgevolgen van het
bestreden besluit worden geschorst en dat de voorzieningenrechter bepaalt dat verzoeker hangende de beroepsprocedure met zaaknummer NL25.37844 geacht wordt (weer) rechtmatig verblijf in Nederland te hebben. Verzoeker bevindt zich thans in strafrechtelijke detentie. Indien hij (weer) rechtmatig verblijf heeft, dan kan hij in aanmerking komen voor een voorwaardelijke invrijheidstelling. Alsdan wil verzoeker toewerken naar resocialisatie en kan hij zijn beroep tegen het bestreden besluit in vrijheid afwachten. Volgens verzoeker dient zijn huidige detentie geen ander doel dan het bewerkstelligen van zijn uitzetting naar Marokko. Die uitzetting is evenwel geblokkeerd door de uitspraak van de voorzieningenrechter van 26 augustus 2025.
4. Als de gevraagde voorziening wordt toegewezen, dan krijgt verzoeker rechtmatig
verblijf in Nederland. Dit terwijl de bestuursrechter nog dient te oordelen over het beroep van verzoeker tegen het bestreden besluit. Slechts in zeer uitzonderlijke omstandigheden kan een verzoek als dat van verzoeker voor toewijzing in aanmerking komen. Dit is het geval als de nadelige gevolgen van de afwijzing van het verzoek voor verzoeker, in verhouding tot de belangen die de minister daarbij heeft, zo onevenredig zijn, dat het rechterlijk oordeel over het beroepschrift niet kan worden afgewacht. Van zo’n onevenredigheid is in beginsel alleen sprake als een zwaarwegend spoedeisend belang van verzoeker daartoe noodzaakt én er sterk getwijfeld moet worden aan de rechtmatigheid van het bestreden besluit.
5. De voorzieningenrechter is van oordeel dat geen sprake is van een zwaarwegend
spoedeisend belang. Het is immers niet gezegd dat verzoeker in aanmerking zal komen voor een voorwaardelijke invrijheidstelling indien hij (weer) in het bezit zou worden gesteld van een geldige verblijfstitel. Uit artikel 6:2:10, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering blijkt namelijk dat een beslissing tot voorwaardelijke invrijheidstelling van méér aspecten afhankelijk is. Deze aspecten zullen door het Openbaar Ministerie nog moeten worden beoordeeld. Er is in dit stadium geen indicatie, laat staan een garantie, dat het Openbaar Ministerie het verzoek tot voorwaardelijke invrijheidsstelling zal honoreren als verzoeker in het bezit zou zijn van een geldige verblijfstitel. Daarmee is het belang van het verkrijgen van rechtmatig verblijf té ver verwijderd van het door verzoeker beoogde doel, te weten het verkrijgen van een voorwaardelijke invrijheidsstelling. De voorzieningenrechter is daarom van oordeel dat het treffen van de verzochte voorlopige voorziening dusdanig verstrekkend zal zijn, dat dit afbreuk zal doen aan het voorlopige karakter ervan.
6. Het argument dat de huidige detentie geen ander doel dient dan de uitzetting van
verzoeker naar Marokko treft geen doel. Verzoeker bevindt zich op dit moment namelijk in strafrechtelijke detentie. Anders dan een vreemdelingrechtelijke maatregel van bewaring is een dergelijke detentie niet gericht op de uitzetting van verzoeker, maar op het “afstraffen” van verzoeker op grond van een strafrechtelijke veroordeling. In hetgeen verzoeker overigens heeft aangevoerd, ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit evident onrechtmatig is.
Conclusie en gevolgen
7. Gelet op het vorenstaande wijst de voorzieningenrechter het verzoek af als kennelijk
ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.A. Schaaf, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. S.J. Valk, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op 17 februari 2026