[eiser] en [eiseres] , V-nummers: [V-nummer] en [V-nummer] ,
mede namens hun minderjarige kinderen [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3], V-nummers: [V-nummer] , [V-nummer] , [V-nummer] ,
eisers
(gemachtigde: mr. M. van Werven),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister
(gemachtigde: mr. H. van Dooren).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van eisers tegen het niet in behandeling nemen van de aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvragen met de bestreden besluiten van 23 maart 2026 niet in behandeling genomen omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de aanvragen.
De rechtbank heeft de beroepen op 21 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eisers, de gemachtigde van eisers, A. Koca als tolk en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
Indirect refoulement
2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvragen van eisers. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die eisers hebben aangevoerd, de beroepsgronden. Op de zitting hebben eisers de grond dat onvoldoende is onderzocht of Frankrijk verantwoordelijk is, ingetrokken.
3. De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond. Dat betekent dat eisers ongelijk krijgen en het niet in behandeling nemen van hun aanvragen in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Totstandkoming van de besluiten
4. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening (Dvo). Op grond van de Dvo neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. In dit geval heeft Nederland bij Duitsland verzoeken om terugname gedaan. Duitsland heeft deze verzoeken aanvaard.
Voornemen
5. Eisers voeren aan dat de minister gebruik heeft gemaakt van standaard voornemens waarbij geen rekening is gehouden met hun situatie in Duitsland en meer in het bijzonder die van hun zoon [minderjarige 1] , die het syndroom van down, diabetes en schildklierproblematiek heeft. Hierdoor is sprake van een onzorgvuldige besluitvorming. Eisers verwijzen hierbij naar uitspraken van deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, van 3 juni 2024 en 28 augustus 2024 (niet gepubliceerd).
6. De rechtbank volgt eisers niet in hun standpunt. De rechtbank verwijst in dit kader naar de uitspraak van de Afdeling van 11 april 2025.. De Afdeling oordeelde dat het feit dat het besluit voor het eerst meer specifiek ingaat op de individuele omstandigheden van een vreemdeling op zichzelf geen grond vormt voor het oordeel dat dit onzorgvuldig is. Dat in het voornemen slechts algemene overwegingen zijn opgenomen en de verklaringen van eisers hierin niet expliciet zijn meegenomen, maakt dan ook niet dat het bestreden besluit onzorgvuldig is voorbereid. Het voornemen is namelijk geen op rechtsgevolg gericht besluit, maar een voorbereidingshandeling. In het voornemen moeten wel alle dragende overwegingen zijn opgenomen, daaronder begrepen een standpunt over de vraag of de aangevoerde individuele omstandigheden aan overdracht in de weg staan. In de voornemens is voldoende duidelijk uiteengezet op welke gronden Duitsland verantwoordelijk is voor de asielaanvragen van eisers. Ook is ingegaan op de omstandigheid van mogelijke medische zorg. Vervolgens zijn eisers in de gelegenheid gesteld om in hun zienswijze hierop te reageren. In de besluiten is de minister ingegaan op alle relevante elementen die tot het niet in behandeling nemen van de asielaanvragen hebben geleid. Verder is in de bestreden besluiten kenbaar en uitgebreid ingegaan op de verklaringen van eisers en wat zij in de zienswijze hebben aangevoerd. Daarbij heeft de minister ook expliciet het belang van het van de minderjarige kinderen alsmede de medische situatie van [minderjarige 1] betrokken. De beroepsgrond slaagt niet.
Interstatelijk vertrouwensbeginsel
7. Eisers stellen dat de minister niet mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Duitsland. Hiertoe voeren zij aan dat er gebreken zijn in de opvangvoorzieningen, de toegang tot de gezondheidszorg en in het onderwijs. Hierbij verwijzen eisers naar de in de zienswijze overgelegde foto’s van de opvang waar zij hebben verbleven. Ter onderbouwing verwijzen eisers ook naar het AIDA-rapport, update 2024, paragraaf 1 van het hoofdstuk Housing. De informatie uit dit rapport is passend bij eisers ervaringen in Duitsland. Ook volgt uit dit rapport dat er in eerste aanleg geen gratis juridische bijstand is, maar dat bijstand ook in de beroepsfase niet gegarandeerd is. De Dublinverordening en het claimakkoord van Duitsland bieden volgens eisers geen garantie dat zij niet in dezelfde mensonterende situatie terecht komen als de vorige keer. Daarbij wijzen zij erop dat uit het AIDA-rapport kan worden opgemaakt dat verzoekers in dezelfde opvang zullen worden geplaatst en dus na overdracht weer in dezelfde onhygiënische en mensonterende omstandigheden zullen moeten verblijven. Op de zitting is in dit verband erop gewezen dat een hygiënische omgeving voor de oudste zoon [minderjarige 1] van belang is vanwege zijn medische problematiek. De minister heeft verder ook ondeugdelijk gemotiveerd dat eisers kunnen klagen bij de Duitse autoriteiten. Eisers hebben namelijk meerdere keren verzocht om overplaatsing, ondersteuning en medische zorg voor [minderjarige 1] , maar hier is nooit gehoor aan gegeven. Eisers hebben ter onderbouwing van dit standpunt een aantal e-mailberichten van instanties in Duitsland overgelegd.
8. De rechtbank stelt voorop dat de minister in zijn algemeenheid ten aanzien van Duitsland mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Dit heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) in de uitspraak van 11 september 2024 nog bevestigd. De Afdeling heeft dit oordeel herhaald in de uitspraak van 14 februari 2025. Dit betekent dat de minister in beginsel mag uitgaan van het vermoeden dat Duitsland zijn internationale verplichtingen tegenover eisers zal nakomen en dat de behandeling van eisers in Duitsland niet in strijd zal zijn met artikel 4 van het Handvest en artikel 3 van het EVRM. Dit vermoeden is weerlegbaar. Het is aan eisers om met concrete aanwijzingen aannemelijk te maken dat zij bij overdracht aan Duitsland, als gevolg van het niet nakomen van internationale verplichtingen door de Duitse autoriteiten, een reëel risico lopen op een met artikel 4 van het Handvest en artikel 3 van het EVRM strijdige behandeling. Daarvoor kunnen zij objectieve informatie over de werking van het asiel- en opvangsysteem in Duitsland overleggen of verklaringen afleggen over hun eigen ervaringen aangaande het asiel- en opvangsysteem in Duitsland. Van een schending van artikel 4 van het Handvest en artikel 3 van het EVRM zal, in geval eisers aannemelijk maken dat er sprake is van tekortkomingen in het asiel- en opvangsysteem, eerst sprake zijn indien die tekortkomingen structureel zijn en een bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid bereiken.
9. De rechtbank ziet in wat eisers hebben aangevoerd geen aanleiding om af te wijken van het oordeel van de Afdeling in voornoemde uitspraken dat van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uitgegaan kan worden. Eisers hebben niet aannemelijk gemaakt dat er ten aanzien van Duitsland sprake is van ernstige, structurele tekortkomingen. Het AIDA-rapport, update 2024, bevat geen wezenlijk andere informatie dan volgt dan uit de eerdere AIDA-rapporten welke al door de Afdeling zijn beoordeeld, zodat dat rapport geen aanleiding geeft voor een ander oordeel. De Duitse autoriteiten hebben middels het claimakkoord gegarandeerd de verzoeken om internationale bescherming van eisers in behandeling te nemen. Daarmee garanderen de zij ook dat zij zich zullen houden aan de internationale verplichtingen die voortvloeien uit de verdragen en Europese richtlijnen die horen bij het behandelen van een asielaanvraag. De in de zienswijze overgelegde foto’s van de opvang en overgelegde e-mailberichten leiden ook niet tot een ander oordeel. Daarbij overweegt de rechtbank dat uit de e-mailberichten niet kan worden opgemaakt dat de Duitse autoriteiten onverschillig staan tegenover de problematiek van [minderjarige 1] . Uit de e-mailberichten wordt duidelijk dat eisers hebben geprobeerd andere woonruimte en voor [minderjarige 1] meer geschikte hulp te verkrijgen. De enkele omstandigheid dat die verzoeken (nog) niet tot het gewenste resultaat hebben geleid, maakt niet dat sprake is van ernstige, structurele tekortkomingen. Verder overweegt de rechtbank dat niet is gebleken dat eisers over de hygiënische situatie in de opvang hebben geklaagd, dan wel dat klagen bij de Duitse autoriteiten voor eisers niet mogelijk of bij voorbaat zinloos is. De beroepsgrond slaagt niet.
Artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening en arrest C.K.
10. Eisers doen een beroep op artikel 17, eerste lid, van de Dvo en het arrest C.K. Hiertoe wijzen zij specifiek op de benodigde speciale zorg, woonruimte en onderwijs voor hun zoon [minderjarige 1] , die het syndroom van down, diabetes en schildklierproblematiek heeft. Deze medische omstandigheden worden op zichzelf niet betwist door de minister. Echter zou de minister gelet op het vorenstaande moeten onderzoeken welke gevolgen overdracht zou hebben voor alle kinderen en welke belangen hierbij zouden spelen. Ten aanzien van [minderjarige 1] had de minister bijvoorbeeld een zogenoemde Best interest of the child (BIC) -assessment kunnen uitvoeren. In de zienwijze is uitvoerig toegelicht, onder verwijzing naar medische literatuur, dat een overdracht angst en stress met zich meebrengt en dat dit een veel grotere impact heeft op personen met het syndroom van down. Ook hebben eisers medische informatie uit Duitsland overgelegd wat een begin van bewijs vormt voor de mogelijke effecten van overdracht op het welzijn en de sociale ontwikkeling van [minderjarige 1] , waardoor de minister gehouden was een BMA-onderzoek te laten verrichten. Tot slot voeren eisers nog aan dat [minderjarige 1] angstig is waardoor hij ’s nachts slecht slaapt, hierdoor slaapt de moeder slechts 2 tot 3 uur per nacht.
11. Met betrekking tot artikel 17, eerste lid, van de Dvo overweegt de rechtbank als volgt. Paragraaf C2/5.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc) bepaalt dat de minister terughoudend gebruik maakt van de bevoegdheid om het verzoek om internationale bescherming hier te lande te behandelen op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dvo, ook al is Nederland op grond van de in de verordening neergelegde criteria daartoe niet verplicht. De minister gebruikt de bevoegdheid om het verzoek om internationale bescherming hier te lande te behandelen als er sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden die maken dat de overdracht van onevenredige hardheid getuigt.
12. De rechtbank overweegt als volgt. Ten aanzien van het belang van het kind overweegt de rechtbank dat de minister hierbij uitgebreid heeft stilgestaan in het bestreden besluit door in te gaan op de gezinssituatie en de medische situatie van [minderjarige 1] . Dat er medische omstandigheden aanwezig zijn, is dan ook niet in geschil. Hoewel de rechtbank inziet dat [minderjarige 1] extra zorg nodig heeft, volgt uit de stukken niet dat deze zorg in Duitsland niet aanwezig is of niet aan Dublinclaimanten beschikbaar wordt gesteld. Ook hier wijst de rechtbank erop dat uit de e-mailberichten zoals op de zitting is besproken, kan worden opgemaakt dat de Duitse autoriteiten bijvoorbeeld meedenken over het vinden van een passende woonruimte voor eisers, waaruit dus niet valt op te maken dat de Duitse autoriteiten hier onwelwillend in staan. Uit de medische stukken volgt verder dat [minderjarige 1] in Duitsland medische zorg heeft ontvangen en dat hier artsen bij betrokken waren. Op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel worden de medische voorzieningen in Duitsland ook van voldoende kwaliteit geacht te zijn. Verder zijn de gestelde slaapproblemen van moeder en [minderjarige 1] ook geen bijzondere, individuele omstandigheden die maken dat de overdracht aan Duitsland onevenredig hard is. De aangehaalde uitspraak van Roermond ziet op een andere situatie waardoor deze uitspraak ook niet tot een ander oordeel leidt. Het beroep op artikel 17, eerste lid, van de Dvo slaagt niet.
13. De rechtbank overweegt als volgt ten aanzien van het arrest C.K. Uit het arrest C.K. volgt dat overdracht van een vreemdeling achterwege dient te blijven indien de overdracht tot een aanzienlijke en onomkeerbare achteruitgang van diens gezondheidstoestand zou leiden. De vreemdeling moet in dat verband objectieve gegevens overleggen die de bijzondere ernst van zijn gezondheidstoestand en ook de aanzienlijke en onomkeerbare gevolgen daarvoor van een overdracht aantonen. Indien eisers deze gegevens hebben overgelegd, dient de minister het risico op een dergelijke verslechtering van de gezondheidstoestand te laten onderzoeken door het BMA, zo volgt uit Werkinstructie 2021/3.
14. Naar het oordeel van de rechtbank zijn eisers hierin niet geslaagd. Uit de overgelegde (medische) informatie blijkt niet dat de overdracht zelf tot een aanzienlijke en onomkeerbare achteruitgang van [minderjarige 1] zijn gezondheidstoestand zou leiden. Artsen zouden hebben aangegeven dat [minderjarige 1] niet per vliegtuig kan reizen vanwege angsten die toenemen in kleine ruimtes. Echter wordt een overdracht van Nederland naar Duitsland over land uitgevoerd, dus niet per vliegtuig. Onder deze omstandigheden ziet de rechtbank ook geen aanknopingspunten dat de minister gehouden was een BMA-advies aan te vragen. Het beroep op het arrest C.K. slaagt niet.
15. De rechtbank overweegt als volgt. Voor zover eisers bedoelen dat zij bij overdracht aan Duitsland vrezen voor indirect refoulement, is in de bestreden besluiten terecht gewezen op het arrest van het Hof van Justitie van de EU van 30 november 2023. Uit dat arrest volgt dat binnen de kaders van een Dublinprocedure niet beoordeeld kan worden of een vreemdeling bij overdracht aan de verantwoordelijke lidstaat een reëel risico loopt op indirect refoulement. Dit is alleen anders als niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uitgegaan kan worden ten aanzien van het betreffende land omdat de vreemdeling aannemelijk heeft gemaakt dat er in dat land sprake is van systeemfouten in de asielprocedure en de opvangvoorzieningen voor personen die om internationale bescherming verzoeken. Gezien hetgeen daarover hiervoor overwogen is, kan nog steeds van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uitgegaan worden. De rechtbank komt daarom niet toe aan het toetsen van indirect refoulement.
Conclusie en gevolgen
16. De beroepen zijn ongegrond. Dat betekent dat eisers geen gelijk krijgen. Eisers krijgen geen vergoeding van hun proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P.J. Blok, rechter, in aanwezigheid van S.N. Lekatompessij, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
06 mei 2026
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.