RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen
[verzoeker 1] , geboren op [geboortedag 1] 1978,
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummer: NL25.18235
V-nummers: [v nummer 1]
[v nummer 2]
[v nummer 3]
[verzoeker 2] , geboren op [geboortedag 2] 2012,
[verzoeker 3] , geboren op [geboortedag 3] 2014,
allen van Nigeriaanse nationaliteit, hierna gezamenlijk: verzoekers
(gemachtigde: mr. A.S. Bodha),
en
(gemachtigde: [gemachtigde] ).
Procesverloop
1. Bij besluit van 20 maart 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van verzoekers voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met als verblijfsdoel ‘verblijf als familie- of gezinslid bij [persoon] ’ afgewezen.
Verzoekers hebben bezwaar gemaakt tegen het bestreden besluit. Daarnaast hebben verzoekers op 16 april 2025 de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen die ertoe strekt hun uitzetting te verbieden totdat op hun bezwaar is beslist.
De voorzieningenrechter doet uitspraak zonder zitting op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
2. Op 27 november 2025 heeft verweerder de rechtbank laten weten zich niet te verzetten tegen toewijzing van de gevraagde voorlopige voorziening, voor zover dit ziet op het niet uitzetten van verzoekers totdat er een beslissing is genomen op hun bezwaar.
3. Tussen partijen is niet in geschil dat van uitzetting van verzoekers moet worden afgezien. De voorzieningenrechter ziet daarom aanleiding het verzoek om een voorlopige voorziening toe te wijzen als kennelijk gegrond en de uitzetting te verbieden tot vier weken nadat op het bezwaar is beslist. Indien het bezwaar wordt ingetrokken of anderszins wordt beëindigd, zal deze voorlopige voorziening komen te vervallen.
4. Omdat het verzoek wordt toegewezen moet verweerder het griffierecht van € 194,- aan verzoekers vergoeden. Daarnaast moet verweerder aan verzoekers een proceskostenvergoeding betalen. De voorzieningenrechter stelt deze proceskostenvergoeding aan de hand van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 934,- (1 punt voor het indienen van verzoekschrift met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).
Beslissing
De voorzieningenrechter:
- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe, in die zin dat verweerder wordt verboden om verzoekers uit te zetten tot vier weken nadat op het bezwaar is beslist;
- bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 194,- aan verzoekers moet vergoeden;
- bepaalt dat verweerder de proceskosten van verzoekers moet vergoeden tot een bedrag van € 934,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.B. de Boer, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.A. Hollander, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.