RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiseres] , V-nummer: [V-nummer] , eiseres
de minister van Asiel en Migratie,
Samenvatting
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.7234
(gemachtigde: mr. K. Mohasselzadeh),
en
(gemachtigde: mr. W.M.A. van Hoof).
1. Deze uitspraak gaat over het bestreden besluit van de minister tot intrekking van de reguliere verblijfsvergunning voor bepaalde tijd onder de beperking ‘tijdelijk humanitair’ per 28 november 2023. Bij dit bestreden besluit is ook bepaald dat aan eiseres geen ‘niet-tijdelijke verblijfsvergunning regulier op humanitaire gronden’ wordt verleend. Eiseres is hier niet mee eens en voert daartoe een aantal beroepsgronden aan.
2. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister de intrekking van de verblijfsvergunning deugdelijk heeft gemotiveerd. De minister heeft ook deugdelijk gemotiveerd dat er geen aanleiding is om aan eiseres een verblijfsvergunning ‘humanitair niet-tijdelijk’ te verlenen. En de minister heeft deugdelijk gemotiveerd dat artikel 8 van het EVRM eiseres geen recht geeft op een verblijfsvergunning. Dat betekent dat eiseres ongelijk krijgt en het besluit om de verleende verblijfsvergunning in te trekken en geen ambtshalve verblijfsvergunning ‘niet-tijdelijk humanitair’ te verlenen in stand blijft. Hieronder wordt uitgelegd hoe de rechtbank tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.
Procesverloop
3. Eiseres komt uit Uganda en heeft op 8 juli 2023 een asielaanvraag ingediend. Op die asielaanvraag is nog niet beslist. Eiseres heeft op 16 november 2023 aangifte van mensenhandel gedaan. Naar aanleiding van die aangifte heeft de minister in het kader van de Verblijfsregeling Mensenhandel aan eiseres op 22 november 2023 een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘tijdelijke humanitaire gronden’ verleend, met een geldigheidsduur van 22 november 2023 tot 22 november 2024. Op 28 november 2023 heeft het Openbaar Ministerie na bestudering van het dossier besloten niet over te gaan tot vervolging naar aanleiding van de aangifte van mensenhandel. De reden hiervoor is dat de omschrijvingen in de aangifte te summier en onvoldoende concreet zijn om op door te rechercheren.
4. Op 29 november 2023 heeft de minister aan eiseres zijn voornemen tot intrekking van de verblijfsvergunning bekend gemaakt, omdat het strafrechtelijk onderzoek is geëindigd en zij daarom niet meer voldoet aan de beperking waaronder de verblijfsvergunning is verleend. In het primaire besluit van 1 juli 2024 heeft de minister de verblijfsvergunning van eiseres per 28 november 2023 ingetrokken, omdat niet meer werd voldaan aan de beperking waaronder deze was verleend. In haar bezwaar van 3 september 2024 heeft eiseres gronden ingediend tegen de intrekking van de verblijfsvergunning en de minister verzocht de beperking ‘humanitair tijdelijk’ ambtshalve te wijzigen in de beperking ‘humanitair niet-tijdelijk’. Bij bestreden besluit van 17 januari 2025 heeft de minister de intrekking van de verblijfsvergunning in stand gelaten. Bij dit besluit is ook bepaald dat aan eiseres geen verblijfsvergunning regulier op niet-tijdelijke humanitaire gronden wordt verleend. De minister ziet daarvoor geen reden, omdat hij meent dat eiseres haar verzoek onvoldoende heeft onderbouwd.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. De rechtbank heeft het beroep op 5 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van de minister.
Bij sluiting van het onderzoek op zitting heeft de rechtbank meegedeeld binnen zes weken uitspraak te doen. De rechtbank heeft deze termijn niet gehaald en partijen bericht zes weken later uitspraak te doen.
Beoordeling door de rechtbank
Over het griffierecht
5. Eiseres heeft verzocht om vrijgesteld te worden van betaling van het griffierecht. Eiseres heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat zij voldoet aan de voorwaarden voor vrijstelling. Het verzoek om vrijstelling van het griffierecht wordt daarom definitief toegewezen.
Over de intrekking van de verblijfsvergunning
6. Artikel 14 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) geeft de minister de bevoegdheid om een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen. Deze vergunning wordt verleend onder beperkingen die verband houden met het doel waarvoor het verblijf is toegestaan. Eén van die mogelijke beperkingen volgt uit de Verblijfsregeling Mensenhandel: Aan de vreemdeling die slachtoffer-aangever is van mensenhandel kan een verblijfsvergunning worden verleend gedurende de looptijd van het strafrechtelijk onderzoek. De minister trekt de verblijfsvergunning van een slachtoffer van mensenhandel in als het strafrechtelijk onderzoek is geëindigd.
7. Tussen partijen is niet langer in geschil dat de minister de verblijfsvergunning ‘tijdelijk humanitair’ mocht intrekken, omdat met het sepotbesluit van het openbaar ministerie van 28 november 2023 de beperking op grond waarvan deze verblijfsvergunning was verleend is komen te vervallen.
Had de minister eiseres ambtshalve een verblijfsvergunning onder de beperking ‘niet-tijdelijke humanitaire gronden’ moeten verlenen?
8. De minister kan zowel ambtshalve als op aanvraag een verblijfsvergunning ‘humanitair niet-tijdelijk’ verlenen als de vreemdeling heeft onderbouwd dat op grond van bijzondere individuele omstandigheden die rechtstreeks verband houden met mensenhandel niet van hem kan worden gevergd dat hij Nederland verlaat. De vreemdeling moet dus aannemelijk maken dat hij slachtoffer is van mensenhandel én dat er bijzondere individuele omstandigheden zijn die maken dat van hem niet gevergd kan worden dat hij Nederland verlaat, zodat aan hem een verblijfsvergunning moet worden verleend. De minister heeft voor de doortoets-mogelijkheid van artikel 3.6b van het Vb het Informatiebericht (IB) 2024/19 opgesteld. Hierin staat dat de minister gebruik zal maken van de bevoegdheid om door te toetsen als: 1. de vreemdeling aangeeft ook in aanmerking te komen voor een beperking verband houdend met medische behandeling, tijdelijke humanitaire gronden of niet-tijdelijke humanitaire gronden (art. 3.6b, onder a, Vb), mits (i) deze beperking in nauw verband staat tot dan wel in het verlengde ligt van de eerst gevraagde beperking of de huidige verblijfsvergunning en (ii) voldoende is onderbouwd; en of 2. de vreemdeling mogelijk familie- of gezinsleven, en of privéleven heeft in de zin van artikel 8 EVRM (art. 3.6b, onder c, Vb). Als de verblijfsaanspraken onvoldoende zijn onderbouwd en er door verweerder dus nog veel (tijdrovende) inspanningen moeten worden verricht voordat er ambtshalve een beslissing kan worden genomen, weegt het belang van verweerder zwaarder dan dat van de vreemdeling bij een ambtshalve oordeel. In het besluit wordt daarom uitgelegd waarom er niet wordt door-getoetst en dat er dus een aparte aanvraag moet worden ingediend. De rechtbank acht IB 2024/19 niet onredelijk.
9. Eiseres voert aan dat de minister had moeten doortoetsen op grond van artikel 3.6b van het Vb. Het argument van de minister dat er zorgvuldig onderzoek nodig is en dat dit betekent dat er nog veel (tijdrovende) inspanningen verricht moeten worden voor er ambtshalve een besluit genomen zou kunnen worden, is geen deugdelijke motivering en in strijd met de zorgvuldigheidsbeginsel. Want bij een nieuwe aanvraag moet de minister dezelfde inspanningen verrichten. Dat eiseres slachtoffer is van mensenhandel is volgens eiseres niet betwist.
10. De rechtbank volgt eiseres niet in haar stelling dat niet is betwist dat zij slachtoffer is van mensenhandel. Eiseres had immers slechts een procedureel tijdelijk rechtmatig verblijf in afwachting van een nader onderzoek naar slachtofferschap van mensenhandel. Hieruit kan niet de conclusie getrokken worden dat zij slachtoffer is van mensenhandel, dat was immers in onderzoek. Als eiseres vervolgens een beroep op artikel 3.6b van het Vb doet, omdat zij meent dat niet van haar gevergd kan worden dat zij Nederland verlaat in verband met bijzondere individuele omstandigheden die rechtstreeks verband houden met mensenhandel, dan ligt het op de weg van eiseres zelf om aannemelijk te maken dat zij slachtoffer is geworden van mensenhandel. Dat heeft eiseres nu nog onvoldoende gedaan. Eiseres heeft niet meer verklaard dan dat zij slachtoffer is geworden van mensenhandel en zij heeft een zeer algemene omschrijving gegeven van de personen die daar volgens haar verantwoordelijk voor zijn. Zij heeft geen verifieerbare verklaringen hierover afgelegd en niet gedetailleerd en concreet verklaard hoe zij slachtoffer is geworden van mensenhandel. De rechtbank oordeelt daarom dat de minister niet ten onrechte stelt en voldoende heeft toegelicht dat hij niet ambtshalve hoeft door te toetsen, omdat niet wordt voldaan aan de voorwaarden van voldoende onderbouwing (voorwaarde ii) in het IB 2024/19. Hierbij merkt de rechtbank (wellicht ten overvloede) nog op dat de stelling van eiseres dat de minister ook bij een nieuwe aanvraag tijdrovende inspanningen moet verrichten, miskent dat het ook in die situatie eerst op de weg van eiseres ligt om aannemelijk te maken dat zij slachtoffer is van mensenhandel. Het staat eiseres vrij om in de lopende asielprocedure of in een nieuwe aanvraag de mensensmokkelproblematiek onder de aandacht te brengen en verder te onderbouwen.
Had de minister op grond van artikel 8 EVRM een verblijfsvergunning moeten verlenen?
11. Eiseres voert aan dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd dat haar beroep op artikel 8 EVRM niet slaagt. Het kind van eiseres is in Nederland geboren en onduidelijk is welke nationaliteit hij heeft. Ook zijn de belangen van het kind niet betrokken bij de beoordeling.
12. De rechtbank volgt eiseres hierin niet. De minister stelt hierover terecht dat intrekking van de verblijfsvergunning niet leidt tot een scheiding van haar gezinsleden. Eiseres en haar kind hebben allebei geen verblijf op grond van een verblijfsvergunning, zodat sprake is van een gezamenlijke ontzegging van verblijf in Nederland voor eiseres en haar kind. Hierbij merkt de rechtbank nog op dat een kind dat in Nederland geboren wordt niet op die grondslag de Nederlandse nationaliteit verkrijgt. De nationaliteit van het kind hangt namelijk af van de nationaliteit van de ouders.
Had de minister eiseres moeten horen?
13. Eiseres betoogt dat de minister haar in deze procedure had moeten horen over haar slachtofferschap van mensenhandel en over haar privéleven in het kader van haar beroep op bescherming op grond van artikel 8 van het EVRM.
14. De rechtbank volgt het betoog van eiseres niet. Zoals hiervoor is uiteengezet heeft eiseres onvoldoende concreet en gedetailleerd naar voren gebracht hoe zij slachtoffer is geworden van mensenhandel. Daarom was op voorhand duidelijk dat er redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk was dat het in bezwaar aangevoerde niet tot een ander standpunt zou kunnen leiden. Een hoorzitting is niet bedoeld als een herkansing om alsnog met die onderbouwing te komen. Hetzelfde geldt voor eiseres’ standpunt over haar privéleven. Zij heeft niet toegelicht waarom er sprake is van privéleven, zodat ook hier op voorhand duidelijk was dat er redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk was dat het in bezwaar aangevoerde niet tot een ander standpunt zou kunnen leiden.
Conclusie en gevolgen
15. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres ongelijk krijgt en het besluit om de verleende verblijfsvergunning in te trekken en geen ambtshalve verblijfsvergunning ‘niet-tijdelijk humanitair’ te verlenen in stand blijft. Eiseres krijgt daarom geen vergoeding van haar proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. van der Knijff, rechter, in aanwezigheid van mr. L.M. Janssens - Kleijn, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: 30 april 2026
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.