ECLI:NL:RBDHA:2026:10836

ECLI:NL:RBDHA:2026:10836

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 08-04-2026
Datum publicatie 07-05-2026
Zaaknummer NL26.16823
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Rotterdam

Samenvatting

Bewaring, vervolgberoep, rechtmatig verblijf vanwege ‘Chavez-aanvraag, gegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam eiser] , eiser

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

Zittingsplaats Rotterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.16823

V-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. N. van Bremen)

en

(gemachtigde: mr. J.E. Herlaar).

Procesverloop

Verweerder heeft op 18 januari 2026 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.

Verweerder heeft op 25 maart 2026 de maatregel van bewaring opgeheven.

Eiser heeft op 25 maart 2026 tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.

Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.

De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft en het vooronderzoek op 1 april 2026 gesloten.

Overwegingen

Inleiding

1. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan (op 25 maart 2026) onrechtmatig is geweest.

2. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 30 januari 2026 (in de zaak NL26.3142) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek (op 28 januari 2026) dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek. De in deze uitspraak te toetsen periode loopt dus van 28 januari 2026 tot 25 maart 2026.

Rechtmatig verblijf vanwege ‘Chavez-aanvraag’

3. Eiser voert aan dat de maatregel van bewaring al op 23 maart 2026 opgeheven had moeten worden. Op die datum heeft hij namelijk een aanvraag tot toetsing aan het EU-recht ingediend, waardoor de voortzetting van de bewaring vanaf dat moment onrechtmatig was.

Uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 12 november 2021, ECLI:NL:RVS:2021:2530, rechtsoverweging 14, volgt dat ten aanzien van vreemdelingen die ná het opleggen van de bewaring krachtens artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw een aanvraag om toetsing aan het EU-recht hebben ingediend, de bewaring niet langer kan worden voortgezet. Uit onder meer rechtsoverwegingen 13.2 en 16.2.3 van die uitspraak volgt dat de aanvraag om toetsing aan het EU-recht leidt tot procedureel rechtmatig verblijf op grond van artikel 8, aanhef en onder e, van de Vw en tot schorsing van alle rechtsgevolgen van het voorafgaand aan die aanvraag genomen separate terugkeerbesluit.

Tussen partijen is niet in geschil dat de maatregel van bewaring moest worden opgeheven vanaf het moment dat de ‘Chavez-aanvraag’ rechtsgeldig door eiser was ingediend. Partijen verschillen echter van mening over de vraag wanneer die aanvraag rechtsgeldig door eiser is ingediend; eiser stelt dat dit op 23 maart 2026 was, terwijl verweerder stelt dat dit op 25 maart 2026 was.

Eiser heeft de ‘Chavez-aanvraag’ op 23 maart 2026 naar een bij verweerder in gebruik zijnd e-mailadres verzonden, terwijl hij in het detentiecentrum Rotterdam (DCR) verbleef. Verweerder stelt terecht dat bij de indiening van deze aanvraag artikel 3.101, tweede lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) niet is nageleefd. Uit deze bepaling volgt dat een dergelijke verblijfsaanvraag moet worden ingediend op de plaats waar de vrijheidsontneming ten uitvoer wordt gelegd. Dit laat naar het oordeel van de rechtbank echter onverlet dat er op 23 maart 2026 wel een rechtsgeldige verblijfsaanvraag door eiser is ingediend. De rechtbank wijst hierbij op de uitspraak van de Afdeling van 10 juli 2008, ECLI:NL:RVS:2008:BD8594 (r.o. 2.2 en verder).

Uit het voorgaande volgt dat eiser op 23 maart 2026 procedureel rechtmatig verblijf op grond van artikel 8, aanhef en onder e, van de Vw heeft verkregen. Dit betekent dat zijn bewaring vanaf die datum niet langer mocht worden voortgezet. De onder 3. weergegeven beroepsgrond slaagt.

Conclusie en gevolgen

4. Het beroep is gegrond en de maatregel van bewaring was vanaf 23 maart 2026 tot het moment van opheffing daarvan op 25 maart 2026 onrechtmatig.

5. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen. Er is sprake van drie dagen onrechtmatige bewaring in een detentiecentrum. Normaliter wordt hiervoor een schadevergoeding van (3 x € 120,- =) € 360,- toegekend. De rechtbank ziet in dit geval echter aanleiding om dit bedrag met 50% te matigen, tot een schadebedrag van € 180,-. Hiertoe geldt het volgende. De aanvraag is niet, zoals voorgeschreven in artikel 3.101, tweede lid, van het Vb, ingediend in het DCR, maar langs digitale weg. Dit terwijl eiser werd bijgestaan door een professioneel rechtshulpverlener, van wie mocht worden verwacht dat hij bekend is met deze bepaling en de daarin vermelde wijze/plaats van indiening van een verblijfsaanvraag. Daarnaast heeft eiser, ondanks de verkeerde wijze/plaats van indiening, niet zelf bij het DCR of zijn regievoerder aangegeven dat hij via digitale weg een aanvraag had ingediend. Hiermee heeft eiser nagelaten schadebeperkend te handelen en er voor een deel zelf aan bijgedragen dat hij te lang in bewaring heeft gezeten. Immers, als eiser de aanvraag wel op de voorgeschreven wijze/plaats had ingediend of als eiser wel bij het DCR of zijn regievoerder melding had gemaakt van zijn langs digitale weg ingediende aanvraag, had de bewaring eerder opgeheven kunnen worden. In dit geval heeft verweerder de bewaring ook direct opgeheven nadat de gemachtigde van eiser de aanvraag op 25 maart 2026 alsnog had doorgestuurd naar de DT&V en het ILC.

6. De rechtbank ziet gezien de gegrondverklaring van het beroep voorts aanleiding om verweerder te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 934,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van een schadevergoeding aan eiser tot een bedrag van € 180,-, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 934,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. F.A. Groeneveld, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Stehouwer, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. F.A. Groeneveld

Griffier

  • mr. M. Stehouwer

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand