ECLI:NL:RBDHA:2026:10872

ECLI:NL:RBDHA:2026:10872

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 30-04-2026
Datum publicatie 07-05-2026
Zaaknummer NL26.17338 en NL26.17339
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Den Haag

Samenvatting

mondelinge uitspraak - Dublinverordening Bulgarije - concreet aanknopingspunt dat de status in Bulgarije wellicht is ingetrokken - terugnameverzoek te laat - beroep gegrond - bestreden besluit vernietigd

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

[eiser] , V-nummer: [V-nummer] eiser/verzoeker (hierna: eiser)

de minister van Asiel en Migratie, verweerder(gemachtigde: mr. J. Amakodo).

Bestuursrecht

zaaknummers: NL26.17338 en NL26.17339

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaak tussen

(gemachtigde: mr. M.S. Nizamoeddin)

en

Procesverloop

Eiser heeft in Nederland asiel aangevraagd. Verweerder heeft die aanvraag met het bestreden besluit van 26 maart 2026 niet in behandeling genomen omdat Bulgarije ervoor verantwoordelijk is.

De rechtbank heeft het beroep op 30 april 2026 op zitting behandeld. Aan de zitting hebben deelgenomen: eiser, mr. M.J.A. Bakker als waarnemer van de gemachtigde van eiser, H. Rida als tolk en de gemachtigde van verweerder.

Na afloop van de behandeling van de zaak ter zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beslissing

De rechtbank:

De voorzieningenrechter verklaart het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.

Overwegingen

De regels

1. Centraal in deze zaak staat artikel 24 lid 2 van de Dublinverordening. In die bepaling staat dat een terugnameverzoek moet worden gedaan binnen drie maanden nadat de verzoekende lidstaat vaststelt dat wellicht een andere lidstaat verantwoordelijk is.

De feiten en de weging van die feiten door partijen

2. In dit geval heeft eiser op 25 september 2025, tijdens een gehoor, verteld dat zijn status in Bulgarije is ingetrokken. Ook heeft hij een dag later een foto van een Bulgaars stuk ingebracht. In dit stuk (stuk 1) staat dat door de voorzitter van het Staatsagentschap voor de Vluchtelingen is besloten tot beëindiging van eisers status in Bulgarije. Verweerder heeft aan dit stuk geen betekenis toegekend omdat het om een niet zo hele scherpe foto gaat waarop geen handtekening te zien is. Volgens verweerder is de termijn daarom, anders dan eiser betoogt, niet gaan lopen op 25 september 2025.

3. Verweerder heeft wel betekenis toegekend aan een op 13 november ingebrachte kopie van een Bulgaars stuk. Dit stuk (stuk 2) is duidelijker en ondertekend. De termijn van drie maanden is daarom volgens verweerder gestart op het moment van inbrengen van dit document.

Het oordeel van de rechtbank

4. Naar het oordeel van de rechtbank is de termijn in dit geval – gelet op de tekst van artikel 24 lid 2 van de Dublinverordening – gestart op het moment dat er een concreet aanknopingspunt is dat de status wellicht is ingetrokken.

5. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de verschillen tussen stuk 1 en 2 beperkt. Het gaat in beide gevallen om een officieel ogend stuk met bovenaan het logo van het Bulgaarse Staatsagentschap voor de vluchtelingen. De inhoud komt ook op hetzelfde neer. Ter zitting is vastgesteld dat partijen het daarover eens zijn. Op stuk 1 is een paraaf te zien, hoewel niet duidelijk is in welke hoedanigheid die paraaf er staat. De rechtbank vindt daarom dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom er met stuk 2 wel een aanknopingspunt zou zijn en met stuk 1 niet. Dat stuk 1 een iets minder scherpe foto betreft is daartoe onvoldoende. In het licht hiervan kan de rechtbank verweerder niet volgen dat de termijn pas is gestart met het inbrengen van stuk 2 en niet reeds met het inbrengen van stuk 1.

6. Uitgaande van een start van de termijn op 25 of 26 september 2025, heeft verweerder zijn terugnameverzoek te laat gedaan.

Gevolgen en rechtsmiddel

7. Nu er uitspraak is gedaan op het beroep en er niet langer sprake is van connexiteit, wordt het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk verklaard.

8. Omdat het beroep gegrond is, veroordeelt de rechtbank verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht stelt de rechtbank de kosten voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand voor het beroep vast op € 2.802,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het indienen van het verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen op zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).

9. Partijen hebben, na verzending van het proces-verbaal van mondelinge uitspraak, een week de tijd om in hoger beroep te gaan bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State als ze het niet eens zijn met de uitspraak op het beroep. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen hoger beroep of verzet open.

Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 30 april 2026 door mr. B. van Dokkum, rechter, in aanwezigheid van mr. H.S. van Wessel, griffier.

Dit proces-verbaal is bekendgemaakt op 4 mei 2026.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. B. van Dokkum

Griffier

  • mr. H.S. van Wessel

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand