RECHTBANK DEN HAAG
tussenuitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen
[naam], V-nummer: [nummer], eiser
de minister van Asiel en Migratie,
Samenvatting
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.18692 T
(gemachtigde: mr. L.J. Meijering),
en
(gemachtigde: mr. J. Kloosterman en mr. N.N. Bontje).
1. Deze tussenuitspraak wordt gedaan hangende het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag voor bepaalde tijd. Eiser is van Somalische nationaliteit en is geboren op [datum]. Hij heeft op 12 november 2024 een (opvolgende) aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend.
Procesverloop
2. Eiser heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 22 april 2025 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als kennelijk ongegrond.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. De minister heeft twee verweerschriften ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 22 juli 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, een tolk en de gemachtigde van de minister.
Op 25 juli 2025 heeft de rechtbank de behandeling verwezen naar een meervoudige kamer.
Op 29 juli 2025 zijn namens eiser drie deskundigenrapportages overgelegd, alsmede een artikel over het gebruik van algoritmen. Op 30 augustus 2025 zijn tevens aanvullende gronden van beroep ingediend.
Op 9 september 2025 heeft de rechtbank, in voorbereiding op de zitting, schriftelijke vragen gesteld aan de minister. De rechtbank heeft de minister verder verzocht om in te gaan op de bevindingen van de door de gemachtigde van eiser geraadpleegde deskundigen als ook op de door de gemachtigde aangehaalde informatie. Op 15 oktober 2025 heeft de minister gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 29 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigden van de minister. Ook is een technisch expert van de IND verschenen. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten.
De rechtbank heeft op 6 november 2025 het onderzoek heropend en de minister verzocht om aanvullende informatie over de feitelijke werking van CaseMatcher.
Op 3 december 2025 is namens de minister gereageerd ten aanzien van het verzoek om aanvullende informatie. Op 29 januari 2026 is namens de minister aanvullende informatie overgelegd. Op 2 maart 2026 is namens eiser gereageerd.
De rechtbank heeft op grond van artikel 8:80a in samenhang met artikel 8:51a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) besloten tot het doen van deze tussenuitspraak. De rechtbank overweegt in deze tussenuitspraak welk gebrek hiertoe aanleiding heeft gegeven, op welke wijze dit gebrek kan worden hersteld en hoe het onderzoek zal worden voortgezet.
Overwegingen
3. Eiser voert, kort samengevat, aan dat dat de minister in het besluit ten onrechte niet heeft vermeld dat hij gebruik heeft gemaakt of gemaakt kan hebben van een algoritme. De minister gebruikt bij de besluitvorming in asielaanvragen de zogeheten ‘CaseMatcher’. Eiser vindt dat de besluitvorming van de minister transparant, inzichtelijk en controleerbaar moet zijn, wat betekent dat de minister op deugdelijke wijze informatie moet geven over de algoritmes die hij gebruikt. Er is geen (wettelijke) regeling voor het gebruik van de ‘CaseMatcher’ of AI door de minister. Daardoor is onvoldoende geborgd dat het besluit zorgvuldig tot stand komt en dat bij de totstandkoming van het besluit niet wordt gediscrimineerd. De waarborgen die op de website over de ‘CaseMatcher’ worden genoemd, zijn niet neergelegd in een (wettelijke), voor de rechter toetsbare, regeling. Bij het gebruik van de ‘CaseMatcher’ is volgens eiser verder onvoldoende garantie dat bij toepassing ervan geen discriminatie plaatsvindt. Uit informatie van het College voor de rechten van de mens blijkt dat algoritmes kunnen discrimineren. Eiser wijst op de AI-verordening. Deze is volgens eiser van toepassing omdat de besluitvorming onder het EU-recht valt. De minister heeft gebruik gemaakt van een AI-systeem dat op grond van artikel 5 van de verordening verboden is. Subsidiair stelt eiser zich op het standpunt dat de minister gebruik heeft gemaakt van een AI-systeem met een hoog risico in de zin van artikel 6 van de verordening, waarvoor strikte verplichtingen gelden bij het gebruik. Het gebrek aan regelgeving kan volgens eiser tot slot ook met zich brengen dat de ambtenaar naast de ‘CaseMatcher’ gebruik kan hebben gemaakt van andere vormen van AI, zoals ChatGPT of Copilot.
4. De rechtbank ziet zich allereerst voor de vraag gesteld of CaseMatcher een AI-toepassing is. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister de (technische) werking van CaseMatcher onvoldoende inzichtelijk gemaakt, zodat het standpunt van de minister dat CaseMatcher geen AI-systeem is zonder nadere motivering niet kan worden gevolgd. De rechtbank acht hierbij het volgende van belang.
5. De gemachtigde van de minister heeft zich in het verweerschrift en op zitting op het standpunt gesteld dat de software die aan CaseMatcher ten grondslag ligt weliswaar gebruik maakt van een algoritme, maar dat het geen AI-systeem is. De minister stelt voorop dat CaseMatcher niet in staat is om te leren, redeneren of modelleren en daarmee niet zelfstandig acties kan uitvoeren of capaciteiten kan aanleren. Volgens de minister is Casematcher een simpele zoekmachine die op basis van een ‘keyword search’ enkel vaststelt of en zo ja, hoe vaak, een bepaalde zoekterm in een document of zaak voorkomt. Dit gebeurt aan de hand van statistische principes en wiskundige berekeningen. Volgens de minister gaat het hierbij enkel om (het optellen van) zoektermen en dus niet om een (gedeeltelijk) autonome of (gedeeltelijk) zelflerende toepassing. De minister heeft er verder op gewezen dat uit het evaluatierapport volgt dat bij de implementatie van CaseMatcher is afgezien van het gebruik van AI.
6. De rechtbank heeft na de zitting van 29 oktober 2025 aanleiding gezien om het onderzoek te heropenen en heeft de minister verzocht om documenten te overleggen waaruit het geheel aan regels blijkt dat ten grondslag ligt aan de werking van het algoritme. Verder heeft de rechtbank verzocht om nadere stukken waaruit blijkt of, en zo ja welke, risico’s op (automation) bias bij het gebruik van CaseMatcher door de minister in kaart zijn gebracht en welke maatregelen in het kader van de mogelijke risico’s zijn genomen.
7. Op 29 januari 2026 heeft de minister aanvullende documenten overgelegd. In de verklaring van de technisch expert is toegelicht dat binnen CaseMatcher gebruik wordt gemaakt van een eenvoudige software van een externe partij. Hieraan is geen AI-element toegevoegd. De softwareleverancier heeft in een verklaring toegelicht dat de software gebaseerd is op rule-based formules en dat het systeem geen voorspellingen, aanbevelingen, classificaties of besluiten kan genereren. Het systeem heeft evenmin een zelflerend vermogen. De relevantiescore zou verder worden bepaald aan de hand van verschillende methoden. De formules die hieraan ten grondslag liggen opereren enkel op basis van informatie zoals de vraag hoe vaak een zoekterm in een document voorkomt en op basis van vooraf ingestelde wiskundige wegingsfactoren.
8. De minister heeft ook stukken overgelegd die zien op de vraag of sprake kan zijn van (automation) bias. Volgens de technisch expert kan het in theorie zo zijn dat een zoekterm vaker voorkomt in zaken waarin een aanvraag wordt afgewezen dan in zaken waarin een aanvraag is ingewilligd. Ondanks dat dit volgens de technisch expert geen risico voor bias oplevert, is bepaald dat medewerkers voorafgaand aan het gebruik ervan een e-learning moeten doorlopen. De minister heeft screenshots overgelegd van deze e-learning.
9. De rechtbank is van oordeel dat de minister met de overgelegde documenten en de toelichting onvoldoende inzicht heeft gegeven in de technische werking van CaseMatcher. De minister heeft in de stukken met name toegelicht dat geen sprake is van een AI-systeem en dit standpunt met verschillende verklaringen nader onderbouwd. Hiermee is echter niet voldaan aan het verzoek van de rechtbank om documenten over te leggen die inzicht geven in de regels die ten grondslag liggen aan het algoritme. Het is voor de rechtbank daardoor niet inzichtelijk geworden op welke wijze de relevantie van een zoekresultaat wordt bepaald.
10. De rechtbank is verder van oordeel dat ook onvoldoende is gemotiveerd dat geen sprake is van (confirmation) bias, dan wel dat eventuele risico’s hierop voldoende zijn ondervangen. De enkele stelling dat de wijze waarop zoekresultaten worden weergegeven geen risico voor bias oplevert, acht de rechtbank hiervoor onvoldoende. De rechtbank overweegt verder dat uit de screenshots van de e-learning blijkt dat aan medewerkers de tip wordt gegeven om CaseMatcher niet te gebruiken om patronen of profielen over zaken heen te analyseren en dat het ongewenst is om te zoeken op afdoeningswijze, omdat dit kan leiden tot tunnelvisie. De rechtbank kan de minister zonder nadere motivering dan ook niet volgen in het standpunt dat het gebruik van CaseMatcher geen risico op (confirmation) bias met zich brengt.
11. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat sprake is van een motiveringsgebrek. De rechtbank stelt de minister door middel van deze tussenuitspraak in de gelegenheid dit gebrek te herstellen en alsnog de door de rechtbank verzochte documenten over te leggen. Het gaat hierbij om stukken die ten tijde van de ontwikkeling van CaseMatcher zijn gebruikt, waaruit het geheel aan regels blijkt die ten grondslag liggen aan de werking van het algoritme. Uit de documenten moet in ieder geval blijken:
De rechtbank acht verder van belang dat de stelling dat er expliciet voor is gekozen om bij de ontwikkeling en implementatie van CaseMatcher geen gebruik te maken van AI, eveneens nader wordt onderbouwd door middel van documenten.
12. Tot slot moet de minister documenten overleggen waaruit blijkt of, en zo ja, welke risico’s op (automation) bias bij het gebruik van CaseMatcher door de minister in kaart zijn gebracht. Ook moet hieruit blijken welke maatregelen in het kader van deze mogelijke risico’s zijn genomen en welke eventuele restrisico’s er zijn.
Conclusie en gevolgen
13. Gelet op wat onder rechtsoverweging 9 tot en met 12 is overwogen stelt de rechtbank de minister schriftelijk in de gelegenheid de motiveringsgebreken zoals beschreven onder voornoemde rechtsoverwegingen te herstellen. De minister wordt verzocht de rechtbank schriftelijk te informeren over het geheel aan regels die ten grondslag liggen aan de werking van het algoritme. De rechtbank verzoekt hierbij in het bijzonder om stukken waaruit blijkt hoe documenten worden gerangschikt op basis van de frequentie van zoektermen en andere criteria, of en zo ja wat voor scoringsmechanisme wordt gebruikt dat de relevantie van documenten bepaalt en welke andere criteria of parameters worden gebruikt. Daarbij wordt eveneens verzocht om schriftelijk te onderbouwen dat bij de ontwikkeling en implementatie van CaseMatcher geen gebruik is gemaakt van AI. De minister wordt verder verzocht om stukken te overleggen waaruit blijkt of, en zo ja, welke risico’s op (automation) bias door de minister in kaart zijn gebracht en welke maatregelen er in dit kader zijn genomen.
14. Eiser zal vervolgens door de rechtbank in de gelegenheid worden gesteld om schriftelijk te reageren. Daarna zal de rechtbank partijen uitnodigen voor een nadere zitting. Tot die tijd wordt iedere verdere beslissing aangehouden. Er wordt nu dus ook nog geen beslissing genomen over de proceskosten en het griffierecht.
Beslissing
De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.D. Overmars, voorzitter, en mr. R. Tesfai en mr. L.J. van der Veen, leden, in aanwezigheid van A. Hoekstra - Verbeek, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Tegen deze tussenuitspraak staat nog geen hoger beroep open. Tegen deze tussenuitspraak kan hoger beroep worden ingesteld tegelijkertijd met hoger beroep tegen de (eventuele) einduitspraak in deze zaak.