RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam] ,
de minister van Asiel en Migratie,
Samenvatting
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.60586
V-nummer: [nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. G.J. van Kammen),
en
(gemachtigde: mr. G. Drijer).
1. Deze uitspraak gaat over de niet-ontvankelijk verklaring van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van de Vw. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Mede aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de niet-ontvankelijk verklaring van de asielaanvraag.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is en de niet-ontvankelijk verklaring van de asielaanvraag in stand kan blijven. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiser heeft op 18 augustus 2026 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 3 december 2025 deze aanvraag in de algemene procedure niet-ontvankelijk verklaard.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De rechtbank heeft het beroep op 12 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van de minister deelgenomen. Eiser en zijn gemachtigde waren, met bericht van verhindering, niet aanwezig.
Beoordeling door de rechtbank
Het betreden besluit
3. De minister heeft de asielaanvraag van eiser niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder a van de Vw. Daarnaast is bepaald dat eiser zich onmiddellijk dient te begeven naar het grondgebied van Duitsland. Uit Eurodac blijkt dat eiser sinds 1 februari 2026 internationale bescherming heeft in Duitsland. Eiser heeft geen concrete aanwijzingen of aanknopingspunten gegeven om aan te nemen dat de registratie in Eurodac onjuist is. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat het voor hem niet mogelijk is om gebruik te maken van gezondheidszorg, huisvesting, financiële ondersteuning, huisvesting, werk en onderwijs in Duitsland. De minister heeft zich verder op het standpunt gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat er een afhankelijkheidsrelatie bestaat met zijn moeder waardoor het voor hem noodzakelijk is om in Nederland te zijn.
Overwegingen
Interstatelijk vertrouwensbeginsel en schending van artikel 3 van het EVRM
4. Eiser voert aan dat hij bij terugkeer naar Duitsland terechtkomt in een situatie van zeer vergaande materiele deprivatie. Uit het gehoor en eisers zienswijze blijkt dat eiser gedurende zijn verblijf in Duitsland langdurig ernstige psychische klachten heeft ontwikkeld, suïcidale gedachten heeft gehad, dakloos is geraakt en verdovende middelen is gaan gebruiken. De stabilisatie van eisers psychische toestand trad pas in op het moment dat hij zich bij zijn ouders in Nederland heeft gevoegd. Eiser voert aan dat de minister een onevenredige bewijslast op hem heeft gelegd door te verlangen dat hij zijn klachten met medische stukken onderbouwt. De minister had zelf onderzoek moeten verrichten. Eiser voert aan dat er concrete elementen zijn van structurele uitsluiting, sociale isolatie en risico op medische verwaarlozing. Die situatie is in strijd met artikel 3 van het EVRM en de arresten Ibrahim en Jawo.
De rechtbank stelt als uitgangspunt voorop dat de minister ten aanzien van Duitsland van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag uitgaan. Dit betekent dat de minister in beginsel ervan uit mag gaan dat de behandeling van een vreemdeling in de lidstaat waar de betrokkene internationale bescherming geniet, in overeenstemming is met de bepalingen van het Handvest, het Vluchtelingenverdrag en het EVRM. Het is aan eiser om dat vermoeden te weerleggen.
De rechtbank is van oordeel dat de minister op goede gronden uitgaat van het interstatelijk vertrouwensbeginsel en een individuele beoordeling heeft gemaakt. Eiser heeft geen concrete aanknopingspunten aangedragen waarom de minister in zijn geval niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel zou mogen uitgaan. Eiser heeft een verblijfsstatus in Duitsland, zodat aan hem formeel gezien gelijke rechten toekomen als aan Duitse staatsburgers op het gebied van werk, gezondheidszorg, sociale huisvesting, onderwijs en sociale voorzieningen. Eiser heeft niet met stukken onderbouwd dat hij als statushouder in Duitsland moeilijkheden heeft of zal ervaren. De minister heeft hierbij mogen betrekken dat uit de verklaringen van eiser blijkt dat hij toegang heeft tot de Duitse gezondheidszorg en dat hij een zorgverzekering heeft in Duitsland, maar hij zich desondanks niet heeft gewend tot de Duitse gezondheidszorg. Dat eiser niet in Duitsland wil blijven door wat hij heeft meegemaakt en dat hij bij zijn ouders wil zijn omdat hij mentaal op is, zijn geen verschoonbare redenen om geen beroep te doen op de Duitse gezondheidszorg. Daarnaast heeft eiser geen stukken overgelegd waarmee hij zijn medische klachten onderbouwd of waaruit blijkt dat zich een situatie voortdoet als genoemd in de door eiser aangehaalde arresten. Bovendien is het aan eiser om zelf zijn rechten te effecturen in Duitsland. Eiser heeft niet met stukken onderbouwd dat dit voor hem niet mogelijk is. De beroepsgrond slaagt niet.
Artikel 8 van het EVRM
5. Eiser voert aan dat de minister bij de beoordeling van de asielaanvraag artikel 8 van het EVRM onjuist heeft toegepast. De minister heeft de afhankelijkheidsrelatie tussen eiser en zijn ouders te beperkt beoordeeld door uitsluitend te toetsen of voor de moeder thuiszorg beschikbaar zou zijn. De minister heeft bij de vraag of er sprake is van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheid niet gekeken naar de ernstige psychische kwetsbaarheid van eiser, de stabiliserende rol van zijn ouders, de kwetsbare gezondheidstoestand van zijn moeder en het ontbreken van adequate alternatieve mantelzorg voor zijn moeder.
De rechtbank is van oordeel dat de minister geen ambtshalve bevoegdheid heeft om de asielaanvraag van eiser ook nog te beoordelen op artikel 8 van het EVRM. Bij gebrek aan die bevoegdheid heeft de minister zich daarom terecht op het standpunt gesteld dat hij niet hoeft te motiveren waarom hij niet heeft gekeken naar alle door eiser genoemde argumenten. Uit artikel 3.6a, tweede lid, van het Vb volgt dat de minister bij de niet-ontvankelijkverklaring van een asielaanvraag geen ambtshalve toets verricht ten aanzien van onder meer artikel 8 van het EVRM, zodat het aan eiser is om voor toetsing hiervan een aparte aanvraag in te dienen voor een verblijfsvergunning regulier onder de beperking “uitoefenen van het gezins- of privéleven op grond van artikel 8 van het EVRM”. Hoewel dus onverplicht, heeft de minister wel gekeken naar de afhankelijkheid van eiser ten opzichte van zijn moeder. Daarbij heeft de minister gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat het niet mogelijk is om voor zijn moeder (thuis)zorg te kunnen krijgen die nodig is. Daarnaast heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat er een afhankelijkheidsrelatie is die maakt dat hij in Nederland moet zijn voor zijn moeder. Ook is het niet noodzakelijk dat eiser voor de financiële ondersteuning vanuit zijn ouders in Nederland hoeft te verblijven. De enkele opmerking dat eiser emotioneel en praktisch afhankelijk is van zijn ouders en in het bijzonder zijn moeder is niet nader geconcretiseerd of onderbouwd. De beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
6. De rechtbank verklaart het beroep van eiser ongegrond. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. V.A.G. van Dijk, rechter, in aanwezigheid van
mr. J. Dijkstra, griffier en openbaar gemaakt door gespeudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.