Beschikking op het op 28 mei 2025 ingekomen verzoek van:
[de man] ,
de man,
met een bij de rechtbank bekend briefadres,
advocaat: mr. R.G. Groen te Den Haag.
Als belanghebbenden worden aangemerkt:
[de moeder] ,
de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. M. Erik te Den Haag.
[minderjarige] , geboren op [geboortedatum 1] 2020 te [geboorteplaats 1] ,
de minderjarige,
in rechte vertegenwoordigd door mr. M.M.C. van der Sanden,
advocaat te Den Haag,
in de hoedanigheid van bijzondere curator.
Procedure
Bij beschikking van 22 december 2025 van deze rechtbank is:
De rechtbank heeft wederom kennisgenomen van de stukken, waaronder thans ook:
- het bericht van de vrouw van 27 februari 2026, met bijlagen;
Op 9 maart 2026 is de behandeling ter terechtzitting voortgezet. Hierbij zijn verschenen: de advocaat van de moeder, de man bijgestaan door zijn advocaat en tolk Ibrahim. De moeder is niet ter zitting verschenen.
Beoordeling
De rechtbank handhaaft al hetgeen bij genoemde beschikking is overwogen en beslist, voor zover in deze beschikking niet anders wordt overwogen of beslist.
Vervangende toestemming erkenning
[land 1] huwelijk vrouw
Bij beschikking van 22 december 2025 heeft de rechtbank de moeder een termijn gegeven om haar stellingen zoals verwoord in haar bericht van 12 december 2025 nader te onderbouwen met stukken. De moeder stelt dat zij ten tijde van de geboorte van [minderjarige] een kerkelijk huwelijk met een andere man had in [land 1] . Nadat zij een verblijfsvergunning in Nederland heeft gekregen is haar verzoek tot gezinshereniging met haar partner door de IND afgewezen, omdat de huwelijksakte van de kerk vals is bevonden. De moeder heeft bij bericht van 27 februari 2026 de afwijzende beslissing van de IND overgelegd. De moeder stelt dat op grond hiervan ervanuit moet worden gegaan dat het traditioneel huwelijk niet is geregistreerd en dat zij ongehuwd moet worden geacht te zijn geweest ten tijde van de geboorte van [minderjarige] .
Inhoudelijke beoordeling
De rechtbank overweegt als volgt. Beide partijen hebben naar het oordeel van de rechtbank voldoende aangetoond dat zij tijdens de geboorte van [minderjarige] niet gehuwd waren. Dit betekent dat de weg vrij is voor de man om [minderjarige] te erkennen. Er is geen twijfel over het verwekkerschap van de man. De rechtbank acht erkenning van de man in het belang van [minderjarige] , omdat daarmee de familierechtelijke betrekking tussen [minderjarige] en haar vader juridisch wordt vastgelegd. De rechtbank zal het verzoek van de man om hem vervangende toestemming te verlenen zoals bedoeld in artikel 1:204 lid 3 BW om [minderjarige] te erkennen daarom toewijzen.
Uit de te nemen beslissing volgt dat vertegenwoordiging van [minderjarige] door de bijzondere curator in deze procedure niet meer nodig is. De rechtbank beschouwt de werkzaamheden van de bijzondere curator voor deze procedure als beëindigd.
Gezag
Rechtsmacht en toepasselijk recht
Nu de gewone verblijfplaats van [minderjarige] in Nederland is, is de Nederlandse rechter bevoegd om naar Nederlands recht te beslissen op het verzoek tot voorziening in het gezag over [minderjarige] .
Inhoudelijke beoordeling
De rechtbank kan pas definitief op het verzoek tot gezamenlijk gezag beslissen nadat de erkenning tot stand is gebracht. De man kan niet eerder dan drie maanden na deze beslissing de erkenning bij de gemeente laten registreren, omdat deze beslissing eerst in kracht van gewijsde dient te zijn gegaan. De rechtbank geeft de man dan ook een termijn van vijf maanden om de erkenning van [minderjarige] bij de gemeente te laten registreren. De rechtbank verzoekt de advocaat van de man om de akte van erkenning aan de rechtbank te sturen. Na ontvangst van de akte van erkenning zal de definitieve beslissing op het verzoek tot gezamenlijk gezag worden gegeven. De rechtbank zal de zaak in afwachting van de akte van erkenning pro forma aanhouden tot 1 september 2026. De rechtbank overweegt dat indien de man aan het hiervoor bepaalde niet voldoet de zaak met toepassing van artikel 22 Rv zal worden afgedaan.
Omgang
Rechtsmacht en toepasselijk recht
Nu de gewone verblijfplaats van [minderjarige] in Nederland is, is de Nederlandse rechter bevoegd om naar Nederlands recht te beslissen op het verzoek tot vaststelling van een omgangsregeling/zorgregeling.
Inhoudelijke beoordeling
De man heeft op de zitting verzocht een uitgebreidere voorlopige omgangsregeling te bepalen, omdat er nu een zeer beperkte regeling geldt en hij vreest dat de hulpverlening bij [zorginstantie] niet snel zal opstarten. De aanmelding van de moeder bij [zorginstantie] via de huisarts heeft namelijk een tijd geduurd, waardoor de opstart langer heeft geduurd dan nodig. Als dit sneller was opgestart hadden partijen op deze zitting al een uitgebreidere voorlopige omgangsregeling kunnen afspreken.
De advocaat van de moeder heeft namens de moeder aangegeven dat zij de aanmelding bij [zorginstantie] zo snel als zij kon heeft gedaan. Er is bij de moeder geen onwil om de omgang snel op te starten en uit te breiden. De begeleide omgang bij [zorginstantie] kan volgens haar ook van korte duur zijn voordat het contact onbegeleid kan. De moeder kan zich er alleen niet in vinden om nu direct een voorlopige omgangsregeling te bepalen, omdat dit volgens haar onder andere zorgt voor spanningen tussen partijen. Het is goed als de professionals van [zorginstantie] de omgang opstarten en dat partijen dan bij de volgende zitting besproken kan worden.
De rechtbank acht het in het belang van [minderjarige] dat partijen onder begeleiding van [zorginstantie] zo snel mogelijk opbouwen naar een omgangsregeling zoals is verzocht door de man. Duidelijk is geworden voor de rechtbank dat de man voorheen al veel contact met [minderjarige] heeft gehad en er vanuit de kant van de moeder geen bezwaren of zorgen zijn geuit over het contact tussen de man en [minderjarige] . Het is daarom van belang dat er zo snel mogelijk wordt toegewerkt naar onbegeleide omgang. Partijen hebben op 18 maart 2026 de eerste afspraak bij [zorginstantie] . Hierna kan het traject volgens hen snel starten. De rechtbank gaat er daarom vanuit dat de begeleide omgang op of rondom 18 maart 2026 zal starten. Mocht vanaf dit moment de begeleide omgangsmomenten op een of andere manier moeizaam of niet opstarten, ofwel dat gedurende het traject verhinderingen ontstaan, moeten partijen dit tussentijds aan de rechtbank laten weten. Deze berichten zullen bij de volgende zitting worden meegenomen en worden besproken bij de beoordeling van de verzoeken over de omgang en het gezag. Omdat het verzoek tot gezamenlijk gezag pro forma wordt aangehouden, zal het verzoek voor de omgang eveneens pro forma vijf maanden worden aangehouden tot 1 september 2026.
Beslissing
De rechtbank:
*
verleent de man, [de man] , geboren op [geboortedatum 2] 1991 te [geboorteplaats 2] , [land 2] , toestemming, die de toestemming van de moeder, [de moeder] , geboren op [geboortedatum 3] 1991 te [geboorteplaats 3] , [land 2] , vervangt, tot erkenning van de minderjarige [minderjarige] , geboren op [geboortedatum 1] 2020 te [geboorteplaats 1] ;
*
beschouwt de werkzaamheden van de bijzondere curator voor deze procedure als beëindigd;
*
bepaalt dat de beslissing op het verzoek tot gezamenlijk gezag wordt aangehouden tot 1 september 2026 pro forma;
*
bepaalt dat de man vóór de genoemde pro forma datum de akte van erkenning aan de rechtbank doet toekomen;
*
bepaalt dat indien de man aan het hiervoor bepaalde niet geheel of gedeeltelijk voldoet, de zaak met toepassing van artikel 22 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering zal worden afgedaan.
*
bepaalt dat de voorlopige omgang tussen de man en [minderjarige] onder begeleiding van [zorginstantie] zal worden opgestart, waarbij zo snel mogelijk wordt toegewerkt naar onbegeleide omgang en de regeling zoals de man heeft verzocht en houdt iedere verdere beslissing ten aanzien van de omgang aan tot 1 september 2026.