Beschikking op het op 2 januari 2025 ingekomen verzoekschrift van:
[de vrouw] ,
de verzoekster/vrouw,
in de Basisregistratie Personen als Niet-Ingezetenen (RNI) geregistreerd sinds 30 oktober 2006, geëmigreerd naar een onbekend adres in [land] ,
advocaat mr. F.R. Brouwer te Amsterdam.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:
de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente ’s-Gravenhage,
zetelend te ’s-Gravenhage,
de ambtenaar.
Procedure
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
- het verzoekschrift;
- de brief van 30 januari 2025 van verzoeker, met bijlage;
- het verweerschrift van 2 juni 2025 van de ambtenaar;
- de brief van 8 juli 2025 van verzoeker;
- de brief van 6 augustus 2025 van de ambtenaar;
- de brief van 26 februari 2026 van verzoeker, met bijlagen.
Op 9 maart 2026 is de zaak ter terechtzitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de advocaat van verzoekster en [naam 1] en [naam 2] namens de ambtenaar.
Feiten
- Verzoekster is de met [de man] , geboren op [geboortedatum] 1952 te [geboorteplaats] ( [land] ), op [datum 1] 1967 in een voor de rechtbank onbekende plaats in [land] gehuwd.
- Bij beschikking van 4 januari 2022 van de rechtbank Noord-Holland locatie Haarlem is de echtscheiding van het huwelijk tussen de vrouw en de man uitgesproken.
- De echtscheidingsbeschikking is volgens de akte van inschrijving van rechterlijke uitspraak, aktenummer 4V1522/2022 van het jaar 2022, ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand van de gemeente ’s-Gravenhage op 11 mei 2022.
- De man is op [datum 2] 2024 te [plaats] overleden.
Verzoek en verweer
Het verzoek strekt tot doorhaling van de akte van inschrijving van de rechterlijke uitspraak, nummer 4V1522/2022 van het jaar 2022, ingeschreven in het register van de burgerlijke stand van de gemeente ’s-Gravenhage op 11 mei 2022, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad.
De ambtenaar voert verweer, dat hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.
Beoordeling
Rechtsmacht en toepasselijk recht
De rechtbank is van oordeel dat de Nederlandse rechter op grond van artikel 3 aanhef onder c van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) rechtsmacht toekomt. Nu het verzoek strekt tot doorhaling van een Nederlandse akte is Nederlands recht van toepassing op het verzoek.
Juridisch kader
Volgens artikel 1:24 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan aanvulling van een register van de burgerlijke stand met een daarin ontbrekende akte of latere vermelding, doorhaling van een daarin ten onrechte voorkomende akte of latere vermelding, of verbetering van een daarin voorkomende akte of latere vermelding die onvolledig is of een misslag bevat, op verzoek van een belanghebbende of het openbaar ministerie worden gelast door de rechtbank.
Standpunten
De vrouw beargumenteert haar verzoek als volgt. Partijen zijn in 1967 in [land] met elkaar gehuwd. Daarna zijn zij samen woonachtig geweest in [land] in de woning van de man. In 1967 is de man naar Nederland vertrokken en is de vrouw altijd blijven wonen in de woning van de man. De betekeningsexploten van de echtscheidingsprocedure van 6 september 2021 en 14 januari 2022, door de deurwaarder conform artikel 54 Rv betekend, vermelden dat van de vrouw geen bekende woon- en of verblijfplaats bekend is binnen en buiten Nederland. Dit is volgens haar onjuist. De deurwaarder had de betekening krachtens artikel 55 lid 1 Rv moeten uitvoeren, omdat van de vrouw wel een woonplaats of werkelijk verblijf buiten Nederland bekend was en is. De man wist al die tijd dat de vrouw in de woning van de man in [land] verbleef. Wanneer de exploten op de juiste manier betekend waren, had de vrouw de gelegenheid gehad om verweer te voeren. Er heeft volgens haar aldus geen rechtsgeldige betekening plaatsgevonden, als gevolg waarvan de echtscheidingsbeschikking niet in kracht van gewijsde is gegaan op 18 april 2022 en deze ten onrechte op 11 mei 2022 is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. Deze inschrijving moet worden doorgehaald. De vrouw stelt daarnaast dat zij weet dat het huwelijk inmiddels is ontbonden door het overlijden van de man, maar dat het voor haar verschilt of het huwelijk is ontbonden door echtscheiding of door het overlijden van de man.
De ambtenaar stelt dat niet nagegaan kan worden welke stukken in de echtscheidingsprocedure zijn overgelegd en evenmin of verzoekster zich niet in de beschikking heeft berust. Indien dit niet geval is geweest, gaat de ambtenaar ervanuit dat de deurwaarder destijds heeft onderzocht of het adres van verzoekster al dan niet bekend was en vervolgens op basis hiervan het verzoekschrift en de beschikking heeft betekend. De ambtenaar wordt geacht lijdelijk te zijn ten aanzien van de handelingen van de deurwaarder die uit hoofde van zijn ambt worden verricht. Uit de RNI bleek destijds geen bekend adres van verzoekster in het buitenland. De ambtenaar heeft geen bewijs aangetroffen van het feit dat de man, dan wel de deurwaarder op de hoogte was van de verblijfplaats van de vrouw en acht zich daarom niet in staat hierover een oordeel te vellen.
Inhoudelijke beoordeling
De rechtbank overweegt als volgt. Gelet op de stukken en het verhandelde ter zitting kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden vastgesteld dat de man, dan wel zijn advocaat, dan wel de deurwaarder op het moment van de betekeningsexploten van 6 september 2021 en 14 januari 2022 op de hoogte was van de werkelijke verblijfplaats van de vrouw in [land] , op basis waarvan de deurwaarder krachtens artikel 55 lid 1 Rv had moeten betekenen. De advocaat van verzoekster heeft op de zitting de stukken uit het dossier toegelicht, waaruit volgt dat de woning van de man nu in eigendom is van de zoon van partijen. In de tijd dat de man in Nederland verbleef en de vrouw in [land] , wist de man dus dat de vrouw in die woning verbleef, aldus de advocaat. Dit standpunt kan de rechtbank niet volgen, omdat verzoekster hier enkel mee aantoont dat de woning van de man sinds zijn overlijden nu in eigendom is van de zoon van partijen, maar niet dat verzoekster daar ten tijde van de echtscheidingsprocedure verbleef. De rechtbank neemt in haar oordeel mee dat de vrouw heeft aangevoerd dat zij in 1967, toen de man naar Nederland vertrok, is achtergebleven in de woning van de man en daar is blijven wonen, terwijl uit het BRP blijkt dat de vrouw van juli 1997 tot oktober 2006 in Nederland heeft gewoond. Ter zitting is dit besproken, maar niet verder toegelicht.
De rechtbank zal derhalve het verzoek tot doorhaling van de akte van inschrijving van de rechterlijke uitspraak van de echtscheiding van verzoekster en de man afwijzen.
Beslissing
De rechtbank:
*
wijst het verzoek tot doorhaling van de akte van inschrijving van de rechterlijke uitspraak nummer 4V1522/2022 van het jaar 2022, ingeschreven in het register van de burgerlijke stand van de gemeente ’s-Gravenhage op 11 mei 2022, af.