RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiseres], eiseres
de minister van Buitenlandse Zaken, verweerder, hierna: de minister
Samenvatting
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummer: NL25.36335
V-nummer: [v-nummer]
(gemachtigde: mr. J. Singh),
en
(gemachtigde: mr. A.D. Röell).
Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiseres voor een visum kort verblijf. Eiseres is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Dat betekent dat de afwijzing van de visumaanvraag van eiseres in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
Eiseres heeft een aanvraag ingediend voor een visum kort verblijf. De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 1 mei 2025 afgewezen. Met het besluit van 3 augustus 2025 heeft de minister het bezwaar ongegrond verklaard. Op 10 augustus 2025 heeft de minister het besluit van 3 augustus 2025 vervangen door een nieuw besluit op het bezwaar van eiseres. De minister is met dit bestreden besluit bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 8 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres, de zoon en dochter van eiseres, R.D. Raj als tolk in de taal Urdu en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
Waar gaat deze zaak over?
Eiseres is geboren op [geboortedag] 1954 en heeft de Pakistaanse nationaliteit. Op16 april 2025 heeft eiseres de minister verzocht om afgifte van een visum kort verblijf om haar schoondochter (referent) te bezoeken.
De minister heeft de aanvraag van eiseres afgewezen, omdat eiseres het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf onvoldoende heeft aangetoond en niet heeft aangetoond over voldoende middelen van bestaan te beschikken, zowel voor de duur van het voorgenomen verblijf als voor de terugreis naar het land van herkomst of verblijf, of voor doorreis naar een derde land waar eiseres met zekerheid zal worden toegelaten. Ook bestaat er volgens de minister redelijke twijfel over haar voornemen om het grondgebied van de lidstaten te verlaten voor het verstrijken van de geldigheid van het aangevraagde visum, omdat onvoldoende is aangetoond dat sprake is van voldoende sociale en economische binding met Pakistan. In het bestreden besluit is de minister op dezelfde gronden bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. Volgens de minister heeft eiseres het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf in het verlengde van de redelijke twijfel over haar voornemen om het grondgebied van de lidstaten te verlaten onvoldoende aangetoond en heeft zij niet aannemelijk gemaakt dat zij voldoende geld heeft om in de kosten van haar levensonderhoud tijdens het verblijf te voorzien. Ook is volgens de minister niet vast komen te staan dat eiseres in staat is om de heen- en terugreis te betalen.
Redelijke twijfel over tijdige terugkeer
In artikel 32, eerste lid, van de Visumcode zijn de gronden opgenomen op basis waarvan een visum geweigerd kan worden. Deze weigeringsgronden zijn ieder afzonderlijk voldoende om een visum te weigeren. De minister heeft een ruime beoordelingsmarge bij de beoordeling van de relevante feiten om te bepalen of één van de weigeringsgronden van toepassing is. De rechtbank kan het bestreden besluit daarom slechts terughoudend toetsen.
Eén van de gronden waarop de minister een visum kan weigeren, is als er redelijke twijfel bestaat over het voornemen van de aanvrager om het grondgebied van de lidstaten te verlaten voor het verstrijken van de geldigheid van het aangevraagde visum. De minister moet bij het beoordelen van het voornemen om tijdig terug te keren een individueel onderzoek naar de visumaanvraag verrichten waarin rekening wordt gehouden met, aan de ene kant, de algemene situatie in het land waar de visumaanvrager woont en, aan de andere kant, zijn persoonlijke omstandigheden, met name zijn gezins-, sociale en economische situatie, het eventuele bestaan van eerdere legale of illegale verblijven in een van de lidstaten en zijn banden in het land waarin diegene woont en in de lidstaten. De minister hoeft daarbij geen zekerheid te verkrijgen over het voornemen van de aanvrager om het grondgebied van de lidstaten te verlaten voor het verstrijken van de geldigheid van het visum, maar moet bepalen of er redelijke twijfel over dat voornemen bestaat. Bij de beoordeling of er redelijke twijfel bestaat over het voornemen van de aanvrager om tijdig naar het land van herkomst terug te keren, mag de minister zich in belangrijke mate laten leiden door de intensiteit van de sociale en economische binding van de aanvrager met het land van herkomst. Al naar gelang de sociale en/of economische binding geringer of juist sterker is, zal ook de twijfel over het voornemen van de aanvrager om tijdig terug te keren toe- of afnemen.
Eiseres voert aan dat zij zeer sterke en diepgewortelde sociale banden heeft met Pakistan. Zij zorgt voor haar kleinkind, zodat haar zoon en schoondochter kunnen werken. Eiseres is actief betrokken bij het dagelijks leven van haar kleinkind en neemt ook verantwoordelijkheden zoals het brengen en halen van het kleinkind naar en van school aangezien beide ouders werkzaam zijn. Haar dagelijkse leven, sociaal netwerk en verantwoordelijkheden bevinden zich volledig in Pakistan. Zij spreekt uitsluitend de taal Urdu en zij zou zonder haar sociale omgeving moeilijk kunnen functioneren in een land waar zij de taal niet machtig is. Bovendien zorgt haar zoon, bij wie zij inwoont, voor een
stabiele en comfortabele levensomgeving in Pakistan. Hierdoor is er geen economische noodzaak of enige drang om Pakistan te verlaten voor langere duur. Dat haar kinderen eerder asiel hebben aangevraagd en gekregen in Nederland is geen indicatie dat eiseres dat zou willen doen. Ondanks het aanhangen van het Ahmadiya geloof heeft eiseres zelf geen problemen in Pakistan ervaren en zal zij zeker na haar bezoek aan Nederland tijdig teruggaan naar Pakistan.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat niet aannemelijk is gemaakt dat er sprake is van zodanige sociale en economische binding van eiseres met Pakistan dat tijdige terugkeer naar dat land gewaarborgd is. Hierbij heeft de minister in aanmerking mogen nemen dat vijf kinderen van eiseres in Nederland verblijven, één kind in Duitsland verblijft en één kind met zijn gezin in Pakistan woont. Haar zoon in Pakistan heeft een eigen gezin en is niet afhankelijk van eiseres. Ook is niet gebleken dat eiseres afhankelijk is van haar zoon. Ten aanzien van het standpunt van eiseres dat zij voor haar kleinkind in Pakistan zorgt zodat haar zoon en zijn echtgenote kunnen werken en dat de eiseres daarnaast ook in gezinsverband met haar zoon, zijn echtgenote en kind samenleeft, overweegt de rechtbank dat dit niet is onderbouwd. Ten aanzien van de economische binding heeft de minister voldoende gemotiveerd overwogen dat eiseres geen inkomen heeft. Eiseres heeft bankafschriften van haarzelf en haar zoon overgelegd maar dit biedt geen garantie voor tijdige terugkeer van eiseres. Verder is niet gebleken dat er anderszins sprake is van economische verplichtingen en/of activiteiten op grond waarvan eiseres in Pakistan aanwezig dient te zijn. De enkele stelling dat geen economische drang zou bestaan Pakistan te verlaten, maakt niet dat het aannemelijk is dat eiseres een voldoende economische binding heeft met Pakistan op grond waarvan de tijdige terugkeer gewaarborgd is te achten. Gelet op het voorgaande, in samenhang bezien, heeft de minister zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld en deugdelijk gemotiveerd dat er redelijke twijfel bestaat over het voornemen van eiseres om Nederland vóór het verstrijken van de geldigheid van het aangevraagde visum te verlaten. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Middelenvereiste
Eiseres voert aan dat de minister ten onrechte heeft geoordeeld dat zij over onvoldoende middelen van bestaan beschikt voor haar verblijf in Nederland en voor haar reis naar en van Nederland. De minister heeft geen rekening gehouden met het feit dat nu eiseres bij referent zal verblijven, de kosten van haar verblijf heel laag zullen zijn. Verder heeft zij aangetoond dat zij een retourticket heeft, waardoor de kosten van terugreis ook gedekt zijn.
De rechtbank is met de minister van oordeel dat niet is aangetoond dat eiseres aan het middelenvereiste voldoet. Het is niet gebleken dat eiseres over een regelmatig en substantieel inkomen beschikt om zelfstandig in haar onderhoud te kunnen voorzien. Voor zover met het overleggen van bankbescheiden op naam van de zoon van eiseres beoogd wordt dat de eiseres over deze middelen kan beschikken, overweegt de rechtbank dat de stortingen op deze bankrekening niet te herleiden zijn tot inkomsten gegenereerd uit
werkzaamheden. Nu de eiseres niet inzichtelijk heeft gemaakt wat de herkomst van
de stortingen en tegoed is, is hiermee niet aannemelijk gemaakt dat eiseres daadwerkelijk vrijelijk over deze bedragen, alsmede het totaalbedrag, op de bankrekening kan beschikken. Bovendien hebben referent en haar echtgenoot niet aangegeven zich garant te stellen en voldoen zij ook niet aan het inkomensvereiste voor garantstelling. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Doel en omstandigheden van het verblijf
Eiseres voert aan dat zij zowel bij de aanvraag als in bezwaar voldoende bewijsstukken heeft overgelegd waaruit het doel (familiebezoek) heel duidelijk blijkt en zij heeft ook uitgelegd dat er sprake is van een bijzondere gezinssituatie in verband met de bevalling van referent. Dat de minister in het bestreden besluit een verwijzing maakt naar vestigingsgevaar en daarmee twijfelt aan het doel van haar verblijf, acht eiseres onredelijk en inconsistent.
De gemachtigde van de minister heeft op zitting toegelicht dat eiseres haar sociale en economische binding met Pakistan onvoldoende heeft onderbouwd en dat de minister daarom twijfelt over haar tijdige terugkeer. In het verlengde hiervan twijfelt de minister daarom ook aan het doel en de omstandigheden van de voorgenomen reis van eiseres. Het standpunt van de minister over het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf vloeit dus voort uit het standpunt van de minister over de redelijke twijfel omtrent een tijdige terugkeer van eiseres.
De rechtbank overweegt dat redelijke twijfel over een tijdige terugkeer enerzijds en het niet aannemelijk maken van het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf anderzijds ieder zelfstandige afwijzingsgronden zijn. Deze moeten dan ook als zodanig worden behandeld. De minister kan dus niet stellen dat de motivering voor de ene afwijzingsgrond voortvloeit uit de andere, maar moet voor elke afwijzingsgrond een zelfstandige motivering geven. Dat heeft de minister in het geval van eiseres niet gedaan. De rechtbank is daarom van oordeel dat de minister zich onvoldoende gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat eiseres het doel en de omstandigheden van haar verblijf niet aannemelijk heeft gemaakt.
Gelet hierop is het bestreden besluit in strijd met het motiveringsbeginsel en daarmee gebrekkig. De rechtbank ziet aanleiding om dit gebrek te passeren met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), omdat eiseres niet door dit gebrek is benadeeld. Zoals de rechtbank hierboven heeft geoordeeld, heeft de minister haar aanvraag af mogen wijzen op de grond dat er redelijke twijfel bestaat over haar tijdige terugkeer. Deze afwijzingsgrond staat los van het motiveringsgebrek, zodat eiseres door dit motiveringsgebrek niet is benadeeld. Omdat het bestreden besluit gebrekkig is, zal de minister wel de proceskosten aan eiseres moeten vergoeden.
Hoorplicht
Eiseres voert aan dat zij ten onrechte niet is gehoord in bezwaar, terwijl uit het bestreden besluit blijkt dat de minister behoefte had aan toelichting op de overgelegde stukken.
Op grond van artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Awb, kan van horen worden afgezien indien het bezwaar kennelijk ongegrond is. Van een kennelijk ongegrond bezwaar is sprake wanneer er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat het in bezwaar aangevoerde niet tot een ander standpunt kan leiden dan in het primaire besluit is vervat.
De rechtbank is van oordeel dat de minister in het geval van eiseres van horen heeft mogen afzien. In wat eiseres in het bezwaarschrift heeft aangevoerd, heeft de minister geen aanleiding hoeven zien om eiseres nader te horen over haar gestelde sociale en economische binding met Pakistan. Het is allereerst aan eiseres om de sociale en economische binding met het land van herkomst aannemelijk te maken. Zoals overwogen is eiseres daarin niet geslaagd.
Conclusie en gevolgen
8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de afwijzing van de visumaanvraag van eiseres in stand blijft. Omdat het bestreden besluit een gebrek bevat, moet de minister wel een proceskostenvergoeding aan eiseres betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiseres een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- bepaalt dat de minister de proceskosten van eiseres moet vergoeden tot een bedrag van
€ 1.868,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. N. Boonstra, rechter, in aanwezigheid van
mr. J.C.M. Schilder, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.