[eiseres], eiseres en verzoekster, hierna eiseres
(gemachtigde: mr. J.C.E. Hoftijzer),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder, hierna de minister
(gemachtigde: mr. J.P. Arts).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank/voorzieningenrechter (hierna de rechtbank) het beroep van eiseres tegen het niet in behandeling nemen van haar asielaanvraag en haar verzoek om een voorlopige voorziening die ertoe strekt niet te worden overgedragen aan België totdat op haar beroep is beslist. De minister heeft de aanvraag van eiseres met het bestreden besluit van 23 maart 2026 niet in behandeling genomen omdat België verantwoordelijk is voor de aanvraag.
De rechtbank heeft het beroep en het verzoek op 23 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres, Y. Gababe als tolk in de taal Somali en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiseres. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die eiseres heeft aangevoerd, de beroepsgronden.
3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiseres ongelijk krijgt en het niet in behandeling nemen van haar aanvraag in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Achtergrond
4. Eiseres heeft op 26 april 2023 een eerste asielaanvraag ingediend in België. Haar asielaanvraag is afgewezen en eiseres is toen naar Frankrijk vertrokken om daar een asielaanvraag in te dienen. Frankrijk heeft eiseres overgedragen aan België en daar is haar herhaalde asielaanvraag behandeld en op 12 december 2025 afgewezen. Eiseres is toen naar Nederland gereisd en heeft hier een asielaanvraag ingediend.
Totstandkoming van het besluit
5. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening. Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. In dit geval heeft Nederland bij België een verzoek om terugname gedaan. België heeft dit verzoek aanvaard.
Het beroep
Het interstatelijk vertrouwensbeginsel
6. Eiseres voert aan dat zij geen toegang heeft tot opvang in België bij een herhaalde asielaanvraag en hier ook niet over kan klagen bij de autoriteiten. Hiertoe verwijst eiseres naar de uitspraak van de Afdeling van 23 juli 2025. Eiseres is als alleenstaande vrouw die een herhaalde aanvraag moet doen extra kwetsbaar. Ter onderbouwing van dat standpunt heeft eiseres verwezen naar een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem. Bij haar herhaalde aanvraag heeft eiseres geen opvang gekregen en zij zal nu ook weer terechtkomen in een situatie die in strijd is met de drempel genoemd in het [naam]-arrest. Eiseres wijst ook nog op een recente uitspraak van het EHRM, waaruit blijkt dat het zinloos is om te klagen bij de Belgische autoriteiten, omdat deze geen of onvoldoende gehoor geven aan de uitspraken van de rechtbank.
De minister stelt zich op het standpunt dat nog steeds van het interstatelijk vertrouwensbeginsel voor België uit kan worden gegaan. Uit de geldende verdragen blijkt niet dat iedere asielzoeker die een herhaalde asielaanvraag indient recht heeft op opvang. Als eiseres geen opvang krijgt, is dat dus niet zonder meer in strijd met wet- en regelgeving. Eiseres heeft geen documenten overgelegd waaruit blijkt dat zij zich gemeld heeft en evenmin is gebleken dat zij geen opvang zou krijgen. Verder blijkt uit de uitspraak van de Afdeling van 23 juli 2025 dat voornamelijk alleenstaande mannen geen opvang krijgen en die uitspraak is dus niet op eiseres van toepassing. De minister heeft ter zitting gewezen op het informatiebericht waaruit blijkt dat ook alleenstaande mannen weer worden overgedragen aan België en dat de opvangomstandigheden verbeterd zijn.
De rechtbank ziet zich eerst voor de vraag gesteld of eiseres aannemelijk heeft gemaakt dat voor de algehele groep alleenstaande vrouwen die een herhaalde asielaanvraag doen, niet meer uitgegaan kan worden van het interstatelijk vertrouwensbeginsel voor België. In beginsel kunnen lidstaten op grond van de Opvangrichtlijn opvang weigeren bij een herhaalde asielaanvraag, mits deze beperking berust op een objectieve en individuele beslissing. De rechtbank stelt vast dat eiseres geen stukken overgelegd of anderszins informatie heeft overgelegd waaruit blijkt dat alleenstaande vrouwen die een herhaalde aanvraag doen (structureel) geen opvang krijgen in België. Eiseres heeft gewezen op een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem. In die uitspraak is verwezen naar een mailwisseling tussen de gemachtigde in die zaak en Vluchtelingenwerk Vlaanderen. Uit die mailwisseling zou zijn gebleken dat er bijna altijd wordt volstaan met een algemene beslissing om opvang te weigeren bij een herhaalde aanvraag. De rechtbank kent de inhoud van die mailwisseling niet. Eiseres heeft verder ook geen informatie overgelegd waaruit blijkt dat die groep geen toegang krijgt tot opvangvoorzieningen. De rechtbank ziet verder geen aanknopingspunten voor dit standpunt in de bij de rechtbank ambtshalve bekende landeninformatie. De rechtbank is dan ook van oordeel dat niet aannemelijk is gemaakt dat, voor de algehele groep van alleenstaande vrouwen die een herhaalde asielaanvraag in België doen, niet meer uitgegaan kan worden van het interstatelijk vertrouwensbeginsel.
Met betrekking tot eiseres haar individuele situatie heeft zij verklaard dat zij tijdens haar eerste asielprocedure opvang heeft verkregen. Tijdens haar herhaalde aanvraag heeft eiseres verklaard geen opvang te hebben gehad. Niet is gebleken dat eiseres zich gemeld heeft bij de opvang en dat deze haar geweigerd is. Ter zitting kon eiseres niet verklaren op welke wijze haar de opvang geweigerd zou zijn. Daarom is niet gebleken dat zij geen individuele beslissing heeft ontvangen of een beperking die niet berust op een objectieve en individuele beslissing. Het is aan eiseres om aannemelijk te maken dat zij ten onrechte geen toegang heeft gekregen tot de opvangvoorzieningen tijdens de herhaalde aanvraag en dat het aannemelijk is dat zij bij haar tweede herhaalde aanvraag ten onrechte geen gebruik kan maken van de opvangvoorzieningen. Eiseres heeft dat in haar individuele geval niet aannemelijk gemaakt. De beroepsgrond slaagt dan ook niet.
Aan de vraag of eiseres al dan niet kan klagen bij de autoriteiten indien aan haar opvang wordt geweigerd, komt de rechtbank niet toe nu het eiseres het vorenstaande niet aannemelijk heeft gemaakt.
Artikel 17 van de Dublinverordening
7. Eiseres voert aan dat de minister onvoldoende heeft onderzocht of het overdragen van eiseres aan België niet van onevenredige hardheid getuigt. De minister heeft niet doorgevraagd naar eiseres haar ervaringen in België in het gehoor. Het Dublin-gehoor ziet niet alleen op de vaststelling van de verantwoordelijke lidstaat, maar ook op het onderzoek of tot een overdrachtsbesluit gekomen kan worden.
De rechtbank overweegt dat als een lidstaat niet verplicht is een asielaanvraag in behandeling te nemen, die lidstaat op grond van artikel 17 van de Dublinverordening een asielaanvraag onverplicht in behandeling kan nemen. In het beleid van de minister staat dat van deze bevoegdheid terughoudend gebruik wordt gemaakt, onder meer in de situatie dat bijzondere individuele omstandigheden maken dat overdracht van onevenredige hardheid zou getuigen.
De rechtbank stelt vast dat in, onder andere, de preambule van de Dublinverordening onder 18 staat dat het persoonlijk onderhoud plaatsvindt om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag. De rechtbank ziet in de Dublinverordening geen onderzoeksplicht weggelegd voor de minister om onderzoek te doen naar de vraag of een overdracht van onevenredige hardheid getuigt. Het is aan eiseres om deze omstandigheden aan te voeren. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de minister niet een verder gaande onderzoeksplicht heeft voor de vaststelling of een overdracht van onevenredige hardheid getuigt, dan de beoordeling op basis van de omstandigheden die eiseres aanvoert en zoals ook is beoordeeld in het bestreden besluit. De rechtbank volgt eiseres ook niet in haar stelling dat nu de minister haar verklaringen niet heeft weersproken dat daarvan uitgegaan moet worden. De beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiseres in stand blijft. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.
9. Nu op het beroep is beslist, bestaat er geen aanleiding meer voor het treffen van een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter wijst dat verzoek dan ook af.
Beslissing
De rechtbank in de zaak geregistreerd onder nummer NL26.16419:
- verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter in de zaak geregistreerd onder nummer NL26.16420:
- wijst het verzoek af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. N. Boonstra, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. E. Waal, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.