RECHTBANK DEN HAAG
[eiseres] , eiseres en verzoekster, hierna eiseres,
de minister van Asiel en Migratie, verweerder, hierna de minister
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummers: NL26.4568 (beroep)
NL26.4569 (voorlopige voorziening)
V-nummer: [v-nummer]
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen
mede namens haar minderjarige kinderen, [minderjarige 1] en [minderjarige 2],
allen van Nigeriaanse nationaliteit
(gemachtigde: mr. H. Loth),
en
(gemachtigde: mr. J.P. Arts).
Procesverloop
Eiseres heeft op 21 oktober 2025 een herhaalde aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 22 januari 2026 deze aanvraag niet-ontvankelijk verklaard.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Eiseres heeft daarnaast de voorzieningenrechter verzocht om een voorziening te treffen die ertoe strekt niet te worden uitgezet totdat op het beroep is beslist.
De rechtbank/voorzieningenrechter (de rechtbank) heeft het beroep en het verzoek op
23 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres, H. Abdullah als tolk in de Engelse taal en de gemachtigde van de minister.
Overwegingen
1. De rechtbank beoordeelt het beroep en het verzoek aan de hand van de argumenten die daartoe zijn aangevoerd, de beroepsgronden.
2. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat de niet-ontvankelijkheid van de asielaanvraag van eiseres in stand blijft. Het verzoek om een voorlopige voorziening wijst de rechtbank af. Hierna zal de rechtbank verder toelichten hoe zij tot dat oordeel is gekomen en welke gevolgen dat oordeel heeft.
Achtergrond
3. Eiseres heeft op 29 juli 2020 een eerste asielaanvraag ingediend. Het hoger beroep tegen de afwijzing van die aanvraag is uiteindelijk met de onherroepelijke uitspraak van 17 september 2025 ongegrond verklaard.
Op 30 september 2025 heeft eiseres een tweede asielaanvraag ingediend. Eiseres heeft bij deze aanvraag een document van een aangifte bij de politie in Nigeria overgelegd. Deze aanvraag is met het onherroepelijke besluit van 8 oktober 2025 buiten behandeling gesteld, omdat eiseres niet het originele document heeft overgelegd.
Op 21 oktober 2025 heeft eiseres onderhavige aanvraag ingediend. Eiseres legt aan deze aanvraag opnieuw het document van de aangifte ten grondslag en heeft het origineel daarvan overgelegd.
Het bestreden besluit
4. De minister heeft de aanvraag van eiseres niet-ontvankelijk verklaard, omdat er geen nieuwe elementen of bevindingen zijn aangevoerd. Het document dat eiseres heeft overgelegd is onderzocht door Bureau Documenten en is met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid niet echt bevonden. Eiseres is daarom niet gehoord.
Het beroep
5. Eiseres voert aan dat zij ten onrechte niet is gehoord over het document. Zij had in een gehoor kunnen uitleggen waar zij het document vandaan heeft. Artikel 40, derde lid, van de Procedurerichtlijn verplicht de minister daartoe.
De rechtbank overweegt dat volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling, onder meer de uitspraken van 2 oktober 2019 en 17 juli 2018, de authenticiteit van een document in beginsel moet vaststaan om als nieuw element of nieuwe bevinding te kunnen worden aangemerkt. Het is aan eiseres om de authenticiteit te staven.
Niet in geschil is dat het document met aan zekerheid grenzende zekerheid niet echt is. Eiseres heeft de authenticiteit van het document niet gestaafd en de minister heeft het document dan ook niet als nieuw element hoeven te beoordelen. Anders dan eiseres aanvoert, verplicht de Procedurerichtlijn de minister in zo’n geval niet tot een meer vergaand vooronderzoek in de vorm van een gehoor in het geval van eiseres. De minister had eiseres niet over de inhoud van het document hoeven horen. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de minister de aanvraag niet-ontvankelijk heeft mogen verklaren.
Conclusie en gevolgen
Beslissing
6. De minister heeft de aanvraag terecht niet-ontvankelijk verklaard.
Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de niet-ontvankelijkheidsverklaring van de asielaanvraag van eiseres in stand blijft. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.
7. Nu op het beroep is beslist, bestaat er geen aanleiding meer om de gevraagde voorziening te treffen. De rechtbank wijst dat verzoek dan ook af.
De rechtbank in de zaak met nummer NL26.4568:
- verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter in de zaak met nummer NL26.4569:
-wijst het verzoek af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. N. Boonstra, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. E. Waal, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.