RECHTBANK DEN HAAG
[eiser], eiser en verzoeker, hierna eiser
de minister van Asiel en Migratie, verweerder, hierna de minister
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummers: NL26.9084 (beroep)
NL26.9085 (voorlopige voorziening)
V-nummer: [v-nummer]
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen
(gemachtigde: mr. T. Thissen),
en
(gemachtigde: mr. J.P. Arts).
Procesverloop
Eiser heeft op 20 januari 2026 een herhaalde aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 14 februari 2026 deze aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Daarbij heeft eiser ook aan de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening die ertoe strekt niet te worden uitgezet totdat op zijn beroep is beslist.
De rechtbank/voorzieningenrechter (de rechtbank) heeft het beroep en het verzoek op 23 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, K. Wali als tolk taal Pashtu en de gemachtigde van de minister.
Overwegingen
1. De rechtbank beoordeelt het beroep aan de hand van de argumenten die daartoe zijn aangevoerd, de beroepsgronden.
2. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af. De afwijzing van de asielaanvraag van eiser blijft in stand. Hierna zal de rechtbank verder toelichten hoe zij tot dat oordeel is gekomen en welke gevolgen dat oordeel heeft.
Achtergrond
3. Eiser heeft op 20 november 2021 zijn eerste asielaanvraag in Nederland gedaan.
Deze aanvraag is op 27 mei 2024 afgewezen als ongegrond. Met de onherroepelijke uitspraak van 15 december 2025 van deze rechtbank, zittingsplaats Roermond, is het beroep tegen dat besluit ongegrond verklaard.
Het asielrelaas
4. Eiser legt aan zijn herhaalde asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiser heeft verklaard dat hij de Pakistaanse nationaliteit heeft en tot de Pashtun bevolkingsgroep behoort. Hij verklaart homoseksueel te zijn en voor zijn familie omdat zij
inmiddels van zijn geaardheid weten. Daarnaast heeft eiser verklaard afvallige te zijn en niet meer in de islam te geloven, maar wel te geloven in Jezus van de christelijke stroming.
Het bestreden besluit
5. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:
- identiteit, nationaliteit en herkomst;
- homoseksuele gerichtheid;
- afvalligheid van de islam; en
- bekering tot het christendom.
De minister stelt zich hierover op het standpunt dat de identiteit, nationaliteit en herkomst geloofwaardig zijn. De homoseksuele gerichtheid en de bekering tot het christendom zijn niet geloofwaardig. De afvalligheid van eiser wordt wel geloofwaardig geacht, maar eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij hierdoor te vrezen heeft in Pakistan. De aanvraag is afgewezen als kennelijk ongegrond.
Beoordeling van het beroep
Afvalligheid
6. Eiser voert aan dat de minister ten onrechte ervan uitgaat dat eiser in Pakistan al afvallig was en daar geen problemen door heeft ondervonden. Eiser heeft verklaard dat hij in Pakistan niet meer praktiseerde, maar ook dat hij daardoor in de problemen kwam. Af en toe praktiseerde eiser wel nog, omdat hij dat moest van zijn omgeving, maar eiser wilde dat niet. Toen hij Pakistan verliet heeft hij het geloof achter zich gelaten. Bij terugkeer zal eiser een groot risico lopen, omdat het opvalt dat hij niet meer zal praktiseren en uit landeninformatie blijkt ook dat afvalligheid niet geaccepteerd wordt.
De minister stelt zich op het standpunt dat afvalligen in Pakistan als risicoprofiel worden aangemerkt, maar dat eiser onvoldoende individuele omstandigheden heeft aangevoerd waaruit blijkt dat hij problemen zal ondervinden bij terugkomst in Pakistan.
De rechtbank stelt vast dat eiser over het feit of hij in Pakistan praktiseerde of niet in zijn aanvullend gehoor onder andere het volgende heeft verklaard:
“Wanneer stopte u met geloven in de islam?
In naam was ik wel moslim, maar ik praktiseerde niet. Maar onder de naam
was ik moslim.
Wat hield het in dat u niet praktiseerde?
Ik ging niet naar de moskee, ik deed niet mee aan het gebed, het vasten deed
ik ook niet meer. Ik hield me niet aan de rituelen van de islam. Daarnaast was
ik ook homoseksueel en daardoor loop ik echt veel gevaar, daardoor zou ik
vermoord worden.
Hadden andere mensen in uw omgeving gemerkt dat u niet meedeed hieraan?
Ja, mensen wisten dat ik niet naar de moskee ging en dat ik niet meedeed met
het gebed. Ik hield ook contacten met een jongen.
(…)
Maar geloofde u binnenin uzelf nog wel in de islam?
Ik stelde mezelf wel de vraag welke god, als mensen elkaar vermoorden. Het
geloof was toen ook al bijna niet.
Wat bedoelt u met bijna niet?
Ik had heel veel vragen, want mensen vermoorden elkaar terwijl ze door God
zijn geschapen. Ik geloof niet in God, maar als ik niet meedeed aan het gebed
en vasten, hoe kan je jezelf moslim noemen.”
En wanneer bent u gestopt met geloven?
Dat was in 2015, toen ik besloot om Pakistan te verlaten. Toen had ik al mijn
geloof in God verloren.
(…)
Deed u voor 2015 nog wel mee met alle gebruiken van de islam?
Heel af en toe bad ik wel mee.
Waarom?
Soms werd het van je verwacht, van je omgeving, dat je mee moet doen. Maar
dat wil ik niet meer.
(…)
Wanneer was u begonnen met u niet houden aan de gebruiken van de islam?
Eigenlijk was ik niet heel strikt in mijn geloof in Pakistan. Ik deed niet mee aan
het bidden en ik ben homoseksueel. Ik ben niet meer moslim dus ik word
meteen vermoord.”.
De rechtbank is van oordeel dat de minister niet ten onrechte uit de verklaringen van eiser heeft afgeleid dat hij niet meer praktiseerde in Pakistan. Dat eiser op een gegeven moment heeft gezegd dat hij nog af en toe praktiseerde en meeging naar een moskee, doet daar niet aan af. Uit het merendeel van eisers verklaringen is af te leiden dat hij niet mee deed met het bidden en vasten en zijn geloof niet meer had in Pakistan. Eiser heeft geen correcties of aanvullingen gegeven op die verklaringen. Het standpunt van eiser dat hij ook heeft verklaard dat hij zijn geloof pas achter zich heeft gelaten toen hij in het vliegtuig naar Europa zat, doet niet aan het voorgaande af. Zoals de minister ook heeft gemotiveerd in het bestreden besluit was het daar voorafgaand voor zijn omgeving in Pakistan al zichtbaar dat hij niet mee deed met de geloofsrituelen, de verklaring van eiser over de interne keuze die hij heeft gemaakt in het vliegtuig verandert de andere verklaringen niet.
In de eerdere procedure die eiser heeft gevoerd is vast komen te staan dat niet in geschil was dat eiser heeft verklaard dat hij geen problemen heeft ondervonden in zijn land van herkomst. Ook in de huidige procedure heeft eiser niet verklaard dat hij problemen heeft ondervonden, zoals bedoeld is in artikel 3 van het EVRM, vanwege zijn afvalligheid in zijn land van herkomst. Eiser heeft verklaard dat hij problemen heeft met moslims en dat hij geen respect krijgt van hen. Dat eiser op een andere manier uiting wil geven aan zijn afvalligheid, dan hoe hij daaraan uiting gaf toen hij nog in Pakistan was, is gesteld noch gebleken. De rechtbank is dan ook van oordeel dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt aan de hand van individuele omstandigheden dat hij bij een terugkeer naar Pakistan problemen zal ondervinden vanwege zijn afvalligheid. De beroepsgrond slaagt niet.
Seksuele geaardheid
7. Eiser voert aan dat hij conform zijn referentiekader heeft verklaard over zijn seksuele geaardheid. Hij is een analfabete herder uit een achtergebleven gebied in Pakistan. Er kan niet van hem worden verwacht dat hij meer verklaart over zijn seksuele geaardheid, dan dat hij heeft gedaan. De minister kan niet een deel van de verklaring van eiser over zijn afvalligheid geloofwaardig achten en vervolgens een ander deel van dezelfde verklaring over zijn seksuele geaardheid gebruiken ter onderbouwing van de afwijzing.
De rechtbank stelt vast dat met betrekking tot het referentiekader van eiser door de minister in beschouwing is genomen dat eiser op het moment van aankomst in Europa als herder werkzaam was geweest in Pakistan en op dat moment analfabeet was. Eiser verblijft sinds 2015 in Europa en sinds 2021 in Nederland. Eiser heeft aangegeven zeven talen te spreken. Eiser heeft zich ontwikkeld in de loop der jaren en het is aannemelijk dat eiser met behulp van een tolk daarom begrijpt wat de hoormedewerker aan hem vraagt en dat hij hierop antwoord kan geven. Van eiser wordt verder verwacht dat hij inzicht kan geven in de gedachtes, gevoelens en eventuele overwegingen die hij al dan niet heeft bij het uiten van zijn geaardheid. Eiser heeft een relatie van twaalf jaar in zijn land van herkomst gehad en verwacht wordt dat hij inzicht kan geven over het ontstaan en verloop van die relatie.
De rechtbank is van oordeel dat eiser onvoldoende heeft onderbouwd in welk opzicht er geen rekening is gehouden met zijn referentiekader in de beoordeling. De rechtbank leest in de omschrijving van het referentiekader van eiser dat er rekening is gehouden met de verschillende facetten van zijn referentiekader, zoals het gegeven dat eiser afkomstig is uit een afgelegen gebied in Pakistan. Eiser is al een langere periode in Europa en hij werkt. Die omstandigheden mogen ook worden meegewogen door de minister. Met betrekking tot de talen die eiser zou spreken, leest de rechtbank niet in de beoordeling dat er een (te) hoge standaard is gehanteerd voor wat betreft de taalvaardigheid van eiser. De minister heeft ook ter zitting verder toegelicht dat niet uit de beoordeling blijkt dat er een referentiekader is voorgehouden waarbij ervan is uitgegaan dat eiser zeven talen vloeiend zou spreken. De enkele stelling dat er geen rekening is gehouden met zijn referentiekader is onvoldoende onderbouwing voor wat er niet klopt aan het bestreden besluit. Verder heeft eiser noch in de correcties en aanvullingen noch in de zienswijze aangegeven wat hij anders had willen verklaren of verder had willen toelichten over zijn seksualiteit. De stelling van eiser dat de relatie die hij had in Pakistan begon toen hij kind was en dat hij daarom zijn gevoelens niet kan verwoorden, wordt niet gevolgd. Eiser is inmiddels een volwassen man en de minister heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat van hem kan worden verwacht dat hij nu enig inzicht kan geven in zijn gevoelens of de relatie(s) die hij heeft gehad. Dat eiser alleen maar warrig zou kunnen verklaren vanwege zijn referentiekader volgt de rechtbank niet en dat blijkt ook niet uit de verklaringen die hij heeft afgelegd tijdens de gehoren.
De rechtbank volgt eiser ook niet in zijn standpunt dat het niet zo kan zijn dat de minister een deel van zijn verklaringen geloofwaardig acht en het andere deel niet. Er zijn meerdere asielmotieven getoetst en de rechtbank ziet niet in dat die dusdanig met elkaar verbonden zijn dat bij het geloofwaardig achten van de afvalligheid van eiser, ook zijn seksuele geaardheid geloofwaardig moet worden geacht. Eiser heeft verder ook niet onderbouwd waar dat uit zou moeten blijken. De minister heeft eisers verklaringen getoetst en is voldoende gemotiveerd tot het oordeel gekomen dat eisers seksuele geaardheid ongeloofwaardig is. De beroepsgrond slaagt niet.
Bekering tot het christendom
8. Eiser voert tot slot aan dat de afvalligheid en bekering door elkaar zijn gehaald en dat de minister miskent dat eiser over de afvalligheid geloofwaardig heeft verklaard.
Gesteld noch gebleken is wat er niet klopt aan de motivering van de minister met betrekking tot de gestelde bekering tot het christendom. De minister heeft voldoende gemotiveerd dat eiser niet overtuigend heeft verklaard over het christendom en heeft eisers verklaringen hierover niet ten onrechte ongeloofwaardig gevonden. Het betoog treft geen doel. De beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
9. De minister heeft de aanvraag terecht afgewezen als kennelijk ongegrond.
Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en de afwijzing van zijn aanvraag in stand blijft. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
10. Nu de rechtbank op het beroep heeft beslist, bestaat er geen aanleiding meer om de gevraagde voorlopige voorziening te treffen. De rechtbank wijst dat verzoek dan ook af.
Beslissing
De rechtbank in de zaak met nummer NL26.9084:
- verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter in de zaak met nummer NL26.9085:
- wijst het verzoek af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. N. Boonstra, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. E. Waal, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.