ECLI:NL:RBDHA:2026:10989

ECLI:NL:RBDHA:2026:10989

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 08-05-2026
Datum publicatie 08-05-2026
Zaaknummer NL26.23509 en NL26.23969
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Roermond

Samenvatting

TKB Ghana/ IRV 2 jaar / Bewaring ter fine van terugkeer Verweerder handelt zeer voortvarend door tijdens de strafrechtelijke detentie van eiser reeds een LP aan te vragen/ eiser reeds te horen over TKB/IRV/IBS en tijdens de strafrechtelijke detentie van eiser een TKB vast te stellen, een inreisverbod uit te vaardigen en een maatregel van bewaring op te leggen, uit te reiken en te bepalen dat deze maatregel in werking treedt onmiddellijk na ontslag uit strafrechtelijke detentie. Verweerder heeft eiser zeer zorgvuldig is gehoord en dit blijkt niet alleen uit de vele vragen die zijn gesteld maar ook uit het ‘dóórvragen’. Duidelijk is dat niet een ‘vragenlijst is afgewerkt’. Uit de gehoren blijkt dat verweerder zich heeft gerealiseerd dat niet alleen moet worden vastgesteld of sprake is van illegaal verblijf, maar dat ook moet worden nagegaan of de in artikel 5 van richtlijn 2008/115 genoemde belangen en/of het beginsel van non-refoulement aan het vaststellen van het terugkeerbesluit en het uitvaardigen van een inreisverbod met een duur van twee jaar in de weg staan. Uit de M110 blijkt ook dat verweerder zich realiseert dat het opleggen van een maatregel alleen rechtmatig is, als dit noodzakelijk is. Uit de M110 blijkt dat verweerder in het gehoor aan eiser goed gemotiveerd heeft uitgelegd waarom geen lichter middel wordt toegepast. In de bewaringsmaatregel ontbreekt echter een deugdelijke motivering ten aanzien van de noodzaak om een maatregel op te leggen en het niet kunnen volstaan met een lichter middel. Dit betekent dat de maatregel onrechtmatig is en moet worden opgeheven. Dat wel is gemotiveerd dat de maatregel niet onevenredig bezwarend is en dat het onttrekkingsrisico en zicht op uitzetting goed zijn toegelicht, maakt de maatregel niet alsnog rechtmatig. Beroep tegen TKB/IRV ongegrond, beroep tegen bewaring gegrond. Opheffing & invrijheidstelling & SV & PKV.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser],

de minister van Asiel en Migratie, verweerder,

Zittingsplaats Roermond

Bestuursrecht

zaaknummers: NL26.23509 en NL26.23969

geboren op [geboortedatum] 1982, Ghanese nationaliteit,

V-nummer: [V-nummer], eiser,

(gemachtigde: mr. P.J.J. van de Kerkhof),

en

(gemachtigde: mr. S. Faddach).

Procesverloop

Verweerder heeft op 21 april 2026 een terugkeerbesluit vastgesteld waarin Ghana als land van terugkeer is aangemerkt en waarin geen termijn voor vrijwillig vertrek is verleend. Dit terugkeerbesluit gaat gepaard met een inreisverbod met een duur van twee jaar.

Verweerder heeft eiser op 22 april 2026 in bewaring gesteld op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000.

Eiser heeft tegen beide besluiten beroep ingesteld (terugkeerbesluit/inreisverbod NL26.23969, bewaring NL26.23509) Het beroep dat is gericht tegen de bewaringsmaatregel wordt tevens aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.

De rechtbank heeft beide beroepen op 6 mei 2026 gelijktijdig en gevoegd op zitting behandeld. Eiser is verschenen om in persoon door tussenkomst van een tolk en bijgestaan door zijn gemachtigde te worden gehoord over de vrijheidsontnemende maatregel. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Ten behoeve van eiser is op 27 juli 2021 een aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf ingediend. Deze aanvraag is buiten behandeling gesteld. Dit besluit omvat geen terugkeerbesluit.

2. Op 29 november 2021 is voor eiser een aanvraag ingediend voor een gecombineerde vergunning voor verblijf en arbeid. Het besluit van 22 januari 2022, waarmee de aanvraag voor deze vergunning is afgewezen, omvat een terugkeerbesluit waarin Ghana als land van terugkeer is aangemerkt en een termijn van vier weken voor vrijwillig is bepaald. Dit besluit staat in rechte vast.

3. Eiser is op 22 februari 2026 op Eindhoven Airport, na binnenkomst met een vlucht vanuit Milaan, staandegehouden. Eiser heeft bij aankomst op Eindhoven Airport gebruik gemaakt van een Italiaans rijbewijs en een Italiaanse identiteitskaart, welke documenten na onderzoek vals bleken te zijn. Eiser is aangehouden, in preventieve hechtenis genomen en op 25 februari 2026 door de politierechter in Den Bosch veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee maanden terzake artikel 231, tweede lid, Sr.

4. Op 21 april 2026 is wederom een terugkeerbesluit vastgesteld waarin Ghana als land van terugkeer is aangemerkt en waarin geen termijn voor vrijwillig vertrek is verleend. Dit terugkeerbesluit gaat gepaard met een inreisverbod met een duur van twee jaar. Dit is een zogenoemd ‘kaal terugkeerbesluit’, waarin het illegale verblijf van eiser is vastgesteld en een terugkeerverplichting is opgelegd. In het terugkeerbesluit is gemotiveerd dat sprake is van een onttrekkingsrisico en dat hierin aanleiding is gezien om een termijn voor vrijwillig vertrek te onthouden.

5. Eiser is -voorafgaand aan het einde van de executie van deze gevangenisstraf- op 21 april 2026 gehoord over een mogelijk op te leggen bewaringsmaatregel. De beslissing om eiser in bewaring te stellen is genomen op 21 april 2026, en deze maatregel is toen ook uitgereikt waarbij aan eiser is medegedeeld dat de maatregel van kracht wordt aansluitend aan de beëindiging van de strafrechtelijke detentie op 22 april 2026.

6. Eiser is op 22 april 2026 overgenomen door de vreemdelingenketen waarna de maatregel, van bewaring die ertoe strekt om de terugkeer naar Ghana voor te bereiden en uit te voeren, in werking is getreden.

7. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. Verweerder heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, eerste, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit, als zware gronden vermeld dat eiser:3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;3f. zich zonder noodzaak heeft ontdaan van zijn reis- of identiteitsdocumenten;3g. in het Nederlandse rechtsverkeer gebruik heeft gemaakt van valse of vervalste documenten; en als lichte gronden vermeld dat eiser:4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan;4e. verdachte is van enig misdrijf dan wel daarvoor is veroordeeld.

8. Eiser heeft geen zelfstandige gronden aangevoerd tegen de vaststelling van illegaal verblijf, maar betwist ten aanzien van zowel het terugkeerbesluit als de bewaringsmaatregel het onttrekkingsrisico. Eiser stelt zich tevens op het standpunt dat in het inreisverbod onvoldoende is gemotiveerd waarom zijn relatie niet in de weg staat aan de oplegging van het inreisverbod. Tevens stelt eiser dat had moeten worden volstaan met een lichter middel. Eiser heeft in beroep een brief van zijn partner en ondersteunende documenten overgelegd waaruit blijkt dat eiser in afwachting van zijn vertrek bij haar kan verblijven en dat eiser over voldoende financiële middelen beschikt om de kosten van het vertrek te dragen en dat zij en eiser ook bereid zijn de terugkeer te financieren. Eiser heeft ter zitting toegelicht dat hij daags voor de zitting contact heeft opgenomen met de Ghanese autoriteiten om de terugkeer te bespoedigen. Eiser heeft in het bewaringsgehoor verklaard dat hij dit contact zou opnemen en heeft verder verklaard dat de Italiaanse autoriteiten zijn – nog geldige- paspoort hebben ingenomen. Eiser stelt tevens in de veronderstelling te hebben verkeerd dat de Italiaanse documenten die hij bij zijn inreis in Eindhoven bij zich had echt en geldig waren.

9. De rechtbank zal het beroep voor zover gericht tegen het terugkeerbesluit en inreisverbod ongegrond verklaren, maar zal de maatregel opheffen omdat in de maatregel niet is gemotiveerd waarom een lichter middel niet volstaat om het terugkeerbesluit uit te voeren. De rechtbank motiveert dit als volgt.

10. Zowel het vaststellen van het terugkeerbesluit, als het uitvaardigen van een inreisverbod zijn handelingen waarmee verweerder richtlijn 2008/115 ten uitvoer legt. Dat betekent dat de rechter, naast het beoordelen van de beroepsgronden, zo nodig, ambtshalve moet nagaan of de in artikel 5 van richtlijn 2008/115 genoemde belangen en/of het beginsel van non-refoulement aan het vaststellen van het terugkeerbesluit en het uitvaardigen van een inreisverbod met een duur van twee jaar in de weg staan.

11. De rechtbank overweegt in dit kader allereerst dat het op 21 april 2026 vastgestelde terugkeerbesluit op rechtsgevolg is gericht gelet op het onthouden van de vertrektermijn en het daardoor verplicht uitgevaardigde inreisverbod. Zowel het vaststellen van het terugkeerbesluit, als het uitvaardigen van een inreisverbod zijn handelingen waarmee verweerder richtlijn 2008/115 ten uitvoer legt.

12. Verweerder heeft eiser gehoord alvorens het terugkeerbesluit vast te stellen en het inreisverbod uit te vaardigen. Verweerder is in dit gehoor nagegaan of eiser illegaal in Nederland verblijft en of hij een verblijfsvergunning in een andere lidstaat heeft. Verweerder heeft tevens gevraagd of eiser familieleden in Nederland of een andere lidstaat heeft en zo ja, of zij legaal in de Unie verblijven. Verweerder heeft zich door het stellen van vragen vergewist van de gezondheidssituatie van eiser en heeft nadere vragen gesteld over het privéleven van eiser in Nederland en de Unie door onder meer te vragen of eiser zakelijke belangen in de Unie heeft. Voorts is aan eiser gevraagd wat het voor hem betekent dat hij Nederland en de Unie onmiddellijk moet verlaten en is uitdrukkelijk gevraagd of er redenen zijn om af te zien van de uitvaardiging van een inreisverbod, dan wel om een inreisverbod met een verkorte duur op te leggen.

13. De rechtbank stelt op grond van dit gehoor vast dat de Opperwachtmeester van de KMar zich heeft gerealiseerd dat niet alleen moet worden vastgesteld of eiser onder de werkingssfeer van richtlijn 2008/115 valt, maar dat ook moet worden nagegaan of de in artikel 5 van richtlijn 2008/115 genoemde belangen en/of het beginsel van non-refoulement aan het vaststellen van het terugkeerbesluit en het uitvaardigen van een inreisverbod met een duur van twee jaar in de weg staan. De rechtbank merkt hierbij op dat eiser zeer zorgvuldig is gehoord en dat dit niet alleen blijkt uit de vele vragen die zijn gesteld maar ook uit het ‘dóórvragen’. Duidelijk is dat niet een ‘vragenlijst is afgewerkt’ maar dat er een onderzoek heeft plaatsgevonden voorafgaand aan het opleggen van deze besluiten en dat naar de door eiser gegeven antwoorden is geluisterd en indien dat nodig was, nadere vragen zijn gesteld.

14. In het terugkeerbesluit is terecht vastgesteld dat sprake is van illegaal verblijf. Tevens is voldoende gemotiveerd dat sprake is van een onttrekkingsrisico. Eiser zegt in 2010 met een visum naar Europa te zijn gekomen en vanaf 2019 in de Unie te verblijven maar kan geen document tonen dat waaruit blijkt dat de inreis was toegestaan. Eiser heeft niet voldaan aan de terugkeerplicht die reeds op 22 januari 2022 is ontstaan. Eiser weet dit ook, maar heeft de Unie niet verlaten en verblijft, naar eigen zeggen, in Italië en komt af en toe naar Nederland om zijn partner te bezoeken. Eiser is veroordeeld door de politierechter omdat hij bij een controle bij de inreis in Nederland twee valse documenten heeft getoond aan de Kmar. Dat eiser stelt niet te hebben geweten dat de documenten waren vervalst doet niet af aan de feitelijke juistheid. Naar het oordeel van de rechtbank zijn zware gronden die feitelijk juist zijn niet reeds daarom een onderbouwing van een risico op onttrekking. In dit geval is dat wel zo omdat de stelling van eiser niet overtuigend is. Eiser niet heeft verklaard dat hij het (valse) Italiaanse rijbewijs en de (valse) Italiaanse identiteitskaart heeft verkregen van de Italiaanse autoriteiten maar van derden. Eiser weet dat hij zich om Ghanese documenten te verkrijgen tot de autoriteiten van Ghana moet wenden. Eiser snapt dus ook dat hij Italiaanse documenten niet bij derden kan kopen, maar deze uitsluitend van de Italiaanse autoriteiten kan verkrijgen. Deze gronden volstaan om het onttrekkingsrisico te onderbouwen dat zowel in het terugkeerbesluit als in de bewaringsmaatregel is opgevoerd.

15. De beroepsgrond die is gericht tegen het terugkeerbesluit slaagt niet. Eiser heeft zich gerefereerd ten aanzien van de overige rechtmatigheidsaspecten van het terugkeerbesluit. Eiser meent wel dat moest worden afgezien van het uitvaardigen van het inreisverbod. De rechtbank overweegt ten aanzien van het terugkeerbesluit verder het navolgende.

16. In artikel 7, vierde lid, van richtlijn 2008/115 is onder meer bepaald dat indien er een risico op onderduiken bestaat, de lidstaten kunnen afzien van het toekennen van een termijn voor vrijwillig vertrek. Deze bepaling is omgezet in artikel 62, tweede lid onder a, Vw en verweerder heeft beleid vastgesteld om aan deze bevoegdheid invulling te geven. In het terugkeerbesluit is het onttrekkingsrisico genoegzaam onderbouwd en dus is genoegzaam onderbouwd dat kan worden afgezien van het toekennen van een termijn voor vrijwillig vertrek. In artikel 11, eerste lid onder a, van richtlijn 2008/115 is bepaald dat het terugkeerbesluit gepaard gaat met een inreisverbod als er geen termijn voor vrijwillig vertrek is toegekend. Artikel 66a, eerste lid onder a, Vw bepaalt dat een inreisverbod wordt uitgevaardigd als de vreemdeling Nederland onmiddellijk moet verlaten. In het terugkeerbesluit is gemotiveerd ingegaan op de verklaringen die eiser heeft afgelegd. Eiser heeft verklaard dat hij niets heeft te zeggen over het terugkeerbesluit. Hij heeft tevens verklaard dat hij in Ghana niemand heeft om bij te verblijven, hij ook problemen met zijn familie verwacht maar hij wel veilig kan terugkeren. Eiser heeft ook verklaard een relatie met een Nederlandse vrouw te hebben. In de motivering is voorts het navolgende opgenomen:

(…)

‘Betrokkene heeft zelf aangegeven dat hij sinds 2019 illegaal in Europa verbleven is nadat zijn laatste visum zijn geldigheid verloren had. Hij heeft sindsdien op 20-10-2021 een beschikking regulier buitenbehandelingstelling ontvangen en op zijn aanvraag regulier verblijf vervolgens op 12-01-2022 een beschikking regulier afwijzing ontvangen met een terugkeerbesluit 4 weken. Betrokkene heeft niet voldaan aan dit terugkeerbesluit en heeft

ervoor gekozen om zijn illegale verblijf vanaf februari 2024 voort te zetten in Italië.

Vreemdeling geeft aan een relatie met een vrouw te hebben die de Nederlandse nationaliteit bezit en in Leeuwarden woonachtig is. Echter verklaart betrokkene dat hij sinds hij woonachtig is in Italië alleen naar Nederland afreist voor verjaardagen en de kerstdagen. Tevens verklaart betrokkene dat zijn vriendin op 1 bezoek van 5 dagen na in november 2025 zij hem niet in Italië heeft opgezocht. Betrokkene heeft op specifieke vragen van mij of er een reden was om af te zien van een inreisverbod geen enkele maal zijn vriendin benoemd.

Er is voorts niet gebleken dat afgezien zou moeten worden van het opleggen van dit besluit.’

(…)

17. De rechtbank overweegt dat weliswaar niet uitdrukkelijk is overwogen dat de in artikel 5 van richtlijn 2008/115 genoemde belangen en/of het beginsel van non-refoulement niet aan het vaststellen van het terugkeerbesluit en het uitvaardigen van een inreisverbod met een duur van twee jaar in de weg staan. De rechtbank constateert evenwel dat grondig is onderzocht of sprake was van de in artikel 5 van richtlijn 2008/115 genoemde belangen en dat verweerder zich ook deugdelijk heeft vergewist of eiser vreest bij terugkeer of dat er mogelijk een refoulementrisico dreigt. Het terugkeerbesluit is ook voldoende draagkrachtig gemotiveerd. De beroepsgrond van eiser dat in het inreisverbod onvoldoende is gemotiveerd waarom artikel 8 EVRM geen reden is om af te zien van het inreisverbod slaagt niet. Zoals hiervoor overwogen moet onder meer worden beoordeeld of het belang van het familie- en privéleven aan de vaststelling van een inreisverbod met een duur van twee jaar in de weg staat. Dit is een wezenlijk andere beoordeling dan de beoordeling of een verblijfsvergunning moet worden verleend op grond van artikel 8 EVRM. Uit de verklaringen van eiser blijkt dat hij langdurig illegaal in de Unie verblijft. Op vragen van de rechtbank heeft eiser ter zitting verklaard dat hij in al die jaren geen aanvraag heeft gedaan om zijn verblijf bij zijn partner te regulariseren en dat hij overigens invulling geeft aan zijn privéleven door in Italië te verblijven en vanuit Italië met zijn Nederlandse partner die in Nederland verblijft contact te onderhouden. Eiser heeft verder verklaard afhankelijk van de uitkomst van de onderhavige procedure alsnog een aanvraag voor een verblijfsvergunning in te zullen dienen. De rechtbank overweegt dat het privéleven dat eiser heeft uitgeoefend zonder inspanningen om dit privéleven te regulariseren ondanks het langdurige illegale verblijf, de wijze waarop hij dit heeft uitgeoefend en de relatief geringe gevolgen hiervoor als het inreisverbod na het verlaten van de Unie in werking treedt, niet in de weg staat aan de duur van twee jaar die aan het verplicht uitgevaardigde inreisverbod is gekoppeld. In het inreisverbod is dit genoegzaam gemotiveerd.

18. De rechtbank concludeert dan ook dat het terugkeerbesluit en het inreisverbod rechtmatig zijn.

19. Eiser heeft zich op het standpunt gesteld dat de maatregel moet worden opgeheven omdat had moeten worden volstaan met de oplegging van een lichter middel, dan wel dat onvoldoende is gemotiveerd waarom dat niet is geschied.

20. De rechtbank overweegt dat in het gehoor, dat tegelijk met ‘TKB/IRV-gehoor’ heeft plaatsgevonden, grondig is onderzocht of kon worden volstaan met de oplegging van een lichter middel. In de M110 is ook aan eiser medegedeeld waarom niet is volstaan met de oplegging van een lichter middel. In de M110 is onder meer het navolgende vermeld:

(…)

De verklaring van betrokkene dat hij Nederland wil verlaten kan ertoe leiden dat de bewaring achterwege moet worden gelaten. Betrokkene heeft tijdens het gehoor weliswaar desgevraagd verklaard Nederland te willen verlaten, maar heeft deze verklaring niet geconcretiseerd waardoor deze niet voor waar kan worden aangenomen. Nu betrokkene zijn vrijwillige vertrek niet dan wel niet voldoende heeft geconcretiseerd en de geconstateerde feiten en omstandigheden waaronder hij is aangetroffen afbreuk doen aan de geloofwaardigheid van zijn gestelde vrijwillige vertrek, maakt dit voldoende aannemelijk om aan te nemen dat er een risico bestaat dat hij zich aan het toezicht zal onttrekken.

Tijdens het aan de inbewaringstelling voorafgaande gehoor heeft betrokkene verklaard dat hij geen handelingen heeft ondernomen om bij de autoriteiten van zijn land een reisdocument aan te vragen. Betrokkene is daardoor niet in staat enig document ter staving van zijn gestelde identiteit en nationaliteit te overleggen die nodig zijn voor terugkeer. Het uitgangspunt van het terugkeerbeleid is dat een vreemdeling die niet langer in Nederland mag blijven, zelf verantwoordelijk is voor het vertrek uit Nederland. Een vreemdeling kan in principe altijd vrijwillig en zelfstandig terugkeren naar het land van herkomst.

Betrokkene heeft onvoldoende aantoonbare inspanningen verricht om alsnog in het bezit te komen van een reisdocument en niet de kans genomen om de verantwoordelijkheid voor zijn zelfstandige terugkeer daadwerkelijk te nemen. Zelfs nadat de regievoerder DT&V betrokkene erop heeft gewezen dat zijn daadwerkelijke terugkeer aanzienlijk versneld kan worden indien betrokkene zijn, naar eigen zeggen in Italië aanwezige Ghanese paspoort aan DT&V kan overhandigen, heeft betrokkene geen enkele moeite gedaan om in het bezit van zijn reisdocument te komen. Ook nadat betrokkene van de regievoerder DT&V het telefoonnummer van de Ghanese ambassade in Nederland heeft gekregen om zo zelf een vervangend reisdocument aan te vragen, heeft betrokkene geen enkele poging ondernomen om een vervangend reisdocument te verkrijgen, danwel in contact te treden met de Ghanese

ambassade.

Uit het handelen van betrokkene is op geen enkele wijze gebleken dat hij voornemens is eigener beweging te vertrekken en is voldoende om aan te nemen dat er een risico bestaat dat betrokkene zich aan het toezicht zal onttrekken.

Dat betrokkene ten tijde van belang strafrechtelijk gedetineerd was doet er niet aan af dat hij tijdens die detentie reeds de nodige inspanningen had kunnen verrichten om zijn terugkeer te bevorderen. Uit het handelen van betrokkene is op geen enkele wijze gebleken dat hij voornemens is eigener beweging te vertrekken en is voldoende om aan te nemen dat er een

risico bestaat dat betrokkene zich aan het toezicht zal onttrekken.

(…)

Tijdens het aan de inbewaringstelling voorafgaande gehoor heeft betrokkene onder meer gewezen op zijn gezondheidstoestand. Betrokkene heeft aangegeven dat zijn gezondheidstoestand te wensen over laat omdat hij last heeft van een hoge bloeddruk, maar hier geen medicatie voor krijgt.

Ten aanzien van de medische zorgverlening binnen de detentie- en uitzetcentra kan worden gesteld dat deze gelijkwaardig is aan de gezondheidszorg in de vrije maatschappij. Indien er zich onverhoopt medische omstandigheden voordoen kan de behandeling in de detentie- en

uitzetcentra worden aangevraagd, aangevangen dan wel worden voortgezet. Nu er sprake is

van gelijkwaardige gezondheidszorg maakt dit betrokkene niet detentieongeschikt. In zoverre bezien hoeft hierom niet te worden volstaan met het toepassen van een lichter middel dan de inbewaringstelling.

Tijdens het aan de inbewaringstelling voorafgaande gehoor heeft betrokkene aangegeven zelfstandig te willen vertrekken.

Betrokkene heeft zowel binnen als buiten de vertrektermijn nimmer aantoonbare handelingen ondernomen om zelfstandig te vertrekken. Dit maakt het aannemelijk dat betrokkene niet uit vrije wil zal vertrekken. In zoverre bezien hoeft hierom niet te worden volstaan met het toepassen van een lichter middel dan de inbewaringstelling.

(…)

21. De rechtbank overweegt dat dit een zeer deugdelijke motivering is van de beslissing om niet te volstaan met een lichter middel. De rechtbank stelt evenwel vast dat in de maatregel van bewaring een dergelijke motivering ontbreekt. In de maatregel is ten aanzien van het lichter middel uitsluitend gemotiveerd dat ‘door de vreemdeling geen omstandigheden zijn aangevoerd die zouden moeten leiden tot het opleggen (of voortzetten) van een minder dwingende maatregel’. Dit is ontoereikend. Het alleen motiveren van de gronden die zijn opgevoerd om het onttrekkingsrisico te onderbouwen kan niet worden beschouwd als de motivering van het niet volstaan met een lichter middel. Ook als er sprake is van een onttrekkingsrisico kan immers een lichter middel onder omstandigheden mogelijk zijn om het doel waarvoor de maatregel is opgelegd te verwezenlijken. De maatregel dient een kenbare en gemotiveerde beslissing te bevatten waaruit blijkt dat oplegging van de maatregel noodzakelijk is. Dat in de maatregel wel is gemotiveerd waarom zicht op uitzetting niet ontbreekt en dat is benoemd dat is niet is gebleken van omstandigheden die de detentie onevenredig bezwarend maken, doet niet af aan het ontbreken van een motivering waaruit de noodzaak van het opleggen van de maatregel blijkt. Daargelaten de bovenstaande redenen die wel in de M110 zijn vermeld, heeft eiser ook verklaard dat hij een vriendin heeft die de Nederlandse nationaliteit heeft en heeft eiser adresgegevens van haar verstrekt. Hij heeft verklaard dat zij vijf jaar een relatie hebben en dat zij hebben samengewoond tot februari 2024 en dat hij daarna naar Italië is vertrokken. Eiser stelt vanaf 2010 met een visum in Nederland te komen en dat hij vanaf 2019 illegaal in Nederland verblijft en nimmer meer is teruggekeerd naar Ghana. Verder heeft eiser verklaard dat eiser sinds hij ‘in gevangenschap’ zit een hoge bloeddruk heeft en dat de arts in PI Ter Apel heeft gezegd dat dit waarschijnlijk wordt veroorzaakt door stress en hij als hij in vrijheid wordt gesteld naar de dokter moet.

22. De rechtbank overweegt dat gelet op al deze verklaringen in de maatregel niet kon worden volstaan met de opmerking dat eiser geen omstandigheden heeft aangevoerd die zouden moeten leiden tot het opleggen (of voortzetten) van een minder dwingende maatregel. De rechtbank overweegt om elk misverstand te voorkomen dat de rechtbank niet concludeert dat had moeten worden volstaan met een lichter middel. De rechtbank stelt uitsluitend vast dat in de maatregel had moeten worden gemotiveerd waarom de door eiser aangedragen feiten en omstandigheden geen reden vormen om te volstaan met een lichter middel.

23. Verweerder heeft ter zitting, nadat de rechtbank dit heeft voorgehouden, erkend dat in de maatregel geen motivering terzake het lichter middel is opgenomen. Dit betekent dat de motivering in de maatregel een zodanig gebrek bevat dat de maatregel moet worden opgeheven. De in beroep overgelegde stukken behoeven daarom geen nadere beoordeling.

24. De rechtbank overweegt hierbij dat eiser zeer zorgvuldig is gehoord, dat het onttrekkingsrisico goed is gemotiveerd en dat verweerder in zijn gehoor en ook door de bewaringsmaatregel laat zien zich te realiseren dat bij het opleggen van de maatregel ook moet worden nagegaan of het terugkeerbesluit kan worden uitgevoerd. Bij die beoordeling mag verweerder uitgaan van het meest recent vastgestelde terugkeerbesluit en de mogelijke rechterlijke controle van een terugkeerbesluit en/of maatregel. De rechtbank heeft hiervoor reeds gemotiveerd dat het terugkeerbesluit rechtmatig is vastgesteld. Verweerder heeft daarenboven -ook blijkens de M110- uitmuntend aan eiser uitgelegd waarom de in artikel 5 van richtlijn 2008/115 genoemde belangen en het beginsel van refoulement niet aan de verwijdering van eiser in de weg staan. De rechtbank wijst er op dat deze motivering evenwel ook in de maatregel ontbreekt.

25. De rechtbank overweegt voorts dat verweerder in de onderhavige procedure zeer voortvarend aan de terugkeerprocedure heeft gewerkt. Verweerder heeft gedurende de periode dat eiser strafrechtelijk is gedetineerd eiser reeds gehoord over een mogelijk op te leggen maatregel, heeft deze maatregel ook al opgelegd zodat deze aansluitend na het ontslag uit detentie in werking kan treden. Verweerder heeft ook reeds een aantal dagen voor oplegging van de maatregel een LP-aanvraag ingediend bij de Ghanese autoriteiten en op 28 april 2026 een kopie van het paspoort nagezonden. De DIA heeft op 29 april 2026 via de ambassade het politiebureau in Italië aangeschreven om na te gaan of het geldige paspoort van eiser, zoals eiser heeft verklaard, daadwerkelijk door hen is ingenomen. Dat verweerder zeer voortvarend werkt aan het vertrek van eiser, kan evenwel niet gelden als compensatie voor een ontoereikend gemotiveerde maatregel.

26. De rechtbank heeft ter zitting met eiser besproken dat indien de rechtbank zou concluderen dat de maatregel onrechtmatig is en daarom moet worden opgeheven en eiser in vrijheid zou worden gesteld, dit niet betekent dat eiser niet langer hoeft te voldoen aan zijn terugkeerverplichting. Eiser blijft ook na de opheffing van de maatregel onder de werkingssfeer van richtlijn 2008/115 vallen en het terugkeerbesluit en inreisverbod worden ook niet vernietigd. Eiser heeft aangegeven contact te hebben opgenomen met de Ghanese ambassade om zijn terugkeer te bespoedigen. De partner van eiser heeft zich garant gesteld voor de terugkeer van eiser en heeft verklaard dat eiser bij haar kan verblijven in afwachting van het beschikbaar komen van de benodigde reis- en identiteitsdocumenten. De rechtbank gaat er van uit dat eiser, gelet op zijn verklaringen en de verklaringen van zijn partner, aan DT&V mededeelt waar hij na zijn invrijheidstelling zal verblijven en dat hij zich beschikbaar houdt voor vertrekgesprekken en voor het daadwerkelijke vertrek. Ter zitting is aangegeven dat zal worden nagegaan of een verblijfsvergunning kan worden aangevraagd. De rechtbank geeft eiser mee om samen met zijn advocaat ook na te gaan aan welke voorwaarden moet worden voldaan om – na terugkeer naar Ghana en vanuit Ghana- te verzoeken om opheffing van het inreisverbod en aan welke voorwaarden moet worden voldaan om in aanmerking te komen voor een verblijfsvergunning indien die vanuit Ghana wordt aangevraagd. Eiser zal begrijpen dat het hiervoor relevant is dat hij zijn inmiddels in bewaring ontstane meewerkende houding voortzet en dat hij zich niet zal onttrekken aan het toezicht en dat eiser zal begrijpen dat indien hij de terugkeerprocedure belemmert of ontwijkt door bijvoorbeeld naar Italië te vertrekken, dit mogelijk toekomstig rechtmatig verblijf in Nederland in de weg zal staan.

27. De rechtbank concludeert dat eiser op 22 april 2026 onrechtmatig in bewaring is gesteld en daardoor vanaf de oplegging van de maatregel onrechtmatig in bewaring is gehouden. De rechtbank zal eiser daarom in aanmerking brengen voor schadevergoeding en ziet geen aanleiding om af te wijken van de standaardmatig gehanteerde bedragen, zodat eiser aanspraak maakt op een bedrag van € 4.960,- (16 x € 1.920,-)

28. De rechtbank spreekt een proceskostenveroordeling uit omdat het beroep gegrond is en hanteert daarvoor de standaardmatig toegekende punten en bedragen, waarbij de rechtbank geen punt toekent voor de kennisgeving.

29. Beslist wordt als volgt.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep voor zover dit is gericht tegen het terugkeerbesluit en inreisverbod ongegrond (NL26.23969);

- verklaart het beroep voor zover dit is gericht tegen de bewaringsmaatregel gegrond (NL26.23509);

- beveelt de onmiddellijke opheffing van de maatregel;

- gelast de onmiddellijke invrijheidstelling van eiser;

veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van een schadevergoeding aan eiser tot een bedrag van € 1.920,- -, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S. van Lokven, rechter, in aanwezigheid van M.M.P. van Diepen, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: 8 mei 2026.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking voor zover het hoger beroep zich richt tegen de uitspraak over de bewaring (NL26.23509) en binnen vier weken voor zover het beroep zich richt tegen de uitspraak over het terugkeerbesluit en inreisverbod (NL26.23969).

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. S. van Lokven

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand