RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser
de minister van Asiel en Migratie, de minister
Samenvatting
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.25388
(gemachtigde: mr. B. Aydin),
en
(gemachtigde: mr. M.F. van der Lubbe).
Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiser om een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met als doel ‘arbeid als zelfstandige’. Eiser is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister de aanvraag van eiser heeft mogen afwijzen. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
Eiser heeft een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met als doel ‘arbeid als zelfstandige’ bij de eenmanszaak
[bedrijf] . De minister heeft deze aanvraag met het primaire besluit van
11 maart 2025 afgewezen. Met het bestreden besluit van 8 mei 2025 op het bezwaar van eiser is de minister bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Ook heeft hij de rechtbank verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Dit verzoek staat geregistreerd onder zaaknummer NL25.13602. Hierop wordt bij afzonderlijke uitspraak beslist.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
Op 19 februari 2026 heeft de rechtbank aan partijen een brief gestuurd, waarin wordt gewezen op de uitspraak van 1 juli 2025 van de
Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) die gaat over dezelfde geschilpunten als in de onderhavige zaak. De Afdeling heeft haar oordeel herhaald in uitspraken van 9 juli 2025 en 4 september 2025. Gelet op deze ontwikkeling in de rechtspraak heeft de rechtbank partijen in de gelegenheid gesteld hierop te reageren.
Eiser heeft op 23 februari 2026 op de brief van de rechtbank gereageerd.
De rechtbank heeft het beroep op 5 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, zijn gemachtigde, R. Baysal als tolk in de Turkse taal, en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
Wat aan deze procedure voorafging
3. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1999 en heeft de Turkse nationaliteit. Op
11 december 2024 heeft eiser een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met als verblijfsdoel ‘arbeid als zelfstandige’ bij de eenmanszaak [bedrijf] . De aanvraag is met het primaire besluit afgewezen, omdat eiser geen geldige machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) heeft. Eiser voldoet volgens de minister niet aan de voorwaarden voor vrijstelling van het mvv-vereiste in paragraaf B1/4.1.2 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc) omdat zijn uitzetting niet in strijd is met het Turks associatierecht. Aan eiser is met het primaire besluit ook een terugkeerbesluit opgelegd.
4. Met het bestreden besluit heeft de minister de afwijzing van de aanvraag van eiser wegens het ontbreken van een geldige mvv gehandhaafd. De minister volgt eiser niet in zijn stelling dat de aanvraag niet mag worden afgewezen op grond van het mvv-vereiste. Het op 1 oktober 2022 ingevoerde mvv-vereiste voor Turkse staatsburgers is een aanscherping in de zin van de standstill-bepaling van artikel 41, eerste lid, van het Aanvullend Protocol. Die aanscherping is volgens vaste rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie toegestaan als deze kan worden gerechtvaardigd. Dat is volgens de minister het geval omdat de aanscherping een rechtvaardiging vindt in dwingende redenen van algemeen belang, geschikt is om de verwezenlijking van de nagestreefde legitieme doelen te waarborgen en niet verder gaat dan noodzakelijk om die doelen te verwezenlijken. In het geval van eiser stelt de minister zich op het standpunt dat eiser geen bijzondere, individuele omstandigheden heeft aangevoerd waaruit zou kunnen worden opgemaakt dat hij in aanmerking komt voor vrijstelling van het mvv-vereiste. Eiser is daartoe wel in de gelegenheid gesteld. Omdat er tijdens het bezwaar geen relevante bijzondere persoonlijke feiten en omstandigheden naar voren zijn gebracht en er volgens de minister verder geen sprake is van resterende onduidelijkheden met betrekking tot het feitencomplex, heeft de minister afgezien van het horen van eiser.
Juridisch kader
Op grond van artikel 16, eerste lid, aanhef en onder a, van de
Vreemdelingenwet 2000 (Vw) kan een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd worden afgewezen, als de vreemdeling niet beschikt over een geldige mvv die overeenkomt met het verblijfsdoel waarvoor de verblijfsvergunning is aangevraagd. Op grond van het tweede lid van dit artikel kunnen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels worden gesteld over de toepassing van de gronden, bedoeld in het eerste lid.
Op grond van artikel 17, eerste lid, aanhef en onder g, van de Vw wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd niet afgewezen wegens het ontbreken van een geldige mvv, als het betreft de vreemdeling die behoort tot een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen categorie.
In artikel 3.71, tweede lid, aanhef en onder e, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) staat dat op grond van artikel 17, eerste lid, onder g, van de Vw 2000, van
het vereiste van een geldige mvv is vrijgesteld, de vreemdeling die in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning op grond van Besluit 1/80 of wiens uitzetting in strijd is met het Turks Associatierecht.
Met het Wijzigingsbesluit van 23 september 2022 (WBV 2022/23) heeft de minister het beleid in de Vc aangepast. In paragraaf B1/4.1.2 van de Vc staat na deze aanpassing:
“Vrijstelling mvv-vereiste vanwege het Associatierecht EEG-Turkije
Een vreemdeling is vrijgesteld van het mvv-vereiste, als artikel 3.71, tweede lid, onder e, Vb van toepassing is. De IND neemt aan dat uitzetting in strijd is met het Associatierecht in de zin van artikel 3.71, tweede lid, aanhef en onder e, Vb als de vreemdeling voldoet aan alle volgende voorwaarden:
de vreemdeling of de hoofdpersoon valt onder het toepassingsbereik van Besluit 1/80 of het Aanvullend Protocol;
de vreemdeling heeft een aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd zonder mvv ingediend;
de vreemdeling voldoet aan alle overige geldende voorwaarden voor het verlenen van de verblijfsvergunning; en
er is sprake van bijzondere, individuele omstandigheden die tot de conclusie leiden dat het stellen van het mvv-vereiste onevenredig is.
De bijzondere, individuele omstandigheden moeten het uitoefenen van het vrij verkeer van werknemers of de vrijheid van vestiging belemmeren. Hiervan kan sprake zijn als bij een aanvraag om verblijf als gezinslid bij een Turkse hoofdpersoon die tot de legale Nederlandse arbeidsmarkt behoort, die Turkse hoofdpersoon door de bijzondere, individuele omstandigheden genoodzaakt wordt om te kiezen tussen het uitoefenen van de economische activiteit in Nederland en het gezinsleven in Turkije.
De IND neemt in beginsel geen belemmering van het uitoefenen van voornoemde vrijheden in Nederland aan als de bijzondere, individuele omstandigheden uitsluitend zien op de:
politieke, economische of sociale situatie in Turkije; of
persoonlijke omstandigheden in Turkije.
De IND neemt geen belemmering aan voor het uitoefenen van voornoemde vrijheden in Nederland als de bijzondere, individuele omstandigheden zien op de:
- ( (voortzetting van) illegale arbeid in Nederland.
Het is aan de vreemdeling om de eventuele bijzondere individuele omstandigheden bij indiening van de aanvraag aan te voeren en met bewijsmiddelen te onderbouwen.
Het oordeel van de rechtbank
Omvang van het geding
De rechtbank constateert dat de gemachtigde van eiser geen bijzondere individuele omstandigheden heeft aangevoerd waaruit zou kunnen worden opgemaakt dat eiser in aanmerking komt voor vrijstelling van het mvv-vereiste. Tijdens de zitting heeft de gemachtigde van eiser aangegeven dat hij dit niet heeft gedaan, omdat deze omstandigheden in de zin van het WBV 2022/23 er niet zijn.
Verder stelt de rechtbank vast dat de gronden van beroep die de gemachtigde van eiser op 4 juli 2025 heeft ingediend een herhaling zijn van gronden van (hoger) beroep die hij in eerdere procedures heeft aangevoerd en die door de rechtbank dan wel de Afdeling zijn beoordeeld. Die gronden hebben niet geleid tot vernietiging van de betreffende besluiten. Dit betekent dat meermaals is geoordeeld dat de gronden die de gemachtigde heeft aangevoerd niet slagen. Omdat in de gronden van beroep meermaals is opgenomen dat zittingsplaats Haarlem iets miskend zou hebben, is bovendien het vermoeden gerezen dat de gemachtigde de gronden die hij in hoger beroep heeft aangevoerd in een procedure bij de Afdeling, heeft gekopieerd in de gronden van beroep in deze zaak.
Naast het feit dat de gronden al in eerdere procedures zijn aangevoerd en beoordeeld, heeft (de gemachtigde van) eiser in het beroepschrift op geen enkele wijze geconcretiseerd of onderbouwd waarom de feiten en omstandigheden in deze zaak zouden moeten leiden tot een ander oordeel. De rechtbank kan dan ook niet anders concluderen dan dat de beroepsgronden die op 4 juli 2025 zijn ingediend al zijn beoordeeld door de Afdeling. Tijdens de zitting heeft de gemachtigde van eiser aangevoerd dat de rechtbank de beroepsgronden moet opvatten als een reactie op de uitspraken van de Afdeling. De rechtbank is echter van oordeel dat zij dit niet zo mag opvatten, omdat onderhavige procedure bij de rechtbank niet kan worden gebruikt als een verkapt hoger beroep tegen de Afdelingsuitspraken. De rechtbank gaat daarom alleen in op de reactie van de gemachtigde van eiser van 23 februari 2026 op het bericht van de rechtbank van 19 februari 2026.
Toezeggingen van de minister
Eiser voert aan dat de minister en de landsadvocaat bij zittingsplaatsen Amsterdam en Haarlem hebben toegezegd dat de minister met de Kamer van Koophandel in gesprek zal gaan en zal onderzoeken of, en hoe, Turkse onderdanen in Turkije een eenmanszaak of een vennootschap onder firma (vof) kunnen starten. Ook heeft de minister toegezegd beleid te zullen formuleren op grond waarvan Turkse onderdanen die in de tussentijd geen eenmanszaak of vof kunnen starten kunnen voldoen aan de verplichtingen van Bijlage 8aa behorend bij artikel 3.20a, vierde lid, van het Voorschrift Vreemdelingen 2000
(Bijlage 8aa). De minister is tot op heden allebei de toezeggingen niet nagekomen, aldus eiser.
De rechtbank is van oordeel dat de toezeggingen van en namens de minister voor onderhavige zaak niet relevant zijn. Eiser heeft een bericht van registratie bij de Kamer van Koophandel overgelegd en heeft dus wel een eenmanszaak kunnen starten. De reden dat de minister de aanvraag van eiser heeft afgewezen, is dat eiser geen geldige mvv heeft en ook niet is vrijgesteld van deze eis. Ook heeft eiser geen bijzondere individuele omstandigheden aangevoerd, waardoor het mvv-vereiste voor hem ook niet onevenredig is. De beroepsgrond slaagt niet.
Afdelingsuitspraak van 9 juli 2025 en inschrijving Kamer van Koophandel
Eiser voert aan dat de Afdeling in rechtsoverweging 7.3 van haar uitspraak van
9 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3171 een verkeerd oordeel heeft gegeven, omdat zij de praktijk niet kent. Volgens eiser miskent de Afdeling namelijk dat een ondernemer feitelijk in Nederland moet zijn voor een inschrijving bij de Kamer van Koophandel.
De rechtbank is van oordeel dat eiser het betoog dat een aanvraag wordt afgewezen als er geen uittreksel van de Kamer van Koophandel is overgelegd, niet aannemelijk heeft gemaakt. Bovendien heeft eiser bij zijn aanvraag een uittreksel van de
Kamer van Koophandel overgelegd van de inschrijving van zijn eenmanszaak. De beroepsgrond slaagt niet.
Eiser voert verder aan dat de Afdeling in rechtsoverweging 7.4 van haar hiervoor genoemde uitspraak van 9 juli 2025 ten onrechte heeft geoordeeld dat in Bijlage 8aa een Nederlandse bankrekening en een btw-nummer niet worden genoemd. In Bijlage 8aa staat echter wel dat btw-aangiften en aanslagen dienen te worden overgelegd. In de praktijk blijkt dat de minister een Nederlandse bankrekening nodig acht en dat afschriften van een zakelijke rekening van een Nederlandse bankrekening worden gevraagd.
De rechtbank overweegt dat eiser in onderhavige zaak in het geheel geen stukken heeft overgelegd die worden genoemd in Bijlage 8aa. Deze beroepsgrond is niet relevant voor onderhavige zaak en slaagt daarom niet.
Eiser voert aan dat de Afdeling onvoldoende heeft uitgezocht of zonder inschrijving bij de Kamer van Koophandel kan worden voldaan de aan voorwaarden van Bijlage 8aa. Verder voert eiser aan dat het gevolg van de herinvoering van de mvv-plicht is dat Turkse onderdanen geen verblijfsrecht meer kunnen krijgen met een eenmanszaak of vof, omdat deze rechtsvormen niet kunnen worden opgericht vanuit Turkije. Enkel ondernemers die een besloten vennootschap oprichten kunnen een aanvraag als zelfstandige indienen.
De rechtbank is van oordeel dat dit een hypothetische grond is, omdat eiser wél een uittreksel van de Kamer van Koophandel heeft overgelegd van de inschrijving van zijn eenmanszaak in Nederland. De beroepsgrond slaagt daarom niet.
Eiser voert aan dat een onderneming wordt uitgeschreven als een vreemdeling niet meer in Nederland in de Basisregistratie Personen ingeschreven staat. Eiser heeft beschikkingen van de minister van 24 juni 2024, 14 november 2024, 2 december 2025 en
24 februari 2026 overgelegd, waaruit volgens hem blijkt dat de minister de aanvragen afwijst alleen omdat de ondernemingen zijn uitgeschreven.
De rechtbank overweegt als volgt. Uit de door eiser overgelegde beschikkingen blijkt niet dat betrokkenen zijn uitgeschreven omdat zij uit Nederland zijn vertrokken, maar vanwege opheffing van de onderneming. Dat is iets anders. Bovendien heeft eiser een bericht van registratie bij de Kamer van Koophandel overgelegd en blijkt uit het dossier niet dat zijn onderneming is uitgeschreven. Deze grond is dus niet van toepassing op de zaak van eiser. De beroepsgrond slaagt niet.
Hoorplicht
Eiser voert aan dat hij ten onrechte niet is gehoord. Hij doet een beroep op een uitspraak van zittingsplaats Amsterdam van 7 november 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:18426, rechtsoverweging 23.1.
De rechtbank volgt eiser niet in zijn stelling dat de minister de hoorplicht heeft geschonden. De minister heeft zich op het standpunt mogen stellen dat sprake is van een kennelijk ongegrond bezwaar en heeft daarom van het horen in de bezwaarfase mogen afzien. De minister heeft er daarbij terecht op gewezen eiser geen bijzondere feiten en omstandigheden naar voren heeft gebracht. Van een situatie waarin er nog onduidelijkheden bestonden over het te beoordelen feitencomplex en het gehoor uitkomst kon bieden om informatie boven tafel te krijgen, was dus geen sprake. In de bezwaargronden heeft eiser argumenten aangevoerd om te onderbouwen dat de aanvraag ten onrechte is afgewezen omdat het toepassen van het mvv-vereiste in strijd is met de standstill-bepaling. Over die rechtsvraag heeft de minister eiser niet hoeven horen. De beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
13. Het beroep is ongegrond. De minister heeft de aanvraag van eiser om een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd terecht afgewezen. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Voor een proceskostenvergoeding of vergoeding van het griffierecht bestaat bij deze uitkomst geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.M. Dijksterhuis, rechter, in aanwezigheid van
mr. A.C. Hummel, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 23 maart 2026.
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.