Verdeling van de zorg- en opvoedingstaken, alimentatie
Beschikking op het op 22 mei 2025 ingekomen verzoek van:
[de moeder] ,
de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. M. de Boorder te ’s-Gravenhage,
waarin als belanghebbende wordt aangemerkt:
[de vader] ,
de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. E.M. Kooij te Noordwijkerhout.
Procedure
De rechtbank heeft kennis genomen van de stukken waaronder:
- het verweer tegen het zelfstandig verzoek;
- het F9-formulier van de vader van 19 februari 2026, met bijlagen;
- het F9-formulier van de moeder van 20 februari 2026, met bijlagen.
De minderjarigen [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] hebben zich in raadkamer uitgelaten over het verzoek.
Op 2 maart 2026 is de zaak ter zitting van deze rechtbank gevoegd behandeld met de verzoeken van de ouders tot het treffen van voorlopige voorzieningen (zaak- en rekestnummer C/09/694388 / FA RK 25-8487). Hierbij zijn verschenen:
Ter zitting hebben beide partijen hun verzoeken in de voorlopige voorzieningenprocedure ingetrokken.
Verzoek en verweer
De moeder verzoekt:
- vaststelling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken, in die zin dat de kinderen verblijven:
- bij de vader van maandag uit school tot donderdag naar school;
- bij de moeder van donderdag uit school tot maandag naar school;
vakanties:
- de vakanties worden in onderling overleg bij helfte verdeeld;
- met ingang van de datum van indiening van het verzoekschrift de kinderalimentatie op € 991,- per maand te bepalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen, althans op zodanig bedrag en met zodanige datum van ingang als de rechtbank juist acht;
een en ander voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad en kosten rechtens.
De vader voert verweer en verzoekt:
- de onderling overeengekomen verdeling van de zorg- en opvoedingstaken te wijzigen, in die zin dat de kinderen verblijven:
- bij de vader van zondag 17.00 uur tot donderdag naar school;
- bij de moeder van donderdag uit school tot zondag 17.00 uur, waarbij geldt dat als de moeder op zaterdag werkt de kinderen dan bij de vader verblijven;
vakanties en feestdagen:
- bij de moeder op 24 december van 17.00 uur tot 26 december 10.00 uur;
- bij de vader op 26 december van 10.00 uur tot 27 december 10.00 uur
- de overige vakanties en feestdagen worden in onderling overleg bij helfte verdeeld;
- de financiële regeling zoals deze is afgesproken vast te leggen, inhoudende dat de vader alle verblijfsoverstijgende kosten van de kinderen draagt, zonder dat de moeder daarin een bijdrage hoeft te leveren;
een en ander voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad.
Feiten
- [de minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 1] 2013 te [geboorteplaats 1] en
- [de minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 2] 2017 te [geboorteplaats 2] .
Beoordeling
Verdeling van de zorg- en opvoedingstaken
Wettelijk kader
Op grond van artikel 1:253a in samenhang met artikel 1:377e lid 1 Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechtbank op verzoek van de ouders, een beslissing inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (hierna ook: zorgregeling) alsmede een door de ouders onderling getroffen zorgregeling wijzigen op grond dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd, of dat bij het nemen van de beslissing van onvolledige of onjuiste gegevens is uitgegaan.
Ontvankelijkheid
De vader stelt dat sprake is van een onderling overeengekomen zorgregeling, zodat voor de wijziging daarvan noodzakelijk is dat sprake is van gewijzigde omstandigheden. De moeder betwist dat.
Uit de stukken en dat wat op de zitting is besproken, is de rechtbank gebleken dat partijen sinds het uiteengaan van partijen in 2021 lange tijd dezelfde zorgregeling hebben uitgevoerd. Slechts recent is daarin verandering gekomen, omdat de moeder haar werkdagen heeft geruild. Gelet hierop stelt de rechtbank vast dat sprake is van een onderling overeengekomen zorgregeling.
De omstandigheden zijn sindsdien gewijzigd, omdat de werksituatie van de moeder is veranderd. Beide partijen zijn daarom ontvankelijk in hun verzoek tot wijziging van de zorgregeling.
Inhoudelijke beoordeling
De moeder verzoekt een zorgregeling, waarbij de kinderen van maandag uit school tot donderdag naar school bij de vader verblijven en bij de moeder van donderdag uit school tot maandag naar school. De huidige regeling bevat teveel wisselmomenten voor de kinderen. Bij dit voorstel van de moeder worden de wisselmomenten beperkt en is sprake van een gelijkwaardige regeling. Voorheen verbleven de kinderen op zaterdag overdag vaak bij de vader, omdat de moeder dan moest werken. Inmiddels heeft zij haar werkdagen kunnen ruilen, zodat zij nu op de woensdag in plaats van de zaterdag moet werken. Daarom wil zij dat de kinderen in de weekenden bij haar verblijven. De kinderen zouden een of twee keer per maand op de zaterdag bij de vader kunnen verblijven, zodat zij dan iets leuks met hem kunnen doen.
De vader heeft, in afwijking van zijn verzoek, een zorgregeling voorgesteld, waarbij de kinderen in week één van maandag tot donderdag naar school bij de vader verblijven en van donderdag uit school tot maandag naar school (in de daaropvolgende week) bij de moeder, en in week twee van maandag uit school tot woensdag naar school bij de vader, van woensdag uit school tot zaterdag 10.00 uur bij de moeder, en van zaterdag 10.00 uur tot donderdag naar school (in de daaropvolgende week). Hij wil ook graag een volledig weekend met de kinderen kunnen doorbrengen. Daarnaast vindt hij het belangrijk dat de kinderen op de zondagavond bij hem zijn, zodat hij hen kan helpen met hun schoolwerk.
Op de zitting is besproken dat [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] bij de kinderrechter hebben aangegeven dat zij het fijn zouden vinden om met beide ouders een weekend te kunnen doorbrengen. Mede gelet daarop acht de rechtbank het voorstel van de vader passend. De moeder heeft op de zitting echter aangegeven dat zij de kinderen, met name [de minderjarige 1] , op woensdagmiddag niet uit school kan halen, omdat zij tot 18.00 uur werkt. Daarom zal de rechtbank bepalen dat de kinderen in week twee pas vanaf woensdag 18.30 bij de moeder verblijven. Het zorgmoment van de moeder wordt hierdoor ingekort. Om de verdeling van de zorgtaken in evenwicht te brengen, zal de rechtbank bepalen dat de kinderen in beide weken vanaf woensdag 18.30 bij de moeder verblijven.
Op de zitting zijn de ouders overeengekomen dat de vakanties en feestdagen in onderling overleg worden verdeeld en dat de kinderen op tweede kerstdag altijd bij de vader zijn. De rechtbank zal conform deze overeenstemming beslissen, omdat de rechtbank dit in het belang van de kinderen acht.
Het meer of anders verzochte over de zorgregeling zal de rechtbank afwijzen.
Alimentatie
De moeder verzoekt om de vaststelling van kinderalimentatie met ingang van de datum van indiening van het verzoekschrift. Aangezien de onderhoudsverplichting van de vader niet eerder is vastgesteld of onderling is overeengekomen, is de moeder ontvankelijk in dit verzoek.
Bij de berekening van kinderalimentatie is het uitgangspunt dat de ouder bij wie de kinderen het hoofdverblijf hebben de kinderalimentatie ontvangt en daaruit onder meer de verblijfsoverstijgende kosten voldoet. De rechtbank stelt vast dat in onderhavige zaak geen hoofdverblijf van de kinderen is vastgesteld en dat partijen hier ook niet om hebben verzocht. De kinderen staan feitelijk ingeschreven bij de moeder, maar gelet op de zorgregeling is sprake van een co-ouderschap. Dat maakt dat er geen duidelijke hoofdverblijfplaats van de kinderen aan te wijzen is. Uit de stukken en hetgeen op zitting is besproken, is gebleken dat de verblijfsoverstijgende kosten in de afgelopen jaren hoofdzakelijk door de vader zijn voldaan. De rechtbank ziet geen aanleiding om daar verandering in te brengen. Bij de berekening van de door de vader te betalen kinderalimentatie zal de rechtbank daarom uitgaan van de situatie dat de vader de verblijfsoverstijgende kosten voldoet. De rechtbank zal beoordelen of er aanleiding is om daarnaast te bepalen dat de vader aan de moeder een bijdrage levert voor de verblijfskosten bij de moeder.
Ingangsdatum
Om proceseconomische redenen zal de rechtbank eerst de ingangsdatum vaststellen. De rechtbank stelt voorop dat zij op grond van artikel 1:402 van het Burgerlijk Wetboek (BW) een grote mate van vrijheid heeft bij het vaststellen van de ingangsdatum. Drie data liggen het meest voor de hand: de datum van het inleidend (zelfstandig) verzoek, de datum waarop de rechter beslist of de datum waarop de omstandigheden intreden die voor de onderhoudsverplichting bepalend zijn.
De rechtbank zal de kinderalimentatie vaststellen met ingang van de datum waarop de rechter beslist, omdat vaststaat dat de vader tot op heden al bijdraagt in de kosten voor de kinderen, onder andere door het betalen van de verblijfsoverstijgende kosten.
Behoefte
Bij de berekening van de kinderalimentatie wordt eerst gekeken naar wat de kosten van een kind (de behoefte) zijn. De behoefte van [de minderjarige 2] en [de minderjarige 1] is tussen partijen in geschil. De rechtbank zal daarom hierna de behoefte vaststellen.
Voor het bepalen van de behoefte moet allereerst het netto besteedbaar inkomen (NBI) van ieder van partijen tijdens hun samenleving worden bepaald.
Tussen partijen is niet in geschil dat het (geschatte) inkomen van de moeder over 2021 € 12.000,-, inclusief vakantiegeld, bedroeg, zodat de rechtbank dit zal volgen. Op basis van dat loon en rekening houdend met de in de aangehechte berekening opgenomen fiscale heffingskortingen, berekent de rechtbank haar NBI op het moment van de samenleving op € 949,- per maand.
Tussen partijen is niet in geschil dat de gemiddelde winst uit onderneming over 2019 t/m 2021 € 100.530,- bedroeg, zodat de rechtbank dit zal volgen. Op basis van dat inkomen en rekening houdend met de in de aangehechte berekening opgenomen fiscale heffingskortingen, berekent de rechtbank zijn NBI op het moment van de samenleving op € 5.395,- per maand.
Het netto besteedbaar gezinsinkomen (NBGI) van partijen bedroeg in 2021 dus € 6.344,- per maand (€ 949,- + € 5.395,-). Op basis van dit NBGI hadden partijen geen recht op een kindgebonden budget. Op basis van de tabel eigen aandeel kosten van kinderen 2021 en zes kinderbijslagpunten leidt het voorgaande tot een behoefte van € 1.375,- per maand voor [de minderjarige 2] en [de minderjarige 1] . Geïndexeerd naar 2026 bedraagt deze behoefte € 1.714,- per maand.
De rechtbank zal hierna beoordelen in welke verhouding deze behoefte tussen partijen moet worden verdeeld.
Draagkracht moeder
Tussen partijen bestaat discussie over de vraag van welk inkomen aan de zijde van de moeder moet worden uitgegaan. De vader rekent met een verdiencapaciteit van de moeder. Gelet op de huidige zorgregeling kan volgens hem van de moeder worden verwacht dat zij meer gaat werken dan de 24 uur die zij op dit moment werkt. De moeder betwist dat zij meer kan gaan werken.
De rechtbank overweegt dat het redelijk is om aan de kant van de moeder uit te gaan van een verdiencapaciteit van 28 uur per week. Op basis van de huidige zorgregeling kan van de moeder worden verwacht dat zij voor een groter deel in haar eigen inkomsten voorziet, waarbij zij naar het oordeel van de rechtbank in ieder geval een dag per twee weken meer zou kunnen werken, bijvoorbeeld op de zaterdagen dat de kinderen niet bij haar verblijven. Zij heeft onvoldoende onderbouwd dat dit niet mogelijk is. De rechtbank zal daarom de draagkracht van de moeder berekenen op basis van een 28-urige werkweek.
De moeder heeft op de zitting toegelicht dat zij op dit moment een bedrag van € 1.530,- bruto per maand, te vermeerderen met 8% vakantiegeld verdient. Op basis van een 28-urige werkweek is dat een bedrag van € 1.785,- bruto per maand, te vermeerderen met 8% vakantiegeld. Voor de bepaling van de draagkracht van de moeder gaat de rechtbank daarom uit van dit inkomen.
Tussen partijen is niet in geschil dat de moeder het kindgebonden budget zal blijven ontvangen. Het kindgebonden budget moet volgens vaste rechtspraak bij het inkomen van de desbetreffende ouder die het ontvangt, worden opgeteld. De rechtbank berekent het kindgebonden budget aan de hand van bovenstaande inkomensgegevens.
Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten en rekening houdend met in de aangehechte berekening opgenomen heffingskortingen, berekent de rechtbank haar NBI in 2026 op € 2.703,- per maand. De rechtbank verwijst hiervoor naar de aangehechte berekening.
Omdat het NBI van de moeder hoger is dan € 2.200,-, zal de rechtbank voor de berekening van haar draagkracht de formule 70% x [NBI – (0,3 NBI + € 1.365,-)]gebruiken. De draagkracht van de vrouw bedraagt dan: 70% x [€ 2.703,- – (€ 811,- + € 1.365,-)] = € 369,- per maand.
Draagkracht vader
Volgens de moeder moet worden uitgegaan van de winst uit onderneming van de vader over 2024 en niet van de prognose van de vader voor 2026. Deze prognose is immers gebaseerd op door de vader zelf aan zijn accountant verstrekte verwachtingen, zodat een objectieve en verifieerbare onderbouwing van deze aanzienlijke daling ontbreekt.
De vader stelt dat moet worden uitgegaan van een verwachte brutowinst van € 48.000,-, gebaseerd op de door hem overlegde prognose voor 2026. Het jaar 2024 is volgens hem niet representatief, zodat niet van die winst kan worden uitgegaan.
De rechtbank overweegt dat het bij het berekenen van de draagkracht van een ondernemer gebruikelijk is om uit te gaan van de gemiddelde winst over de drie voorafgaande jaren. Uit de door de vader overlegde jaarstukken is naar het oordeel van de rechtbank inderdaad af te leiden dat de winst in 2024 sterk afwijkt naar boven. Uit de conceptjaarstukken van 2025 is af te leiden dat die winst niet blijvend behaald kan worden. Dat wordt ook door de accountant van de vader bevestigd. De rechtbank ziet daarom aanleiding om de winst in het jaar 2024 buiten beschouwing te laten en uit te gaan van het gemiddelde van de winst in de jaren 2022, 2023 en 2025. De jaarstukken van 2025 zijn nog niet definitief, maar de vader heeft verklaard dat niet te verwachten is dat deze nog significant zullen veranderen. De rechtbank ziet geen aanleiding om aan te sluiten bij de prognose voor 2026, omdat deze, zo blijkt uit de verklaring van de accountant, (deels) gebaseerd is op de door de vader geschetste verwachtingen.
Voor de bepaling van de draagkracht van de vader gaat de rechtbank daarom uit van een gemiddelde winst uit onderneming van € 107.719 bruto per jaar.
Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten en rekening houdend met de in de aangehechte berekening opgenomen heffingskortingen, berekent de rechtbank zijn NBI in 2026 op € 5.902,- per maand. De rechtbank verwijst hiervoor naar de aangehechte berekening.
Omdat het NBI van de vader ook hoger is dan € 2.200,-, zal de rechtbank voor de berekening van zijn draagkracht dezelfde formule gebruiken. De draagkracht van de vader bedraagt dan: 70% x [ € 5.902,- – (€ 1.771,- + € 1.365,-)] = € 1.936,- per maand.
Draagkrachtvergelijking
De draagkracht van partijen bedraagt gezamenlijk € 2.305,- per maand (€ 369,- + € 1.936,-). Dit is voldoende om in de behoefte van [de minderjarige 2] en [de minderjarige 1] te voorzien. De rechtbank zal daarom een draagkrachtvergelijking maken waarbij de behoefte naar rato van ieders draagkracht zal worden verdeeld. Hiervoor gebruikt de rechtbank de formule: ieders draagkracht gedeeld door de totale draagkracht vermenigvuldigd met de behoefte.
Het eigen aandeel van de vader bedraagt: 1.936 / 2.305 x 1.714 = € 1.440,-
Het eigen aandeel van de moeder bedraagt: 369 / 2.305 x 1.714 = € 274,-
samen € 1.714,-
Van de totale behoefte van [de minderjarige 2] en [de minderjarige 1] komt een gedeelte van € 1.440,- per maand, wat neerkomt op € 720,- per maand per kind voor rekening van de vader. Een gedeelte van € 274,- per maand, wat neerkomt op € 137,- per maand per kind komt voor rekening van de moeder.
Zorgkorting
Als uitgangspunt geldt dat de alimentatiegerechtigde ouder de verblijfsoverstijgende kosten betaalt. Zoals hierboven al overwogen, neemt de rechtbank echter als uitgangspunt dat de vader de verblijfsoverstijgende kosten blijft betalen. De moeder maakt op de dagen dat de kinderen bij haar verblijven wel kosten voor zaken zoals eten en drinken: de verblijfskosten (ook wel ‘zorgkorting’ genoemd). Gelet op de zorgregeling (co-ouderschap) acht de rechtbank het redelijk om de omvang van de verblijfskosten te stellen op 35% van de behoefte, conform de richtlijn uit het Rapport Alimentatienormen, te weten een bedrag van € 600,- per maand. In dit geval is de moeder echter niet in staat om de verblijfskosten te betalen vanuit haar aandeel, terwijl de vader juist een hele hoge draagkracht heeft.
De moeder komt een bedrag van € 326,- (€ 274,- -/- € 600,-) per maand tekort. De vader is, gelet op zijn draagkracht, in staat om naast zijn aandeel in de kosten van de kinderen bij te dragen in dit tekort. De vader houdt dit bedrag namelijk over aan draagkracht [€ 1.440 -/- € 1.114,- (65% van de behoefte van € 1.714,- per maand) = € 326,-].
Onder deze omstandigheden en gelet op het belang van de kinderen acht de rechtbank het redelijk om de vader een kinderalimentatieverplichting op te leggen van € 163,- per kind per maand, in totaal € 326,- per maand, waarbij de verblijfsoverstijgende kosten door de vader worden betaald.
Conclusie
De rechtbank zal de door de vader aan de moeder te betalen bijdrage in de kosten van de kinderen voor het verblijf bij de moeder met ingang van 30 maart 2026 op een bedrag van € 163,- per kind per maand (in totaal € 326,- per maand) bepalen. De rechtbank zal het verzoek van de moeder tot dit bedrag toewijzen en voor het overige afwijzen.
Proceskosten
Gelet op het feit dat het hier een procedure van familierechtelijke aard betreft, zal de rechtbank de proceskosten compenseren als hierna vermeld.
Beslissing
De rechtbank – met wijziging in zoverre van de onderling overeengekomen verdeling van de zorg- en opvoedingstaken –:
bepaalt dat de minderjarigen:
in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken bij de ouders zullen verblijven:
bepaalt ten aanzien van de vakanties en feestdagen dat deze in onderling overleg bij helfte worden gedeeld, waarbij geldt dat de kinderen op tweede kerstdag altijd bij de vader zijn;
bepaalt dat de vader aan de moeder, met ingang van 30 maart 2026 een bijdrage in de kosten van de kinderen voor het verblijf bij de moeder van € 163,- per maand, per kind zal betalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen, waarbij de verblijfsoverstijgende kosten door de vader worden betaald;
bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af het meer of anders verzochte.