Beschikking op het op 26 januari 2026 ingekomen verzoek van:
[de moeder] ,
de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. H. Devkinandan te Zoetermeer.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:
[de vader] ,
de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres.
Als informant wordt aangemerkt:
Stichting Jeugdbescherming west Haaglanden,
de gecertificeerde instelling.
Procedure
De rechtbank heeft kennis genomen van de stukken waaronder het verzoekschrift;
Op 2 maart 2026 is de zaak ter zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:
De gecertificeerde instelling is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.
Feiten
- [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2019 te [geboorteplaats] ;
- [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2022 te [geboorteplaats] .
- Bij beschikking van deze rechtbank van 7 december 2023 is bepaald dat voortaan aan de vader en de moeder gezamenlijk het gezag zal toekomen over de kinderen en is de volgende door de ouders onderling overeengekomen zorgregeling opgenomen:
- de kinderen verblijven bij de vader:
- in de even weken: van dinsdag 15.00 uur (uit school) tot 20.00 uur en van vrijdag 15.00 uur (uit school) tot zaterdag 14.00 uur;
- in de oneven weken: van dinsdag 15.00 uur (uit school) tot 20.00 uur en van vrijdag 15.00 uur (uit school) tot zondag 19.00 uur;
- waarbij geldt dat de vader de kinderen van school ophaalt en de kinderen terugbrengt naar de woning van de moeder. De moeder brengt de jongste op de afgesproken tijd naar school als neutrale plek voor de overdracht.
- de vakanties en feestdagen worden in overleg, in beginsel bij helfte, verdeeld, waarbij geldt dat de ouders het halen en brengen in overleg regelen.
- Bij beschikking van deze rechtbank van 9 september 2025 zijn de kinderen onder toezicht gesteld van de gecertificeerde instelling tot 9 maart 2026 en is de behandeling van het verzoek voor het overige aangehouden.
Verzoek en verweer
Het verzoekschrift van de moeder strekt ertoe:
- de door de ouders onderling getroffen regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken te wijzigen, in die zin dat:
- de kinderen een weekend in de 14 dagen vanaf vrijdag uit school tot maandag naar school bij de vader verblijven;
een en ander voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad.
De moeder doet haar verzoek tot wijziging van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken steunen op de stelling dat de omstandigheden nadien zijn gewijzigd.
De vader voert verweer, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.
Beoordeling
Wijziging zorgregeling
Wettelijk kader
Op grond van artikel 1:253a in samenhang met artikel 1:377e lid 1 Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechtbank op verzoek van de ouders, een beslissing inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (hierna ook: zorgregeling) alsmede een door de ouders onderling getroffen zorgregeling wijzigen op grond dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd, of dat bij het nemen van de beslissing van onvolledige of onjuiste gegevens is uitgegaan.
Ontvankelijkheid
De rechtbank stelt vast dat sprake is van gewijzigde omstandigheden, zodat de moeder ontvankelijk is in haar verzoek. De relatie tussen partijen is (verder) verstoord geraakt. Hierdoor verlopen de overdrachtsmomenten zeer moeizaam.
Inhoudelijke beoordeling
Uit de stukken en hetgeen op de zitting is besproken, is de rechtbank gebleken dat er veel onenigheid tussen de ouders bestaat. Zij zijn het er wel over eens dat de overdrachtsmomenten beperkt moeten worden. De moeder stelt een weekendregeling voor. Zij vindt dat de vader geen grotere zorgtaak kan hebben, omdat zij zorgen heeft over de opvoedcapaciteiten van de vader, met name dat de vader onvoldoende oog heeft voor de hygiëne en de persoonlijke verzorging van de kinderen. De vader wil juist een grotere rol in het leven van zijn kinderen spelen en wil daarom een week-op-week-af-regeling. Hij uit op zijn beurt zorgen over de keuzes die de moeder maakt, bijvoorbeeld ten aanzien van het schoolverzuim van de kinderen en over zwemles.
De rechtbank overweegt dat de zorgregeling die de moeder verzoekt neerkomt op een beperking van de zorgmomenten van de vader. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de zorgen die de ouders over en weer over elkaar uiten echter niet van dusdanige aard dat dit aan een uitgebreide zorgregeling in de weg moet staan. Bij het vaststellen van een zorgregeling moet daarom voorop staan dat de kinderen een hechte band kunnen opbouwen met beide ouders. Dat betekent dat beide ouders een rol moeten kunnen spelen in het doordeweekse leven van de kinderen, maar ook in het weekend tijd met de kinderen moeten kunnen doorbrengen. De vader heeft nu weliswaar een meer beperkte zorgtaak dan de moeder, maar wel een aanzienlijke zorgtaak. De rechtbank ziet geen aanleiding om een wijziging aan te brengen in de omvang van die zorgtaak, omdat de rechtbank de zorgen van de moeder niet kan onderschrijven. Wel is de rechtbank duidelijk geworden dat een vermindering van de overdrachtsmomenten, gelet op de verstoorde verstandhouding tussen de ouders, in het belang van de kinderen is. Daarnaast is het gelet op de jonge leeftijd van de kinderen, met name [minderjarige 2] , van belang dat zij niet te lang zonder de andere ouder zijn. Op basis van bovengenoemde uitgangspunten zal de rechtbank de zorgregeling voorlopig wijzigen in die zin dat de kinderen de ene week van vrijdag uit school tot dinsdag naar school bij de vader verblijven, en de andere week van maandag uit school tot dinsdag naar school.
De rechtbank kan zich voorstellen dat wordt toegewerkt naar een volledig gelijkwaardige verdeling van de zorgtaken, zoals een week-op-week-af-regeling. Op dit moment heeft de rechtbank echter onvoldoende informatie om een dergelijke regeling vast te stellen, aangezien de gecertificeerde instelling niet is verschenen en de ouders hun zorgen niet hebben onderbouwd met enige stukken. Bovendien is de overgang naar een week-op-week-af-regeling vanuit de huidige situatie mogelijk te groot voor de kinderen. De rechtbank zal daarom een voorlopige zorgregeling vaststellen en een beslissing over de definitieve zorgregeling aanhouden tot 30 september 2026 pro forma. De behandeling van het verzoek zal dan mogelijk gecombineerd plaatsvinden met een procedure rondom de eventuele verlenging van de ondertoezichtstelling.
Vervangende toestemming en afgifte paspoort
Wettelijk kader
Op grond van artikel 1:253a, eerste lid, BW kunnen op verzoek van de ouder(s) geschillen omtrent de gezamenlijke uitoefening van het gezag aan de rechtbank worden voorgelegd. De rechtbank neemt een zodanige beslissing als haar in het belang van het kind wenselijk voorkomt.
Inhoudelijke beoordeling
De vader heeft op de zitting ingestemd met de inschrijving van [minderjarige 2] bij de peuterspeelzaal [speelzaal] en basisschool [school] en de afgifte van het paspoort van [minderjarige 1] aan de moeder, zodat de rechtbank het verzoek van de moeder als onweersproken en op de wet gegrond zal toewijzen.
Beslissing
De rechtbank – met wijziging in zoverre van de onderling getroffen regeling opgenomen in de beschikking van deze rechtbank van 7 december 2023 – :
bepaalt dat de minderjarigen:
voorlopig bij de vader zullen verblijven:
verleent toestemming aan de moeder – welke toestemming die van de vader vervangt – om [minderjarige 2] in te schrijven op de peuterspeelzaal [speelzaal] en de basisschool [school] , beiden aan de [adres] ;
bepaalt dat de vader het paspoort van [minderjarige 1] dient af te geven aan de moeder;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
houdt iedere verdere beslissing ten aanzien van de verdeling van de zorg en opvoedingstaken aan tot 30 september 2026 pro forma.
Deze beschikking is gegeven door mr. A. Emmens, kinderrechter, bijgestaan door mr. M.J.W. Straatsma als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 30 maart 2026.