RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam] , eiser,
de minister van Asiel en Migratie, de minister,
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.22158
geboren op [geboortedatum] ,
van Beninse nationaliteit,
V-nummer: [nummer] ,
(gemachtigde: mr. F. Boone),
en
(gemachtigde: mr. I. van Es).
Procesverloop
1. De minister heeft op 16 april 2026 de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vwopgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet ook worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 1 mei 2026, met behulp van telehoren, op zitting behandeld. Eiser is verschenen op het detentiecentrum in Rotterdam, bijgestaan door zijn gemachtigde. Ook is een tolk verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten.
Overwegingen
2. In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat een risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en hij de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. De minister heeft hieraan ten grondslag gelegd dat eiser:
(zware gronden)3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer;
(lichte gronden)
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
De minister heeft de gronden in de maatregel nader gemotiveerd. Verder heeft de minister overwogen dat een minder dwingende maatregel (een lichter middel) niet doeltreffend kan worden toegepast.
3. Hierna beoordeelt de rechtbank het beroep tegen de maatregel van bewaring. Daarbij bespreekt zij de beroepsgronden en toetst zij de rechtmatigheid van de bewaring ambtshalve.
Voortraject
4. De rechtbank stelt vast dat eiser de procedure voorafgaand aan de inbewaringstelling niet heeft bestreden. De bewaring is niet op die grond onrechtmatig.
Grondslag
5. De rechtbank stelt vast dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft. Eiser heeft op 20 juni 2017 een terugkeerbesluit met een vertrektermijn van 28 dagen opgelegd gekregen. Eiser heeft Nederland sindsdien niet verlaten. Eiser valt daarom onder de in artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw genoemde categorie vreemdelingen. De maatregel is op de juiste grondslag opgelegd.
Gronden
6. De rechtbank stelt vast dat uit de uitspraak van de Afdeling van 25 maart 2020 volgt dat, om de gronden 3a, 3c, 3d en 3i aan de maatregel ten grondslag te kunnen leggen, het voldoende is dat deze gronden feitelijk juist zijn. De rechtbank oordeelt dat de grond 3a feitelijk juist is, omdat eiser in 2016 bij binnenkomst in Nederland niet beschikte over een paspoort of visum. De omstandigheid dat eisers binnenkomst in Nederland al van lange tijd geleden is en hij op dat moment minderjarig was, doet aan de feitelijke juistheid van deze grond niet af. Ook de zware grond 3c is feitelijk juist. Zo heeft eiser op 20 juni 2017 een terugkeerbesluit opgelegd gekregen waaraan hij niet binnen de daarin besloten termijn gevolg heeft gegeven. Verder is zware grond 3d ook feitelijk juist. Eiser heeft geen geldige identiteitsdocumenten overgelegd die de identiteit en nationaliteit van eiser kunnen vaststellen. De minister heeft terecht overwogen dat niet is gebleken dat eiser enige pogingen heeft ondernomen om wel aan de juiste documenten te komen, terwijl die gelegenheid er ruimschoots is geweest. Dat de autoriteiten van Benin in het verleden aan eiser een lp-toezegging hebben gedaan, maakt dat niet anders. Feit blijft dat de persoonsgegevens van eiser niet kunnen worden vastgesteld door middel van een geldig identiteitsdocument en hij zelf niet heeft meegewerkt hieraan te komen. Over de lichte gronden 4a, 4c en 4d oordeelt de rechtbank dat ook deze terecht aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd. Zo is eiser niet in het bezit van een paspoort en heeft hij zich niet gehouden aan zijn vertrekplicht (4a). Ook staat eiser niet ingeschreven in de BRP (4c) en beschikt hij niet over eigen voldoende (zelfstandige) middelen van bestaan (4d). Daarbij heeft de minister het onttrekkingsrisico gemotiveerd.
Naar het oordeel van de rechtbank zijn de hiervoor besproken zware en lichte gronden, in samenhang gezien en gelet op de motivering in de maatregel, voldoende om de maatregel van bewaring te kunnen dragen. Ook bestaat voldoende grond voor het standpunt van de minister dat er een risico op onttrekking bestaat en dat eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. De rechtbank laat de beoordeling van de rechtmatigheid van de zware grond 3i daarom onbesproken.
Lichter middel
7. De rechtbank is van oordeel dat de minister terecht geen aanleiding heeft gezien om aan eiser een lichter middel dan de maatregel van bewaring op te leggen. In dit kader acht de rechtbank van belang dat, zoals hiervoor is overwogen, de gronden de maatregel kunnen dragen en dat hiermee het risico op onttrekking is gegeven. In aanvulling hierop acht de rechtbank van belang dat eerder een lichter middel aan eiser is opgelegd, namelijk verblijf op de VBL vanaf april 2025. Deze vrijheidsbeperkende maatregel heeft echter niet tot terugkeer naar Benin geleid. Daarnaast stelt de rechtbank vast dat een eerdere poging om, met behulp van IOM, terug te keren naar Benin in februari 2025 is mislukt. Uit het BMA-advies volgt verder dat er aan een aantal voorwaarden moet worden voldaan voor een overdracht. De minister heeft op de zitting toegelicht dat aan deze voorwaarden zal worden voldaan en dit eenvoudiger te realiseren is vanuit bewaring. Dit afgezet tegen het feit dat een eerder lichter middel niet tot uitzetting heeft geleid en eiser geen daadwerkelijke actie meer heeft ondernomen om de terugkeer naar Benin te bespoedigen maakt dat de rechtbank van oordeel is dat de minister niet heeft hoeven volstaan met het opleggen van een lichter middel.
Ook de psychische gesteldheid van eiser maakt naar het oordeel van de rechtbank niet dat een lichter middel is aangewezen. Zo is op de zitting gebleken dat eiser onder behandeling staat van een psychiater en in het detentiecentrum op een extra zorgafdeling is geplaatst. Voor zover eiser meent dat hij detentieongeschikt is, oordeelt de rechtbank als volgt. Van detentieongeschiktheid is pas sprake als vaststaat dat de in detentie beschikbare medische zorg in het geval van de vreemdeling niet toereikend is. Ook kan sprake zijn van detentieongeschiktheid als is aangetoond dat de vreemdeling niet in staat is de inbewaringstelling op verantwoorde wijze te ondergaan of wanneer zijn psychische omstandigheden in detentie door gebrek aan medische zorg verslechteren. De rechtbank stelt vast dat eiser niet met stukken heeft aangetoond dat van (één van) die omstandigheden in zijn geval sprake is.
Voortvarendheid
8. De rechtbank stelt vast dat op 20 april 2026 een vertrekgesprek met eiser heeft plaatsgevonden. Daarnaast heeft de minister op de eerste dag van de inbewaringstelling een vlucht aangevraagd. De op 13 mei 2026 geplande vlucht is echter door de vliegmaatschappij geannuleerd. Daaropvolgend heeft de minister opnieuw een vlucht aangevraagd. Deze staat gepland 27 mei 2026. Daarmee heeft de minister voldoende voortvarend gehandeld.
Zicht op uitzetting
9. De inbewaringstelling is in strijd met artikel 59, van de Vw en het Unierecht indien zicht op uitzetting ontbreekt. Voor dat oordeel ziet de rechtbank geen aanleiding. De rechtbank stelt hierbij allereerst voorop dat zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn naar Benin in het algemeen niet ontbreekt. Ook de hiervoor onder 8. genoemde vluchtdatum geeft aanleiding voor het oordeel dat er zicht op uitzetting is.
Het arrest Adrar
10. Eiser voert aan dat een goed gemotiveerde belangenafweging in het kader van non-refoulement ontbreekt.
De rechtbank overweegt dat uit het pv van gehoor van 16 april 2026 blijkt dat eiser op de vraag hoe hij tegenover terugkeer naar Benin staat heeft verklaard dat hij klaar is om terug te gaan. De minister heeft in de maatregel opgenomen dat niet is gebleken dat vanwege het beginsel van non-refoulement, zoals genoemd in artikel 5 van de Tri, dan wel wegens andere daarin genoemde belangen moet worden afgezien van de uitzetting van eiser. De rechtbank merkt daarbij op dat hoewel niet uitdrukkelijk in de maatregel is gemotiveerd dat er geen zwaarwegende en op feiten berustende gronden bestaan om aan te nemen dat eiser in het land van bestemming een reëel risico loopt op de door artikel 4 en artikel 19, tweede lid, van het EU Handvest verboden behandelingen, op grond van de bewoordingen van de motivering, kan worden aangenomen dat deze beoordeling hierin besloten ligt en op deze wijze voldoende kenbaar is. De enkele stelling van eiser dat de veiligheidssituatie in Benin is verslechterd maakt dat oordeel niet anders, omdat een onderbouwing met landeninformatie ontbreekt.
11. De rechtbank stelt tot slot vast dat eiser niet eerder in vreemdelingenbewaring heeft gezeten en in totaal niet langer dan zes maanden in bewaring zit.
Conclusie
12. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. V.A.G. van Dijk , rechter, in aanwezigheid van R. de Boer, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.