Gezag en omgang c.q. verdeling van de zorg- en opvoedingstaken
Beschikking op het op 20 maart 2025 ingekomen verzoek van:
[de vader] ,
de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. M.C.G. Voogt in Breda.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:
[de moeder] ,
de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. J.M.F. Honders in Rotterdam.
Procedure
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken waaronder:
De minderjarigen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben in een gesprek met de kinderrechter hun mening kenbaar gemaakt.
Op 3 maart is de zaak op zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de vader met zijn advocaat, de moeder met haar advocaat en [naam] namens de Raad voor de Kinderbescherming.
Feiten
- [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2011 te [geboorteplaats] ;
- [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2014 te [geboorteplaats] .
Verzoek en verweer
De vader verzoekt:
- Een zorgregeling (c.q. omgangsregeling) vast te stellen tussen de vader en de kinderen, waarbij de kinderen:
- om de week van vrijdagavond 19.00 uur tot zondagavond 19.00 uur (na het avondeten) bij de vader verblijven, waarbij de kinderen bij de vader verblijven in het weekend waarin de partner van de vader haar kind bij zich heeft en waarbij de vader het halen en brengen van de kinderen voor zijn rekening neemt;
- waarbij de vakanties en feestdagen in onderling overleg verdeeld worden met inachtneming van het bepaalde in randnummer 17;
voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad en kosten rechtens.
De moeder voert verweer, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken, en verzoekt zelfstandig indien enig contact wordt overwogen, dit slechts onder deskundige
begeleiding toe te staan en pas nadat een raadsonderzoek of ander nader onderzoek zal hebben uitgewezen dat contact met de man in hun belang is.
Beoordeling
Gezag
Wettelijk kader
Artikel 1:253c, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek, bepaalt dat de tot het gezag bevoegde ouder van het kind, die nimmer het gezag gezamenlijk met de moeder uit wie het kind is geboren heeft uitgeoefend, de rechtbank kan verzoeken de ouders met het gezamenlijk gezag te belasten. Het verzoek wordt volgens het tweede lid van dit artikel slechts afgewezen indien er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of indien afwijzing anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.
De vader stelt zich op het standpunt dat er geen redenen zijn die aan het gezamenlijk gezag in de weg staan. De vader heeft altijd een goede band gehad met [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . De verwijten aan zijn adres zijn in zijn ogen vooral pogingen van de moeder om de vader in een kwaad daglicht te stellen.
De moeder daarentegen stelt zich op het standpunt dat gezamenlijk gezag niet in het belang van de kinderen is. Er is al geruime tijd geen contact tussen de kinderen en hun vader en de vader heeft dus geen idee wat zich op dit moment in het leven van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] afspeelt. Bovendien zijn er ernstige zorgen over het gedrag van de man in het verleden en nu.
Voor het uitoefenen van gezamenlijk gezag is ten minste nodig dat de ouders daadwerkelijk in staat zijn om met elkaar te communiceren over zaken die de kinderen aangaan en dat zij beslissingen van enig belang over de kinderen in gezamenlijk overleg kunnen nemen. De rechtbank acht de ouders daartoe niet in staat. Er is al jaren geen enkele vorm van communicatie tussen de ouders en de spanning tussen beiden is nog altijd hoog. De vader heeft daarnaast al geruime tijd geen contact gehad met de kinderen. Hij is hierdoor niet op de hoogte van wat er in het leven van de kinderen speelt en kan niet in staat worden geacht om in hun belang beslissingen over hen te nemen. De rechtbank acht het niet in het belang van de kinderen als de vader mede met het gezag over hen wordt belast en zal het verzoek van de vader dan ook afwijzen.
Omgang
Nu de rechtbank het verzoek van de vader om hem mede met het gezag over de kinderen te belasten zal afwijzen, wordt in het vervolg gesproken over de omgang.
Wettelijk kader
Op grond van artikel 1:377a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) heeft een kind recht op omgang met zijn ouders en met degene die in een nauwe persoonlijke betrekking tot hem staat. De niet met het gezag belaste ouder heeft het recht op en de verplichting tot omgang met zijn kind. Lid 3 van dit artikel bepaalt (voor zover hier van belang) dat omgang slechts wordt ontzegd indien omgang ernstig nadeel zou opleveren voor de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van het kind, de ouder kennelijk ongeschikt of kennelijk niet in staat moet worden geacht tot omgang of omgang anderszins in strijd is met zwaarwegende belangen van het kind.
De vader stelt zich op het standpunt dat hij altijd een betrokken vader is geweest en dat er geen redenen zijn waardoor er geen omgang tussen hem en de kinderen kan zijn.
De moeder stelt zich op het standpunt dat er in het verleden wel omgang is geweest maar dat dit niet goed ging. Inmiddels hebben de kinderen een zeer sterke weerstand tegen contact met hun vader. Om die reden is het niet in hun belang als er nu een omgangsregeling zou komen.
Uit de stukken en dat wat op zitting is besproken is het de rechtbank gebleken dat de ouders uiteenlopende lezingen hebben over wat er in het verleden is gebeurd en maken zij elkaar in dit verband over en weer verwijten. De rechtbank kan niet vaststellen wat er nu wel en niet is gebeurd, maar de rechtbank kan er niet omheen dat de kinderen grote weestand ervaren rondom omgang met de vader. In het gesprek met de kinderrechter hebben zij dit onomwonden aangegeven en ook uitgelegd waar die weerstand vandaan komt. Zo hebben zij aangegeven dat zij nachtmerries hebben bij enkel de gedachte aan de mogelijkheid dat er contact met de vader gaat zijn en dat zij zich niet veilig voelen bij hun vader. De rechtbank voorziet tegen deze achtergrond dat als zij de kinderen verplicht tot omgang met de vader, dit zoveel teweegbrengt bij de kinderen dat zij daar veel last van zullen ondervinden, met alle gevolgen van dien. Onder die omstandigheden acht de rechtbank het niet in het belang van de kinderen dat er omgang is met de vader. De rechtbank begrijpt dat dit voor de vader een enorme teleurstelling moet zijn en dat hij het gevoel zal hebben dat zijn rol als vader in het leven van de kinderen hiermee lijkt te zijn uitgespeeld, zonder dat hij de kans heeft gekregen om te laten zien dat hij wel een goede vader voor de kinderen is. De rechtbank benadrukt dat zij deze beslissing neemt in het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . De rechtbank gunt het beide jongens om nu zoveel mogelijk rust te krijgen Wellicht leidt dat ertoe dat in de toekomst ruimte ontstaat voor contact met hun vader. De rechtbank heeft namelijk ook een vader gezien die van goede wil is en graag de kans wil krijgen om te laten zien dat hij weldegelijk een goede vader is. De rechtbank overweegt dat het in deze situatie wellicht nodig is dat de kinderen iets ouder zijn waardoor zij, nog meer dan zij nu kunnen, een beeld kunnen vormen over de ontstane situatie. De kinderen nu verplichten om omgang te hebben met de vader, is gezien de grote weerstand echter niet in hun belang. De rechtbank zal het verzoek van vader om een omgangsregeling vast te stellen dan ook afwijzen.
Proceskosten
Nu het een familierechtelijke kwestie betreft, ziet de rechtbank aanleiding de proceskosten tussen de ouders te compenseren, in die zin dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.
Beslissing
De rechtbank:
*
wijst de verzoeken af;
*
bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.
Deze beschikking is gegeven door mr. A.P de Klerk, kinderrechter, bijgestaan door mr. C.A.E. de Koning als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 1 april 2026.