[eiser], v-nummer: [nummer], eiser
(gemachtigde: mr. R.P.M. Ngasirin),
en
de minister van Asiel en Migratie
(gemachtigde: mr. R.A. Mandersloot).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 3 maart 2026 niet in behandeling genomen, omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
De rechtbank heeft het beroep, samen met het verzoek om voorlopige voorziening met zaaknummer NL26.11934, op 28 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van de minister deelgenomen. Eiser en zijn gemachtigde hebben zich afgemeld voor de zitting.
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die eiser heeft aangevoerd, de beroepsgronden.
3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. De minister mocht voor Duitsland uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel en hoefde eisers asielaanvraag niet in behandeling te nemen op grond van artikel 17 van de Dublinverordening. Het is verder niet aan de rechtbank om in dit geding het risico op refoulement in Duitsland te onderzoeken omdat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat er sprake is van systeemfouten in de asielprocedure of de opvangvoorzieningen. Dat betekent dat de minister eisers asielaanvraag terecht niet in behandeling heeft genomen. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Totstandkoming van het besluit
4. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening. Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. In dit geval heeft Nederland bij Duitsland een verzoek om terugname gedaan. Duitsland heeft dit verzoek aanvaard.
Mag de minister voor Duitsland uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel?
5. Eiser betoogt dat de minister voor Duitsland ten onrechte uitgaat van het interstatelijk vertrouwensbeginsel, omdat Duitsland zich niet aan de Opvangrichtlijn houdt. De faciliteiten die in Duitsland in opvangcentra worden aangeboden voldoen vaak niet aan de basisbehoeften en er is een gebrek aan privacy. Er is sprake van overbevolking, conflicten tussen asielzoekers, onhygiënische faciliteiten en er zijn steeds meer raciaal gemotiveerde aanvallen op asielzoekers en vluchtelingen. Eiser wijst hierbij op meerdere rapporten van Asylum Information Database (AIDA). Bovendien heeft eiser in Duitsland geen recht op gratis rechtsbijstand. Dit is in strijd met de Procedurerichtlijn. Weliswaar kunnen lidstaten bepalen dat kosteloze rechtsbijstand en vertegenwoordiging niet worden aangeboden wanneer een beroep geen reële kans van slagen heeft, maar in eisers geval kan niet op voorhand worden uitgesloten dat zijn beroep kans van slagen zal hebben.
De beroepsgrond slaagt niet. De minister stelt zich terecht op het standpunt dat ten aanzien van Duitsland nog steeds kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Hij verwijst daarbij terecht naar de rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) op dit punt. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij een reëel risico loopt op een slechte behandeling in Duitsland. Hoewel in de rapporten die eiser aanhaalt enige kritiek wordt gegeven op de opvang in Duitsland, blijkt hieruit niet dat er in Duitsland sprake is van structurele tekortkomingen in de asielprocedure of opvangvoorzieningen. De Afdeling heeft ook na de rapporten bevestigd dat voor Duitsland nog steeds kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De minister wijst er verder terecht op dat uit het AIDA-rapport van 2025 geen wezenlijk ander beeld volgt dan de eerdere rapporten die door de Afdeling zijn beoordeeld. Ook stelt de minister zich terecht op het standpunt dat uit het meest recente AIDA rapport blijkt dat er geen meldingen zijn dat Dublinterugkeerders moeilijkheden ondervinden na een terugkeer aan Duisland. Eiser is niet eerder als Dublinclaimant overgedragen aan Duitsland. Hier komt bij dat Duitsland met het claimakkoord heeft toegezegd eiser te zullen terugnemen en hem te behandelen in overeenstemming met de op Duitsland rustende internationale verplichtingen. Als eiser van mening is dat Duitsland zich niet houdt aan de Procedurerichtlijn of als hij andere problemen ondervindt in Duitsland, kan hij een klacht indienen bij de Duitse autoriteiten. Niet is gebleken dat zij eiser niet kunnen of willen helpen.
Had de minister eisers asielaanvraag in behandeling moeten nemen op grond van artikel 17 van de Dublinverordening?
6. Eiser betoogt dat alles wat hij aanvoert in het kader van het interstatelijk vertrouwensbeginsel maakt dat er sprake is van bijzondere individuele omstandigheden die maken dat de minister zijn aanvraag op grond van artikel 17 van de Dublinverordening in behandeling had moeten nemen.
De beroepsgrond slaagt niet. Eiser doet een beroep op de omstandigheden die hij al heeft genoemd in het kader van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Uit de rechtspraak van de Afdeling volgt dat die omstandigheden niet nogmaals beoordeeld hoeven te worden in het kader van het beroep op artikel 17 van de Dublinverordening. Ook heeft minister mogen vinden dat eisers enkele, niet onderbouwde stelling dat er sprake is van bijzondere individuele omstandigheden, onvoldoende is om zijn asielaanvraag om die reden onverplicht in behandeling te nemen.
Beoordeelt de rechtbank of eiser in Duitsland risico loopt op (indirect) refoulement?
7. Eiser betoogt dat terugzending naar Duitsland zal leiden tot indirect refoulement. Eisers asielaanvraag is in Duitsland afgewezen, waardoor de kans groter wordt dat hij bij terugkeer naar Duitsland teruggestuurd zal worden naar Togo. Hij heeft als militair gediend onder de regering van de vorige president en de huidige regering in Togo staat vijandig ten opzichte van de vorige president en zijn veiligheidstroepen. Eiser vreest voor de Togolese autoriteiten.
De beroepsgrond slaagt niet. Omdat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van systeemfouten in de asielprocedure of de opvangvoorzieningen is het niet aan deze rechtbank om in het kader van een Dublinoverdracht het risico op refoulement in Duitsland verder te onderzoeken. Met het claimakkoord garanderen de Duitse autoriteiten dat eiser de mogelijkheid krijgt om daar een nieuw asielverzoek in te dienen. Er zal een individuele beoordeling plaatsvinden, met inbegrip van het eventuele risico dat eiser loopt bij terugkeer naar zijn land van herkomst. Als eiser voor refoulement vreest, dient hij deze vrees in Duitsland aan te kaarten.
Conclusie en gevolgen
8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de minister eisers asielaanvraag terecht niet in behandeling heeft genomen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. W.P.C.G. Derksen, rechter, in aanwezigheid van mr. T.M.T. Brandsma, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.