RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser
de minister van Asiel en Migratie, de minister
Samenvatting
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.20141
(gemachtigde: mr. P.G.M. Lodder),
en
(gemachtigde: mr. A. Stojanovic).
Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiser om afgifte van een verblijfsdocument EU/EER. Eiser is het niet eens met de afwijzing van zijn aanvraag. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of de minister de aanvraag heeft mogen afwijzen.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister de aanvraag van eiser heeft mogen afwijzen. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
Eiser heeft op 17 maart 2023 een aanvraag tot afgifte van een verblijfsdocument EU/EER ingediend. Met een besluit van 28 november 2023 (het primaire besluit) heeft de minister deze aanvraag afgewezen. Met een besluit van 16 april 2025 (het bestreden besluit) is de minister bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld en heeft daarbij verzocht om een voorlopige voorziening te treffen die ertoe strekt de uitzetting te verbieden totdat op het beroep is beslist. Dit verzoek staat geregistreerd onder zaaknummer NL25.20142. Hierop wordt bij afzonderlijke uitspraak beslist.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het beroep behandeld op de zitting van 26 januari 2026. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.
Wat aan deze procedure voorafging
Eiser is op [geboortedatum 1] 1980 geboren in Marokko. Hij stond sinds 9 januari 1996 in Nederland in de basisregistratie personen (BRP) ingeschreven, maar het is onbekend op welke dag hij Nederland is binnengekomen. Eiser heeft tussen 18 januari 1996 en
27 juli 2001 een verblijfsvergunning op grond van ‘gezinshereniging bij ouder’ gehad. Op 27 juli 2001 is deze vergunning omgezet naar een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd. Dit verblijfsrecht is op 18 oktober 2001 ingetrokken, omdat eiser meermaals was veroordeeld voor verschillende misdrijven. Hij is toen ook ongewenst verklaard. Deze ongewenstverklaring is per 2012 opgeheven. Eiser is in 2001 naar België vertrokken en hij heeft daar een verblijfsrecht gehad tot 2017. Op 22 oktober 2021 is aan eiser een terugkeerbesluit en een inreisverbod voor de duur van twee jaar opgelegd. Op
29 november 2022 is eiser onherroepelijk veroordeeld voor vijf maanden gevangenisstraf, waarvan twee maanden voorwaardelijk. Deze gevangenisstraf is ten uitvoer gelegd tussen 29 november 2022 en 24 februari 2023. Hierna is eiser in bewaring gesteld door de vreemdelingenpolitie. Eiser is hiertegen in beroep gegaan, maar dit beroep is op
15 maart 2023 ongegrond verklaard.
Eiser heeft op 17 maart 2023 een aanvraag gedaan om afgifte van een verblijfsdocument EU/EER. De opgelegde inbewaringstelling is op 24 maart 2023 opgeheven, omdat eiser door zijn aanvraag procedureel verblijfsrecht heeft.
De minister heeft de aanvraag van eiser met het primaire besluit afgewezen en met het bestreden besluit gehandhaafd. Eiser heeft een beroep gedaan op het arrest Chavez-Vilchez waarmee hij verblijf bij zijn minderjarige dochter [minderjarige] (geboren op [geboortedatum 2] 2014, hierna: [minderjarige] ) heeft aangevraagd, maar hij voldoet niet aan alle voorwaarden die daaraan worden gesteld volgens de minister. In de bezwaarfase heeft eiser met een geboorteakte aangetoond dat hij de ouder is van [minderjarige] en daarmee voldoet hij wel aan voorwaarde b van paragraaf B10/2.2 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc, zoals luidend ten tijde van het bestreden besluit), maar hij heeft niet aangetoond dat hij meer dan marginale zorg- en opvoedingstaken voor [minderjarige] verricht (voorwaarde c). Hoewel eiser stelt dat hij met [minderjarige] samenwoont, is dit niet aangetoond of gebleken. Verder heeft eiser (nog steeds) niet het gezag over [minderjarige] en is er geen omgangsregeling of ouderschapsplan opgesteld waar door eiser invulling aan zou worden gegeven. In de bezwaarfase zijn nog steeds onvoldoende objectieve en verifieerbare bewijsstukken overgelegd, waaruit blijkt dat eiser zorg- en opvoedingstaken voor [minderjarige] verricht. Daarnaast heeft eiser onvoldoende aangetoond dat [minderjarige] zo afhankelijk van hem is dat zij het grondgebied van de EU zou moeten verlaten als aan eiser een verblijfsrecht wordt geweigerd (voorwaarde d). Omdat eiser niet heeft aangetoond dat hij daadwerkelijk zorg- en opvoedingstaken voor [minderjarige] verricht, kan al geen sprake zijn van de hier bedoelde afhankelijkheidsverhouding. Verder heeft eiser niet met bewijsstukken onderbouwd dat [minderjarige] in haar lichamelijke en emotionele ontwikkeling wordt bedreigd als eiser zijn zorgtaak op grotere afstand blijft vervullen of dat de aanwezigheid van eiser vereist is voor [minderjarige] . Eiser ontleent daarom volgens de minister geen verblijfsrecht aan het arrest Chavez-Vilchez.
Eiser heeft ook nog een meerderjarige dochter, [jongmeerderjarige] (geboren op [geboortedatum 3] 2004, hierna: [jongmeerderjarige] ). Eiser heeft volgens de minister niet aangetoond dat er een zodanige afhankelijkheid is tussen [jongmeerderjarige] en hem dat zij op geen enkele manier van eiser gescheiden kan worden. Eiser maakt daarom ook geen aanspraak op een verblijfsvergunning op grond van artikel 20 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU), zoals uitgelegd in het arrest K.A. van het HvJEU.
Omdat eiser met de in de bezwaarfase overgelegde geboorteaktes van zijn kinderen heeft aangetoond dat wel sprake van gezinsleven is, moet de minister in de belangenafweging de ‘guiding principles’ uit de arresten van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) inzake Boultif en Üner meenemen in de beoordeling of het niet verlenen van verblijfsrecht aan eiser in strijd is met artikel 8 van het EVRM. De minister is tot de conclusie gekomen dat de afweging tussen het belang van eiser en het belang van de openbare orde alsnog in het nadeel van eiser uitvalt. Verder is de afwijzing van de aanvraag niet in strijd met het recht op respect van het privéleven als bedoeld in artikel 8 van het EVRM. De minister heeft de belangen van [minderjarige] ook meegewogen in de belangenafweging, maar alsnog is de belangenafweging in het nadeel van eiser uitgevallen. Eiser krijgt daarom geen verblijfsdocument EU/EER.
Beoordeling door de rechtbank
Procesbelang
4. De rechtbank ziet zich ambtshalve voor de vraag gesteld of eiser procesbelang heeft bij het door hem ingestelde beroep en zijn verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening. Eiser was niet aanwezig bij de behandeling van zijn beroep en verzoek ter zitting en bij aanvang van de zitting heeft de gemachtigde van eiser desgevraagd aangegeven dat hij kort na het instellen van het beroep en het doen van het verzoek om een voorlopige voorziening geen contact meer heeft gehad met eiser. Hieruit blijkt echter niet evident dat eiser geen procesbelang meer heeft bij de beoordeling van zijn beroep en verzoek om een voorlopige voorziening. De rechtbank gaat daarom over tot een inhoudelijke bespreking van de beroepsgronden.
Toetsingskader
Om te kunnen vaststellen of er rechtmatig verblijf is op grond van het arrest Chavez-Vilchez is het volgende kader van belang. Het is vaste rechtspraak van het HvJEU dat er zeer bijzondere situaties bestaan waarin aan een onderdaan van een derde land die familielid is van een burger van de Unie, een verblijfsrecht moet worden toegekend, omdat anders aan het Unieburgerschap de nuttige werking zou worden ontnomen indien, als gevolg van de weigering om een dergelijk recht te verlenen, deze burger feitelijk verplicht is het grondgebied van de gehele Unie te verlaten en hem zo het effectieve genot van de essentie van de aan die status ontleende rechten zou worden ontzegd. Eén zo'n zeer bijzondere situatie is de situatie dat tussen een familielid dat derdelander is en het desbetreffende kind dat Unieburger is een daadwerkelijke afhankelijkheidsverhouding bestaat. Als verzorgende ouder van een Nederlands minderjarig kind kan een vreemdeling dus rechtmatig verblijf hebben in Nederland. In paragraaf B10/2.5.1 van de Vc, zoals luidend ten tijde van het bestreden besluit, is uitgewerkt aan welke voorwaarden moet zijn voldaan.
De derdelands ouder heeft rechtmatig verblijf als hij:
zijn identiteit en nationaliteit aannemelijk heeft gemaakt met een geldig paspoort of geldige identiteitskaart, of met andere bewijsmiddelen als hij geen geldig paspoort of geldige identiteitskaart kan overleggen;
een minderjarig, Nederlands kind heeft;
daadwerkelijk voor het kind zorgt; en
er een zodanige afhankelijkheid tussen hem en het kind bestaat dat het kind gedwongen zou zijn het grondgebied van de Unie te verlaten als aan de derdelander ouder een verblijfsrecht wordt geweigerd.
In de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 22 juli 2025 is geoordeeld over de vraag of bovengenoemde vereisten uit de Vc cumulatief zijn. De Afdeling komt tot de conclusie dat deze voorwaarden niet cumulatief zijn en dat het standpunt dat voor het verkrijgen van een afgeleid verblijfsrecht op grond van artikel 20 van het VWEU, naast het bestaan van een afhankelijkheidsverhouding, ook moet zijn voldaan aan het vereiste dat de vreemdeling meer dan marginale zorg- en/of opvoedingstaken verricht, onjuist is. Naar vaste rechtspraak van het HvJEU is het namelijk de afhankelijkheidsverhouding tussen een minderjarige burger van de Unie en de onderdaan van het derde land aan wie een verblijfsrecht wordt geweigerd, die het nuttig effect van het burgerschap van de Unie in het geding kan brengen, aangezien die afhankelijkheid ertoe kan leiden dat de burger van de Unie als gevolg van die weigering gedwongen zal zijn niet alleen het grondgebied van de lidstaat waarvan hij de onderdaan is, maar eveneens het grondgebied van de Unie als geheel te verlaten. De afhankelijkheidsverhouding (voorwaarde d) vormt dus de grondslag voor het ontstaan van een afgeleid verblijfsrecht. Dat neemt enerzijds echter niet weg dat een afhankelijkheidsverhouding doorgaans niet voorstelbaar is als een vreemdeling niet meer dan marginale zorg- en/of opvoedingstaken verricht (voorwaarde c). Anderzijds is het verrichten van meer dan marginale zorg- en/of opvoedingstaken niet zonder meer voldoende voor het doen ontstaan van een afhankelijkheidsverhouding. Sinds deze uitspraak van de Afdeling van 22 juli 2025 hanteert de minister nieuwe criteria bij de beoordeling of een vreemdeling in aanmerking komt voor een Chavez-verblijfsrecht.
De rechtbank ziet in het wijzigen van het toetsingskader na de uitspraak van de Afdeling van 22 juli 2025 geen reden om het bestreden besluit te vernietigen. In het bestreden besluit heeft de minister de voorwaarden niet cumulatief getoetst, maar doorgetoetst of er ondanks het gebrek aan meer dan marginale zorg- en opvoedingstaken sprake is van een afhankelijkheidsrelatie.
Zorg- en opvoedingstaken, samenwoning en afhankelijkheidsrelatie
Zorg- en opvoedingstaken
Eiser voert aan dat uit de door hem overlegde stukken in onderlinge samenhang bezien, blijkt dat hij meer dan marginale zorg- en opvoedingstaken voor [minderjarige] verricht. De minister heeft zich naar het oordeel van de rechtbank op het standpunt mogen stellen dat eiser onvoldoende objectieve bewijsstukken heeft overgelegd ter onderbouwing van deze stelling. De rechtbank kan het standpunt van de minister volgen dat uit de overgelegde verklaring van de reddingsbrigade [plaats] van 24 mei 2024 – waarin staat dat eiser [minderjarige] anderhalf jaar lang naar zwemles heeft gebracht en gehaald – niet afdoende blijkt dat eiser structureel betrokken is geweest in het leven van [minderjarige] en daadwerkelijk zorg- en opvoedingstaken heeft uitgeoefend. Ook kan de rechtbank volgen dat de minister de e-mail van de danscoördinator van [minderjarige] van 20 januari 2024 – waarin staat dat de dansdocent zich herinnert dat [minderjarige] gek was op haar vader en dat hij haar ook heeft opgehaald, maar dat ze niet meer weet hoe vaak dat was, omdat dat te lang geleden is – onvoldoende geconcretiseerd vindt. Uit de e-mail blijkt namelijk niet vanaf welk moment en hoe vaak eiser [minderjarige] heeft opgehaald bij dansles. Bovendien staat in de e-mail dat het lang geleden is dat [minderjarige] naar dansles ging. De beroepsgrond slaagt niet.
Eiser voert aan dat de minister de verklaring van de moeder van [minderjarige] van
13 november 2024 verkeerd heeft uitgelegd. Het woord “ook” in de zinssnede “In haar vroege jeugd heeft hij ook verzorgingstaken op zich genomen (…)” (onderlijning door de rechtbank) impliceert volgens eiser dat hij deze verzorgingstaken nog steeds op zich neemt. Volgens de minister impliceert het dat eiser deze taken na de vroege jeugd van [minderjarige] niet meer op zich nam. De rechtbank overweegt als volgt. Eiser heeft in de bezwaarfase een verklaring van de moeder van [minderjarige] van 20 maart 2023 overgelegd. Tijdens de hoorzitting op 23 oktober 2024 heeft de minister eiser erop gewezen dat hij een verklaring van de moeder van [minderjarige] kan overleggen die wat uitgebreider en concreter beschrijft welke zorg- en opvoedingstaken eiser feitelijk voor [minderjarige] verricht. Eiser heeft vervolgens de verklaring van 13 november 2024 overgelegd, maar de rechtbank is van oordeel dat uit deze verklaring nog steeds niet blijkt welke taken eiser nu feitelijk verricht voor [minderjarige] . De rechtbank volgt het standpunt van de minister in het bestreden besluit dat de verklaring van de moeder van [minderjarige] dat eiser bijna altijd in de nabijheid van [minderjarige] is of dat hij leuke activiteiten met [minderjarige] onderneemt, nog niet maakt dat eiser meer dan marginale zorg- en opvoedingstaken verricht voor [minderjarige] . Ook betreft het alleen een subjectieve verklaring van de moeder van [minderjarige] en is hetgeen is verklaard niet met objectieve bewijsstukken onderbouwd. Hierbij is meegewogen dat de moeder van [minderjarige] haar primaire verzorger is en eenhoofdig gezag heeft over [minderjarige] . Hieruit blijkt dat het belangrijkste deel van de zorg- en opvoedingstaken bij haar moeder ligt. De beroepsgrond slaagt niet.
Samenwoning
Eiser voert aan dat hij al vanaf de geboorte van [minderjarige] met haar op het adres [adres] in [plaats] woont, maar dat hij zich daar niet kan inschrijven vanwege de toeslagen die de moeder van zijn kinderen ontvangt. Eiser stelt dat hij heeft onderbouwd dat hij daadwerkelijk op dit adres woont, onder meer door het overleggen van een proces-verbaal van bevindingen van een wijkagent van 29 februari 2024.
De rechtbank is van oordeel dat eiser niet heeft onderbouwd dat hij steeds woonachtig is geweest op het door hem genoemde adres in [plaats] . Het door eiser overgelegde proces-verbaal van bevindingen van de wijkagent is daarvoor onvoldoende, omdat hieruit niet volgt dat eiser steeds op hetzelfde adres als [minderjarige] heeft gewoond. Tijdens de hoorzitting op 23 oktober 2024 heeft de minister eiser erop gewezen dat hij de wijkagent kon vragen een verklaring op te stellen dat eiser op het gestelde adres woont, maar de gemachtigde van eiser heeft tijdens de zitting aangegeven dat de wijkagent dit niet wilde doen, omdat dat zijn taak niet is. Verder is de rechtbank van oordeel dat de verklaring van eiser dat hij sinds de geboorte van [minderjarige] bij haar heeft gewoond niet strookt met de brief van de reclassering van 11 juli 2023 waarin staat dat eiser op dat moment dakloos was. Tot slot overweegt de rechtbank dat eiser er meerdere keren op is gewezen dat hij zich kan inschrijven op het adres [adres] in [plaats] . Dat eiser dit nog steeds niet heeft gedaan, komt voor zijn eigen rekening en risico. De beroepsgrond slaagt niet.
Eiser doet een beroep op de arresten XU en QP van het HvJEU, waarin is geoordeeld dat, om de afhankelijkheidsrelatie van de derdelanderouder en het kind vast te stellen, in het belang van het kind, alle betrokken omstandigheden in de beschouwing dienen te worden betrokken. Eiser heeft een onderzoeksverslag van Passend Onderwijs [plaats] van 14 januari 2021 overgelegd waarin staat dat [minderjarige] behoefte heeft aan structuur. Volgens eiser valt hieruit af te leiden dat een grote verandering, zoals dat hij naar Marokko zou moeten vertrekken, grote impact op [minderjarige] zou hebben. De rechtbank is van oordeel dat uit het verslag niet blijkt dat de structuur die [minderjarige] nodig heeft, gerelateerd is aan eiser. Verder heeft eiser een advies van Passend Onderwijs [plaats] van
23 maart 2021 overgelegd, waaruit volgens eiser blijkt dat hij betrokken was bij het onderzoek van [minderjarige] , omdat de onderzoekers hebben genoteerd dat het verslag besproken is met de ouders. De rechtbank stelt vast dat onderaan het advies staat dat “Dit verslag is besproken met school en ouders.” Echter wordt eiser in dit advies én het hierboven genoemde onderzoeksverslag van 14 januari 2021 niet genoemd, anders dan dat in het advies is vermeld dat het is besproken met de ouders. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister deze stukken onvoldoende mogen achten om een afhankelijkheidsrelatie tussen eiser en [minderjarige] aan te nemen. De beroepsgrond slaagt niet.
Belangenafweging
Eiser voert aan dat de minister terecht gezinsleven heeft aangenomen tussen [minderjarige] en hem, maar dat hij zich er niet mee kan verenigen dat de belangenafweging in zijn nadeel is uitgevallen. In de belangenafweging wordt zwaar gewicht toegekend aan het belang van de bescherming van de openbare orde. De minister heeft echter geen rekening gehouden met de stappen die eiser de afgelopen jaren heeft gezet om zijn leven te beteren. Zoals hij ook op de hoorzitting heeft verklaard, heeft hij goede begeleiding gehad en is hij al zijn afspraken met de reclassering nagekomen. De hulp die hij kreeg heeft geleid tot een postadres en een baan. Deze laatste ontwikkelingen zijn niet kenbaar betrokken bij de uitwerking van de Boultif-criteria.
De rechtbank volgt de minister in het standpunt dat wel sprake is van gezinsleven tussen eiser en [minderjarige] , maar dat de minister het belang van de Nederlandse overheid zwaarder heeft mogen laten wegen dan het persoonlijke belang van eiser. Zoals de rechtbank hierboven heeft overwogen, heeft de minister terecht geoordeeld dat eiser niet meer dan marginale zorg- en opvoedingstaken verricht en dat er geen sprake is van een afhankelijkheidsrelatie tussen eiser en [minderjarige] . Verder heeft de minister zich naar het oordeel van de rechtbank op het standpunt mogen stellen dat de enkele omstandigheid dat eiser na zijn detentie een baan heeft gevonden, onvoldoende is om aan te nemen dat sprake is van gedragsverandering. Daar komt nog bij dat de pleegdatum van het laatste delict op het uittreksel Justitiële Documentatie relatief kort geleden is. De beroepsgrond slaagt niet.
9. Eiser voert aan dat er problemen worden verwacht in de ontwikkeling van [minderjarige] als hij moet terugkeren naar Marokko. Verder is de problematiek van [minderjarige] volgens eiser niet kenbaar betrokken bij de belangenafweging in het kader van artikel 8 van het EVRM. De rechtbank stelt vast dat uit de door eiser overgelegde stukken van Passend Onderwijs [plaats] van 14 januari 2021 en 23 maart 2021 niet blijkt dat er problemen worden verwacht in de ontwikkeling van [minderjarige] als hij moet terugkeren naar Marokko. Dat de minister de problematiek van [minderjarige] niet bij de belangenafweging zou hebben betrokken, volgt de rechtbank evenmin. De minister heeft de belangen van [minderjarige] namelijk expliciet besproken in het bestreden besluit. De beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
10. De rechtbank is van oordeel dat de minister de aanvraag van eiser tot afgifte van een verblijfsdocument EU/EER voor verblijf bij [minderjarige] op grond van artikel 20 van het VWEU en het arrest Chavez-Vilchez terecht heeft afgewezen. Daarom verklaart de rechtbank het beroep ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling of een vergoeding van het griffierecht is bij deze uitkomst geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Skerka, rechter, in aanwezigheid van
mr. A.C. Hummel, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 21 april 2026.
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.