RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de voorzieningenrechter van 4 mei 2026 in de zaak tussen
[verzoeker], v-nummer: [nummer], verzoeker
de minister van Asiel en Migratie.
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.24445
(gemachtigde: mr. M. Pals)
en
Procesverloop
1. Verzoeker heeft op 5 november 2022 een asielaanvraag ingediend. De minister heeft deze aanvraag op 3 juni 2025 afgewezen als ongegrond. Hiertegen heeft verzoeker beroep ingesteld. De minister heeft op 29 april 2026 kenbaar gemaakt dat hij op 7 mei 2026, nog tijdens de beroepsfase, voornemens is om een aanvraag voor een laissez-passer (lp) in te dienen bij de autoriteiten van Azerbeidzjan, het vermoedelijke land van herkomst van verzoeker.
Verzoeker heeft op 30 april 2026 de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen hangende het beroep tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag. Verzoeker wil de indiening van de lp-aanvraag op 7 mei 2026 voorkomen zolang er nog niet is beslist in de hoofdzaak in beroep. De minister heeft op 1 mei 2026 een verweerschrift ingediend op het verzoek.
De voorzieningenrechter doet uitspraak zonder zitting.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
2. De voorzieningenrechter kan op verzoek een voorlopige voorziening treffen als onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist en kan als partijen daardoor niet in hun belangen worden geschaad ook uitspraak doen zonder dat partijen worden uitgenodigd voor een zitting. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechter in de bodemprocedure niet.
Spoedeisend belang
3. De voorzieningenrechter ziet aanleiding om spoedeisend belang aan te nemen, omdat de indiening van de lp-aanvraag op 7 mei 2026 zal plaatsvinden.
Toetsingskader
4. Uit de rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) volgt dat het in beginsel is toegestaan dat de minister hangende beroep in het kader van een lp-aanvraag persoonsgegevens van een vreemdeling verstrekt aan de autoriteiten van zijn vermoedelijke land van herkomst om hen in staat te stellen de identiteit en nationaliteit van de vreemdeling vast te stellen. Deze voorbereidende handeling doet op zichzelf geen afbreuk aan de effectiviteit van het ingestelde beroep of het beginsel van non-refoulement. Voorwaarde daarvoor is wel dat de minister daarbij zorgvuldig te werk gaat en de vreemdeling en zijn gemachtigde hangende beroep zo veel mogelijk betrekt in de lp-procedure. De minister moet namelijk waarborgen dat de voorbereidende handeling niet in strijd is met het beginsel van non-refoulement en het rechtsmiddel beroep ten volle doeltreffend blijft, door geen persoonsgegevens te verstrekken die asielgerelateerd zijn of anderszins een schadelijke strekking hebben. Verzoeker moet in de gelegenheid worden gesteld een rechtsmiddel in te stellen om te voorkomen dat de minister de lp-aanvraag indient bij de autoriteiten van het vermoedelijke land van herkomst.
Mag de minister op 7 mei 2026 een lp-aanvraag voor verzoeker indienen?
5. Verzoeker betoogt dat de indiening van zijn lp-aanvraag in strijd is met het beginsel van non-refoulement en de doeltreffendheid van het rechtsmiddel beroep aantast, omdat in de lp-aanvraag zijn persoonsgegevens staan vermeld terwijl hij in de negatieve belangstelling staat bij de Azerbeidzjaanse autoriteiten. Daarnaast voert verzoeker aan dat de lp-aanvraag gegevens bevat van zijn ex-vrouw die, op grond van de politieke problemen van verzoeker in Azerbeidzjan, asielbescherming in Duitsland heeft gekregen.
De voorzieningenrechter stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat de minister tijdens de beroepsfase een lp-aanvraag kan indienen bij de autoriteiten van het vermoedelijke land van herkomst. Wel is in geschil of de minister voldoende waarborgen heeft getroffen dat deze handeling niet in strijd is met het beginsel van non-refoulement en dat het rechtsmiddel beroep doeltreffend blijft.
De voorzieningenrechter volgt het standpunt van de minister dat verzoeker niet aannemelijk heeft gemaakt dat de persoonsgegevens in zijn lp-aanvraag asielgerelateerd zijn of anderszins een schadelijke strekking hebben. Verzoeker heeft onvoldoende gemotiveerd en onderbouwd waarom het enkel verstrekken van zijn eigen persoonsgegevens en die van zijn ex-vrouw risico’s op schending van artikel 3 van het EVRM oplevert. Bovendien heeft de minister erop gewezen dat de Dienst Terugkeer & Vertrek (DT&V) niet kenbaar zal maken dat verzoeker in Nederland asiel heeft aangevraagd. Dat zijn ex-vrouw mogelijk in Duitsland een asielstatus heeft verkregen, is door verzoeker ook niet onderbouwd. In dat verband stelt de minister terecht dat het op de identiteitskaart van de ex-vrouw vermelde ‘Niederlassungserlaubnis’ geen aanwijzing geeft voor een asielvergunning. Het volgen van de gebruikelijke procedure van Azerbeidzjan, waarin ook de echtelijke staat wordt gevraagd voor nationaliteitsvaststellingen, is dan ook in het belang van de minister. Verder is de voorzieningenrechter van oordeel dat verzoeker voldoende betrokken is bij de lp-procedure. Uit het vertrekgesprek van 29 april 2026 volgt namelijk dat de minister verzoeker in de gelegenheid heeft gesteld om de lp-aanvraag samen in te vullen, waardoor verzoeker van te voren heeft kunnen controleren en mogelijk invloed heeft kunnen uitoefenen op welke gegevens met de autoriteiten worden gedeeld. Verzoeker heeft echter geweigerd samen de aanvraag in te vullen.
De rechtbank is niet gebleken op welke wijze de indiening van de lp-aanvraag de doeltreffendheid van het ingestelde beroep aantast. Dit is door verzoeker ook niet (nader) gemotiveerd. De beroepsgrond slaagt niet.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek af.
Conclusie en gevolgen
6. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.J.H. Boerhof, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. I.S. Pruijn, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.