ECLI:NL:RBDHA:2026:11073

ECLI:NL:RBDHA:2026:11073

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 07-05-2026
Datum publicatie 08-05-2026
Zaaknummer NL24.50931
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Utrecht

Samenvatting

Tussenuitspraak – Pakistan – problemen vanwege de betrokkenheid van eiser bij PTI.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

tussenuitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser,

de minister van Asiel en Migratie, de minister

Samenvatting

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: NL24.50931 T

(gemachtigde: mr. M.A. Krikke),

en

(gemachtigde: mr. A.E. Sojo).

Deze tussenuitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser. Eiser is het daar niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.

De rechtbank komt tot het oordeel dat de minister het bestreden besluit op een aantal punten onvoldoende heeft gemotiveerd. De rechtbank stelt de minister in de gelegenheid om deze gebreken te herstellen.

Procesverloop

Eiser heeft op 3 augustus 2022 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend.

Op 4 september 2023 is het recht van eiser op grond van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming beëindigd, omdat eiser tot de groep derdelanders behoort die in Oekraïne tijdelijk verblijfsrecht had. Eiser heeft sindsdien nog wel procedureel verblijfsrecht in Nederland vanwege zijn lopende asielaanvraag.

Op 19 december 2024 heeft eiser beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een beslissing op zijn asielaanvraag.

Met een besluit van 14 april 2025 (het bestreden besluit) heeft de minister alsnog beslist op de asielaanvraag en de aanvraag in de verlengde asielprocedure afgewezen als ongegrond. Ook heeft de minister een terugkeerbesluit opgelegd voor Pakistan en bepaald dat eiser Nederland binnen vier weken moet verlaten.

Omdat eiser zich niet kan verenigen met het bestreden besluit, is het beroep tegen het niet tijdig nemen van een beslissing op de asielaanvraag op grond van artikel 6:20, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van rechtswege ook gericht tegen het bestreden besluit.

Eiser heeft op 24 april 2025 en 24 november 2025 de beroepsgronden aangevuld. De minister heeft een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft het beroep op 16 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, M. Amer (tolk), de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.

Het asielrelaas

3. Eiser stelt van Pakistaanse afkomst te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1992. Eiser legt aan zijn asielaanvraag ten grondslag dat hij politiek actief was voor de

Pakistan Tehreek-e-Insaf partij (PTI) en actief lid en [functie] van de Youth Wing. In november 2020 is een PTI-bijeenkomst verstoord door acht à tien mensen van de

Pakistan Muslim League Nun ( [persoon3] ). Eén van deze mensen was [persoon1] . Eiser is tijdens dit incident geslagen. Hij heeft de namen van de verstoorders van de bijeenkomst doorgegeven, maar ondanks zijn verzoek heeft de politie de daders niet gearresteerd. Eiser is zelfs verzocht om het verzoek in te trekken. Dit heeft hij geweigerd. Hij is vertrokken naar [plaats] , maar de familie van eiser werd lastiggevallen en men heeft naar eiser gevraagd. Daarop heeft eiser besloten Pakistan te verlaten. Dit was binnen dertig dagen na het incident tijdens de PTI-bijeenkomst. In juni 2024 – toen eiser in Nederland was – zijn eisers broer en vader nog aangevallen door bekenden van [persoon1] . Na zijn vertrek uit Pakistan in 2020 is eiser niet meer actief voor de PTI, maar hij steunt de partij nog steeds. Bij terugkeer naar Pakistan vreest eiser voor (de leden van) de [persoon3] .

Het bestreden besluit

Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:

Identiteit, nationaliteit en herkomst;

Problemen vanwege de betrokkenheid van eiser bij de PTI.

De minister heeft de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig geacht. De door eiser gestelde problemen vanwege zijn betrokkenheid bij de PTI zijn volgens de minister echter niet geloofwaardig.

Volgens de minister heeft eiser zijn betrokkenheid bij de PTI niet onderbouwd met objectieve documenten. De minister verwijst daarbij naar de verklaring van onderzoek van Bureau Documenten van 11 februari 2025 waarin een neutraal advies is afgegeven over de door eiser overgelegde documenten. De verklaringen van eiser vormen volgens de minister ook geen samenhangend en aannemelijk geheel. Eiser voldoet daarmee niet aan de voorwaarde van artikel 31, zesde lid, onder c, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). De minister vindt het niet geloofwaardig dat eiser politieke activiteiten heeft verricht voor de Youth Wing van de PTI. Hij heeft namelijk niet eenduidig verklaard over wanneer hij lid is geworden van de PTI en wanneer hij actiever is geworden voor de Youth Wing in combinatie met (het afronden van) zijn studie. Verder heeft eiser volgens de minister summier verklaard over zijn rol als [functie] van de Youth Wing. Daarnaast heeft eiser gesteld dat hij berichten op sociale media plaatst over de PTI, maar zijn account is niet gevonden door de minister. Verder had eiser volgens de minister meer kunnen verklaren over hoe hij PTI-leden steunt. Tot slot werpt de minister aan eiser tegen dat hij geen asiel heeft aangevraagd toen hij aankwam in Oekraïne in 2021.

Ondanks dat de minister de politieke activiteiten van eiser ongeloofwaardig acht, waardoor het niet aannemelijk is dat eiser problemen heeft ondervonden vanwege de politieke activiteiten, wordt dit element wel op zijn eigen merites beoordeeld. De door eiser overgelegde documenten die volgens hem zijn problemen onderbouwen, zijn niet op echtheid te controleren, aldus de minister. Deze documenten ondersteunen het asielmotief van eiser daarom niet. Ook heeft eiser niet onderbouwd dat de [persoon3] hem zou willen vermoorden, terwijl dat de kern van zijn asielrelaas is.

Het oordeel van de rechtbank

Beroep niet tijdig

5. Tussen partijen is in geschil of eiser het beroep tegen het niet tijdig nemen van een beslissing op zijn asielaanvraag op tijd of prematuur heeft ingesteld en of hij een vergoeding van zijn proceskosten krijgt. Tijdens de zitting is met partijen afgesproken dat de rechtbank dit beslispunt aanhoudt in afwachting van een uitspraak van de meervoudige kamer van deze rechtbank en zittingsplaats over de rechtmatigheid van verlengingen van de beslistermijnen van asielaanvragen middels WBV(‘s). De rechtbank overweegt dat, anders dan verweerder stelt, de asielaanvraag van eiser niet valt onder WBV 2023/6, maar onder WBV 2022/22. Voor de vraag welke WBV van toepassing is, is blijkens de tekst van de WBV namelijk de datum van indiening van de asielaanvragen leidend. Inmiddels heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) in de uitspraak van

25 maart 2026 geoordeeld dat WBV 2022/22 onverbindend is. Dat betekent dat de minister binnen zes maanden na indiening van de asielaanvraag op de aanvraag van eiser had moeten beslissen. Tussen partijen is niet in geschil dat de beslistermijn in dit geval - na afloop van de tijdelijke bescherming op 4 maart 2024 - op 5 maart 2024 is gestart. De ingebrekestelling van 3 december 2024 en het beroep niet tijdig van 19 december 2024 zijn dus niet prematuur ingediend. Eiser heeft echter geen procesbelang meer bij het beroep tegen het niet tijdig beslissen door de minister omdat de minister inmiddels heeft beslist op de asielaanvraag. Dit betekent dat het beroep niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Eiser heeft – zoals hiervoor is overwogen – wel terecht beroep tegen het niet-tijdig beslissen ingesteld. De rechtbank ziet dan ook aanleiding om de minister te veroordelen in de proceskosten die eiser redelijkerwijs heeft moeten maken.

Verzoek om aanhouding in verband met prejudiciële vragen

Eiser voert aan dat de minister de geloofwaardigheid ten aanzien van het verrichten van politieke activiteiten niet had hoeven toetsen, omdat hij voldoende documenten heeft aangeleverd die zijn verklaringen en dit onderdeel van het asielrelaas ondersteunen en aannemelijk maken. Eiser verwijst naar de prejudiciële vragen die deze rechtbank, zittingsplaats Roermond aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) heeft gesteld en verzoekt om de zaak aan te houden tot duidelijkheid is over de interpretatie van onder andere artikel 4 van de Kwalificatierichtlijn.

De rechtbank overweegt dat zij niet verplicht is om de zaak aan te houden. Het is onduidelijk wanneer de uitspraak van het Hof zal volgen en naar het oordeel van de rechtbank kan in dit geval ook zonder het antwoord op deze vragen af te wachten uitspraak worden gedaan. De rechtbank volgt de uitspraak van de meervoudige kamer van deze rechtbank en zittingsplaats waarin is geoordeeld dat toepassing van Werkinstructie (WI) 2024/6 en daarmee van artikel 31, zesde lid, van de Vw niet zonder meer leidt tot een met het Unierecht strijdige beoordeling. In elke afzonderlijke asielzaak moet worden beoordeeld of alle relevante aspecten zijn betrokken en of voldoende is gemotiveerd waarom het asielrelaas ongeloofwaardig is. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om de behandeling van het beroep aan te houden totdat de gestelde prejudiciële vragen zijn beantwoord. Tijdens de zitting heeft de gemachtigde van eiser medegedeeld dat de minister in een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch een ander standpunt had ingenomen over de toepassing van de WI, maar ook daarin ziet de rechtbank geen aanleiding om anders te oordelen.

Door eiser overgelegde documenten

Eiser voert aan dat de minister de door hem overgelegde documenten ten onrechte niet heeft meegewogen, enkel omdat uit de verklaring van onderzoek van

Bureau Documenten van 11 februari 2025 blijkt dat er geen vergelijkingsmateriaal is. Eiser stelt dat de minister deze documenten niet buiten beschouwing mocht laten, maar hier waarde aan had moeten toekennen.

Eiser heeft een lidmaatschapspas van de PTI, een krantenartikel, een brief van

[persoon2] ( [persoon2] ), brieven van de vader van eiser en een kopie van een aangifte overgelegd. De rechtbank stelt vast dat Bureau Documenten in de verklaring van onderzoek over alle door eiser overgelegde documenten – met uitzondering van de kopie van de aangifte – heeft verklaard dat er, gelet op het ontbreken van voldoende betrouwbaar vergelijkingsmateriaal, voor wat betreft de echtheid van de documenten geen uitspraak kan worden gedaan en dat er daarom ook geen uitspraak kan worden gedaan over de opmaak, afgifte en inhoud van de documenten. Over de kopie van de aangifte heeft

Bureau Documenten verklaard dat het document niet origineel is, dus dat daar ook geen uitspraak over kan worden gedaan wat betreft de echtheid, opmaak, afgifte en inhoud.

De rechtbank overweegt als volgt. In een uitspraak van 5 april 2023 heeft de Afdeling geoordeeld dat de enkele omstandigheid dat Bureau Documenten de authenticiteit van een document niet kan vaststellen wegens het ontbreken van referentiemateriaal, niet zonder meer voldoende is voor de conclusie dat dit stuk niet relevant kan zijn voor de beoordeling van de asielaanvraag. De rechtbank zal daarom per overgelegd document beoordelen of de minister dit document voldoende (kenbaar) heeft betrokken in de beoordeling.

Lidmaatschapspas

Eiser heeft een lidmaatschapspas met afgiftedatum 1 januari 2020 overgelegd. Hij stelt dat dit de pas van PTI Youth Wing is. De minister heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat het opmerkelijk is dat er door de minister meerdere Pakistaanse (PTI) asielaanvragen worden behandeld en dat dit pasje in andere zaken nog nooit eerder is ingeleverd ter onderzoek.

De rechtbank overweegt als volgt. Het is onduidelijk waar de minister het standpunt dat nooit eerder zo’n lidmaatschapspas is overgelegd op heeft gebaseerd. Bovendien is deze stelling niet controleerbaar voor eiser en de rechtbank. Ook tijdens de zitting is niet duidelijk geworden of er überhaupt nooit een lidmaatschapspas van de PTI is overgelegd ter onderzoek of dat er nooit een vergelijkbare lidmaatschapspas is overgelegd. De gemachtigde van de minister heeft tijdens de zitting medegedeeld dat de beslismedewerker in het bestreden besluit heeft vermeld dat een dergelijke lidmaatschapspas nog nooit eerder is ingeleverd ter onderzoek en dat het Bureau Documenten deze opmerking niet heeft gemaakt. De rechtbank is van oordeel dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd dat er geen waarde wordt gehecht aan de lidmaatschapspas.

Krantenartikel

Eiser heeft een krantenartikel uit ‘Rawal News’ van 18 november 2020 overgelegd. In het bestreden besluit heeft de minister zich op het standpunt gesteld dat het artikel erg vaag is. Hierdoor kan volgens de minister niet worden vastgesteld dat eiser op de foto staat die in het krantenartikel is opgenomen. Verder stelt de minister zich op het standpunt dat de naam van eiser inderdaad in het krantenartikel wordt genoemd, maar dat eiser niet in de negatieve aandacht van de autoriteiten lijkt te staan, omdat hij het land legaal heeft kunnen verlaten.

De rechtbank stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat de naam van eiser in het krantenartikel wordt vermeld. Volgens de minister is het krantenartikel qua inhoud vaag en blijkt niet dat eiser in de negatieve aandacht van de autoriteiten staat, maar de rechtbank constateert dat in het krantenartikel staat dat eiser lid is van de PTI. Ook wordt in het krantenartikel de bijeenkomst van de PTI in november 2020 beschreven waar eiser ook tijdens het nader gehoor over heeft verklaard. De rechtbank is daarom van oordeel dat het krantenartikel onvoldoende (kenbaar) is beoordeeld aan de hand van de verklaringen van eiser tijdens het nader gehoor.

Brief van [persoon2]

Eiser heeft een ongedateerde brief van [persoon2] overgelegd. De minister werpt aan eiser tegen dat de brief is opgesteld nadat eiser naar Nederland is gegaan. Verder stelt de minister zich op het standpunt dat de brief niet op echtheid te controleren is, omdat het geen objectief document is. Ook vindt de minister het opmerkelijk dat eiser de brief via zijn familie en de broer van [persoon2] heeft ontvangen, terwijl [persoon2] ondergedoken zit en eiser eerder heeft verklaard dat hij geen contact kon krijgen met PTI-leden die ondergedoken zitten.

De rechtbank volgt het standpunt dat eiser tijdens de zitting heeft aangevoerd dat deze brief is bedoeld om zijn asielrelaas te onderbouwen. De enkele omstandigheid dat de brief pas is opgesteld na aankomst van eiser in Nederland, is geen reden om de brief van [persoon2] niet bij de beoordeling te betrekken. Wat betreft het standpunt van de minister dat de brief geen objectief document is, overweegt de rechtbank als volgt. Anders dan de minister stelt, maakt de enkele omstandigheid dat de brief op verzoek van eiser zou zijn opgesteld, niet dat de bron niet objectief is. Dit is immers vaak het geval. Het ligt meer in de persoon van de opsteller en daarbij kan het feit dat is vastgesteld dat die persoon bestaat en een rol speelt in de PTI, van belang zijn. De rechtbank stelt vast dat de minister niet heeft betwist dat [persoon2] bestaat en actief was voor de PTI. Uit het bestreden besluit blijkt echter niet dat de minister deze bevindingen bij zijn beoordeling heeft betrokken. Verder heeft de minister naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende gemotiveerd waarom het niet aannemelijk is dat eiser als (oud) medelid geen contact kon krijgen met [persoon2] , maar dat het via zijn familie en de broer van [persoon2] wel lukte. In de zienswijze heeft eiser immers uitgelegd dat hun families in dezelfde wijk wonen en dat de familie van eiser de broer van [persoon2] regelmatig tegenkomt. De minister heeft deze uitleg onvoldoende (kenbaar) betrokken in zijn beoordeling.

De minister stelt zich verder op het standpunt dat de verklaring van eiser over zijn verkiesbaarstelling tegenstrijdig is met de inhoud van de brief van [persoon2] . Eiser heeft volgens de minister namelijk verklaard dat hij zich in het verleden nooit verkiesbaar heeft gesteld voor de PTI, terwijl in de brief van [persoon2] staat dat de PTI eiser verkiesbaar stelt als kandidaat voor de functie van general counselor. Ook is het volgens de minister onduidelijk wat het verband is tussen de verkiesbaarstelling als general counselor en eisers gestelde problemen. Bovendien is het volgens de minister opmerkelijk dat eiser verkiesbaar is gesteld, terwijl hij al geruime tijd in het buitenland verbleef en meermaals heeft aangegeven nauwelijks activiteiten te hebben verricht voor de PTI na zijn vertrek uit Pakistan.

De rechtbank stelt vast dat eiser tijdens het nader gehoor inderdaad heeft verklaard dat hij zich nooit verkiesbaar heeft gesteld voor de PTI, en dat zijn partij al bekend had gemaakt dat hij in 2023 aan de general counselor verkiezingen zou deelnemen. De minister is hier in het bestreden besluit aan voorbij gegaan en heeft daarmee niet erkend dat er een verschil is tussen het verleden (dat eiser zich nog niet eerder verkiesbaar had gesteld voor de PTI) en de toekomst (dat eiser zich wel verkiesbaar zou stellen voor de PTI). De rechtbank kan het standpunt van de minister dat het opmerkelijk is dat eiser verkiesbaar zou worden gesteld terwijl hij al niet meer in Pakistan verbleef niet volgen, omdat eiser heeft verklaard dat het de bedoeling was dat hij later voor counselor zou gaan en dat dit door zijn partij ook al bekend was gemaakt. De minister heeft dit onvoldoende (kenbaar) betrokken in de beoordeling.

Brieven van eisers vader

Eiser heeft twee brieven overgelegd die zijn vader op 19 november 2020 en

20 juni 2024 zou hebben geschreven. De minister heeft hier in het bestreden besluit het volgende over opgenomen: “(…). . Hoewel u graag had gewild dat er een bepaalde waarde aan deze brieven zou worden toegekend, zijn het geen objectieve documenten en hebben ze geen doorslaggevende factor. Alhoewel de brieven mee zouden kunnen wegen als extra bevestigend bewijs, zijn de brieven in uw situatie niet genoeg om de negatieve weging van uw verklaringen volledig te compenseren. Naast dat er enige twijfel is over de objectiviteit en echtheid van de brieven, zouden ze in uw geval hoe dan ook geen verschil hebben gemaakt.(…).

Het standpunt van de minister is dus, zo begrijpt de rechtbank, dat de brieven van de vader van eiser niet genoeg gewicht in de schaal leggen, omdat de andere documenten die eiser heeft overgelegd ook onvoldoende zijn. Daarmee is de minister ten onrechte in het geheel niet ingegaan op de inhoud van de brieven van de vader van eiser. Zoals bovendien uit voorgaande rechtsoverwegingen blijkt, volgt de rechtbank het standpunt van de minister dat de andere documenten onvoldoende zijn, zonder nadere motivering niet. De motivering van de minister ten aanzien van de brieven van de vader van eiser kan daarom eveneens niet in stand blijven.

Kopie van aangifte

In het voornemen heeft de minister zich op het standpunt gesteld dat de kopie van de aangifte niet betrekking heeft op eiser persoonlijk en zijn asielmotief niet onderbouwt, omdat het een aangifte tegen zijn vader en broer betreft waarin zij worden beschuldigd van het onder valse voorwendselen aannemen van geld ten behoeve van een studievisum voor Oekraïne. Eiser voert aan dat de aangifte wel op hem ziet. [naam] is niet zijn officiële naam, maar degene die de aangifte heeft gedaan heeft de dagelijkse praktijk gebruikt en de achternaam van eiser samengevoegd met de naam van de vader van eiser.

De rechtbank volgt het standpunt van de minister dat, wat er ook van de naam op de aangifte zij, de aangifte niet ziet op de politieke activiteiten die eiser stelt te hebben verricht. De enkele verklaring van eiser dat het een valse aangifte zou zijn, heeft de minister onvoldoende mogen vinden. De rechtbank is daarom van oordeel dat de minister de kopie van de aangifte voldoende in de beoordeling heeft betrokken. De beroepsgrond slaagt niet.

Jaartallen

Eiser voert aan dat hij in de correcties en aanvullingen niet tegenstrijdig heeft verklaard over in welk jaar hij lid is geworden van de PTI, wanneer hij zijn lidmaatschapspas kreeg en wanneer hij actiever is geworden. Het betreft juist een aanvulling op hetgeen hij tijdens het nader gehoor heeft verklaard.

De rechtbank volgt het standpunt van de minister dat eiser tijdens het nader gehoor steeds heeft verklaard dat hij sinds 2015 betrokken is bij de PTI en dat hij in 2020 lid is geworden en dat het onduidelijk is waarom hij in de correcties en aanvullingen heeft aangegeven dat hij zich in 2018 heeft aangemeld als lid. Tijdens de zitting heeft eiser medegedeeld dat hij in 2018 meer actief werd voor de PTI en dat hij in 2020 lid werd. De rechtbank is van oordeel dat de minister het standpunt heeft mogen innemen dat eiser geen eenduidige verklaringen heeft gegeven over wanneer hij lid is geworden van de PTI. De beroepsgrond slaagt niet.

Studie

Volgens de minister is het tegenstrijdig dat eiser tijdens het nader gehoor heeft verklaard dat hij actiever is geworden voor de PTI, omdat hij helemaal klaar was met zijn studie, maar dat hij ook heeft verklaard dat hij naar Oekraïne ging om zijn opleiding af te maken. Eiser voert aan dat dit niet tegenstrijdig is en dat hij in de zienswijze heeft verduidelijkt dat hij zijn studie in Pakistan had afgerond, maar dat hij verder wilde studeren in Oekraïne. De minister heeft zich vervolgens op het standpunt gesteld dat de zienswijze niet bedoeld is om aanvullingen te geven.

De rechtbank is van oordeel dat de minister in het bestreden besluit ten onrechte niet gemotiveerd heeft gereageerd op de stelling van eiser in de zienswijze. De rechtbank gaat niet mee in het standpunt van de minister dat de zienswijze niet bedoeld is voor het geven van aanvullingen op hetgeen tijdens het nader gehoor is verklaard. De zienswijze was in dit geval namelijk de eerste mogelijkheid om te reageren op de tegenwerping van de minister over de studie van eiser. De beroepsgrond slaagt.

Rol bij Youth Wing

Eiser voert aan dat hij gedetailleerd heeft verklaard over zijn specifieke rol als [functie] bij de Youth Wing. De minister werpt daarom ten onrechte tegen dat eiser enkel algemene verklaringen heeft gegeven.

De rechtbank stelt vast dat eiser tijdens het nader gehoor heeft verklaard dat hij als [functie] actief was voor de Youth Wing en dat hij in die rol vergaderingen organiseerde en bijeenkomsten coördineerde. De gehoormedewerker heeft tijdens het nader gehoor ook aan eiser gevraagd hoe een PTI-bijeenkomst eruit ziet. Eiser heeft daarop verklaard dat hij eerst de plaats bekeek waar de bijeenkomst zou worden gehouden en controleerde of alles geschikt was. Verder regelde hij de spullen, zoals een tent en stoelen, en tijdens de bijeenkomst regelde hij eten en drankjes. Ook zorgde eiser er voor dat mensen naar de bijeenkomst konden komen en als het noodzakelijk was regelde hij transport voor de mensen. Verder heeft eiser verklaard dat hij een podium regelde voor de sprekers tijdens de bijeenkomst. Omdat hij [functie] was, moest hij ook het publiek bezighouden tot de spreker er was, bijvoorbeeld door te vertellen over de partij. Gelet op deze verklaringen is de rechtbank van oordeel dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd dat eiser enkel algemene verklaringen heeft gegeven. De beroepsgrond slaagt.

Sociale media

Tijdens het nader gehoor heeft eiser verklaard dat hij de PTI steunt met het posten van content op zijn twee sociale media accounts, maar dat de gebruikersnamen van deze accounts niet te herleiden zijn naar hem. In het aanvullend beroepschrift van 24 april 2025 heeft eiser de gebruikersnamen van zijn accounts genoemd. Eiser voert aan dat de minister tijdens de gehoren ten onrechte niet heeft gevraagd naar (de gebruikersnamen van) zijn sociale media accounts en dat dat hem daarom niet kan worden tegengeworpen.

De rechtbank overweegt als volgt. Tijdens de zitting heeft de minister medegedeeld dat voorafgaand aan de zitting de twee door eiser genoemde sociale media accounts zijn bekeken. Volgens de minister zijn de accounts inderdaad niet te herleiden naar eiser. De rechtbank is echter van oordeel dat de minister heeft nagelaten om de inhoud van de berichten die op de accounts zijn geplaatst te beoordelen. Dit had de minister wel moeten doen. De minister heeft dan ook onvoldoende gemotiveerd waarom het, gelet op de posts op de sociale media accounts, ongeloofwaardig is dat eiser (enige) politieke activiteiten heeft verricht. De beroepsgrond slaagt.

Poging tot moord

Eiser voert aan dat [persoon3] hem heeft geprobeerd te vermoorden en dat de minister erkent dat ten onrechte niet is doorgevraagd over dit onderwerp. Eiser heeft tijdens het gehoor van twee dagen heel veel verteld en ook wat de reden was van zijn vertrek. Als de minister vindt dat eiser hier niet gedetailleerd genoeg over zou hebben verklaard, dan had hij eiser hierover nader moeten bevragen.

De rechtbank stelt vast dat de minister aan eiser heeft tegengeworpen dat hij heeft verklaard dat de leden van de [persoon3] hem steeds zouden hebben geprobeerd te vermoorden maar dat eiser deze stelling niet heeft onderbouwd. De minister stelt zich verder op het standpunt dat, hoewel hier niet op is doorgevraagd, het aan eiser is om hierover uitgebreid te verklaren omdat dit de kern van zijn asielrelaas betreft. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister onvoldoende (kenbaar) in de beoordeling de uitleg van eiser in de zienswijze hierover betrokken. Eiser heeft in de zienswijze namelijk toegelicht dat hij heeft bedoeld om te verklaren dat hij continu gevaar loopt, dat hij werd gezocht (om te worden vermoord) en dat er bedreigingen werden geuit. Gelet op deze toelichting van eiser in de zienswijze heeft de minister zijn standpunt dat eiser hierover onvoldoende heeft verklaard – terwijl hij ook van mening is dat dit niet verder is uitgevraagd tijdens het nader gehoor - onvoldoende gemotiveerd. De beroepsgrond slaagt.

Geen asielaanvraag Oekraïne

18. De minister stelt zich op het standpunt dat het niet duidelijk is waarom eiser geen asiel heeft aangevraagd in Oekraïne om zo een permanent verblijfsrecht te verkrijgen. Tijdens de zitting is besproken dat eiser niet begrijpt dat het feit dat hij in Oekraïne geen asiel heeft aangevraagd afbreuk doet aan de geloofwaardigheid van zijn asielrelaas. De rechtbank kan dit standpunt van de minister ook niet volgen. Eiser is namelijk rechtmatig met een studievisum Oekraïne ingereisd. Daarna is hij met een Oekraïense vrouw getrouwd en had hij daardoor ook legaal verblijf in Oekraïne. De minister heeft onvoldoende gemotiveerd waarom, gelet op deze omstandigheden, het enkele feit dat eiser in Oekraïne geen asiel heeft aangevraagd, afbreuk doet aan zijn gestelde vrees. De beroepsgrond slaagt.

Uitstel van vertrek om medische redenen

Eiser voert aan dat de minister het Bureau Medisch Advies (BMA) had moeten inschakelen. Uit het advies van MediFirst van 25 april 2024 blijkt namelijk dat hij klachten aan het bewegingsapparaat ervaart, waardoor traplopen of lange afstand lopen wordt bemoeilijkt of niet mogelijk is. Ook stelt eiser dat hij een ziekte heeft die in Pakistan niet kan worden behandeld. Hij heeft tijdens het nader gehoor verklaard dat hij constant last heeft van zijn linkerzij en zijn knie. Ook is de bloedcirculatie slecht aan de linkerkant, waardoor zijn spieren slap zijn. Dit is ontstaan door een mishandeling die gerelateerd is aan zijn asielrelaas.

De rechtbank overweegt als volgt. Er worden strenge voorwaarden gesteld aan uitstel van vertrek op medische gronden. Uit de overgelegde stukken blijkt niet dat eiser onder medische behandeling staat. Met het beroepschrift van 24 april 2025 heeft eiser een journaal overgelegd. Hij stelt dat dit journaal van GezondheidsZorg Asielzoekers is, maar dit blijkt niet uit het journaal of uit het advies van MediFirst. Eiser heeft geen andere medische stukken overgelegd. De rechtbank is daarom van oordeel dat de minister het BMA niet heeft hoeven inschakelen. De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het bestreden besluit onvoldoende is gemotiveerd en dus gebrekkig is. De rechtbank kan het bestuursorgaan in de gelegenheid stellen een gebrek in het bestreden besluit via een bestuurlijke lus te herstellen of te laten herstellen. De rechtbank doet dan een tussenuitspraak. De rechtbank ziet aanleiding om de minister in de gelegenheid te stellen de gebreken te herstellen. Dat herstellen kan hetzij met een aanvullende motivering, hetzij, voor zover nodig, met een nieuwe beslissing, na of tegelijkertijd met intrekking van het nu bestreden besluit. De rechtbank bepaalt de termijn waarbinnen de minister de gebreken kan herstellen op zes weken na verzending van deze tussenuitspraak.

De minister moet op grond van artikel 8:51b, eerste lid, van de Awb én om nodeloze vertraging te voorkomen zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen twee weken, meedelen aan de rechtbank of hij gebruik maakt van de gelegenheid de gebreken te herstellen. Als de minister gebruik maakt van die gelegenheid, zal de rechtbank eiser in de gelegenheid stellen binnen vier weken te reageren op de herstelpoging van de minister. In beginsel, ook in de situatie dat de minister de hersteltermijn ongebruikt laat verstrijken, zal de rechtbank zonder tweede zitting uitspraak doen op het beroep.

De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan tot de einduitspraak betreffende het beroep tegen het niet tijdig beslissen en het beroep tegen het besluit tot afwijzing van de asielaanvraag. Dat laatste betekent ook dat zij over de proceskosten nu nog geen beslissing neemt.

Beslissing

De rechtbank:

Deze uitspraak is gedaan door mr. S.G.M. van Veen, rechter, in aanwezigheid van

mr. A.C. Hummel, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 7 mei 2026.

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Tegen deze tussenuitspraak staat nog geen hoger beroep open. Tegen deze tussenuitspraak

kan hoger beroep worden ingesteld tegelijkertijd met hoger beroep tegen de (eventuele)

einduitspraak in deze zaak.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. S.G.M. van Veen

Griffier

  • mr. A.C. Hummel

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand