Gezag, verdeling van zorg- en opvoedingstaken c.q. omgang en alimentatie
Beschikking op het op 4 juni 2025 ingekomen verzoek van:
[de moeder] ,
de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. E.J.W. Schuijlenburg te Leidschendam.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:
[de vader] ,
de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. L.C. de Jong te Woerden.
Procedure
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
- het verweer tegen het zelfstandig verzoek.
De minderjarigen [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] zijn in de gelegenheid gesteld hun mening te geven over het verzoek, maar hebben daarvan geen gebruik gemaakt.
Op 3 maart 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:
Feiten
- De moeder en de vader hebben gedurende 20 jaar een affectieve samenwoningsrelatie met elkaar gehad, welke in 2024 is verbroken.
- Zij zijn de ouders van de volgende minderjarige kinderen:
- [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2008 te [geboorteplaats] ;
- [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2010 te [geboorteplaats] ;
- [minderjarige 3] , geboren op [geboortedatum 3] 2015 te [geboorteplaats] ;
- [minderjarige 4] , geboren op [geboortedatum 4] 2022 te [geboorteplaats] ;
- [minderjarige 5] , geboren op [geboortedatum 5] 2023 te [geboorteplaats] .
- De vader heeft de kinderen erkend.
- De ouders oefenen gezamenlijk het ouderlijk gezag uit over [minderjarige 1] en [minderjarige 5] . De moeder is alleen met het ouderlijk gezag over [minderjarige 2] , [minderjarige 3] en [minderjarige 4] belast.
- Bij beschikking van deze rechtbank van 22 januari 2026 is [minderjarige 2] voorlopig onder toezicht gesteld van Stichting Jeugdbescherming West (de gecertificeerde instelling) en heeft de rechtbank de gecertificeerde instelling een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 2] bij de vader verleend met ingang van 22 januari 2026 tot 22 april 2026.
- [minderjarige 1] , [minderjarige 3] , [minderjarige 4] en [minderjarige 5] verblijven bij de moeder. [minderjarige 2] verblijft bij de vader.
Verzoek en verweer
De moeder verzoekt de rechtbank, na wijziging van haar verzoek, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad – :
De vader voert verweer dat hierna – voor zover nodig – zal worden besproken, en verzoekt de rechtbank zelfstandig en voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
kosten rechtens.
De moeder voert verweer tegen de zelfstandige verzoeken van de vader, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken. Tevens verzoekt de moeder subsidiair de Raad te gelasten onderzoek te doen naar de vraag of gezamenlijk gezag in het belang van de kinderen is.
Beoordeling
Gezag
De vader stelt dat de ouders tijdens hun relatie steeds gezamenlijk alle gezagsbeslissingen met betrekking tot de kinderen hebben genomen en dat er geen reden is waarom zij dat nu niet zouden kunnen. De vader vindt het feit dat de communicatie tussen ouders niet optimaal is, geen reden om hem niet ook met het gezag te belasten. Volgens de vader is dat niet eerder gebeurd omdat de ouders dat simpelweg zijn vergeten te regelen en is het in het belang van de kinderen dat beide ouders het gezag over hen uitoefenen.
De moeder geeft aan dat zij het onder de huidige omstandigheden begrijpelijk zou vinden als de vader ook het gezag zou krijgen over [minderjarige 2] , omdat [minderjarige 2] nu bij hem woont. De moeder vindt echter dat er op dit moment te veel problemen spelen om het gezag ten aanzien van [minderjarige 3] en [minderjarige 4] ook te wijzigen, mede gelet op de communicatie tussen de ouders en de zorgen die de moeder heeft over het verkrijgen van toestemming van de vader voor bepaalde zaken.
De rechtbank zal de ouders gezamenlijk belasten met het gezag over [minderjarige 2] , [minderjarige 3] en [minderjarige 4] en legt dit uit als volgt. Gesteld noch gebleken is dat het gezamenlijk gezag van de ouders ten aanzien van [minderjarige 1] en [minderjarige 5] voor concrete moeilijkheden of problemen heeft gezorgd. Bovendien is duidelijk geworden dat de ouders ook tot overeenstemming zijn gekomen over een vakantie van de moeder met de kinderen naar Kreta en dat de vader voor aanvang van de zitting toestemming heeft gegeven voor de aanvraag van een identiteitsbewijs voor (een van) de kinderen. Ook de communicatieproblemen tussen de ouders acht de rechtbank niet van een dusdanig niveau dat de ouders niet constructief zouden kunnen overleggen over beslissingen aangaande de kinderen. In dat verband merkt de rechtbank tevens op dat beide ouders op de zitting hun vertrouwen in de gecertificeerde instelling hebben uitgesproken en dat de gecertificeerde instelling ter zitting heeft aangegeven de ouders ook te ondersteunen bij het maken van afspraken als dat hen zelf niet lukt. De rechtbank zal het verzoek van de vader dan ook toewijzen.
Zorgregeling c.q. omgang (inclusief vakantieregeling)
Op de zitting heeft de rechtbank met de ouders gesproken over de verzoeken ten aanzien van de zorgregeling. De ouders zijn het eens geworden over de zorgregeling en de rechtbank zal in het navolgende dienovereenkomstig beslissen, omdat de rechtbank deze regeling in het belang van de kinderen acht.
Ten aanzien van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zal de rechtbank, mede gelet op hun leeftijd, bepalen dat er geen zorgregeling zal gelden. Daarbij heeft de rechtbank begrepen dat [minderjarige 1] feitelijk een weekend per veertien dagen bij de vader doorbrengt. De rechtbank gaat ervan uit dat deze feitelijke regeling zal worden voortgezet, maar verbindt hier geen verplichting aan.
De ouders hebben de rechtbank ook verzocht om een verdeling van vakanties en feestdagen vast te stellen. Gelet op de verschillende zorgregelingen die voor de kinderen gelden en de uiteenlopende leeftijden van de kinderen, zal de rechtbank bepalen dat de vakanties bij helfte en in onderling overleg tussen de ouders zullen worden verdeeld.
Kinderalimentatie
Ontvankelijkheid
De ouders beroepen zich allebei op het eerste lid van artikel 1:401 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Dat sprake is van een wijzigingsgrond, is niet tussen partijen in geschil.
De rechtbank zal de ouders daarom ontvangen in hun verzoeken en hierna overgaan tot een inhoudelijke beoordeling om te onderzoeken of, en zo ja, in hoeverre de wijzigingsgrondslag leidt tot een wijziging van de overeenkomst.
De rechtbank zal, anders dan ter zitting heeft aangegeven, eerst de behoefte van de kinderen berekenen op basis van de aangeleverde stukken en hetgeen partijen daaromtrent hebben aangevoerd. Hoewel duidelijk is geworden dat de draagkracht van de vader de beperkende factor zal zijn bij de wijziging van de kinderalimentatie, is het nodig om de behoefte van de kinderen die bij de moeder wonen (te weten [minderjarige 1] , [minderjarige 3] , [minderjarige 4] en [minderjarige 5] ) te berekenen ten behoeve van het bepalen van de zorgkorting die de vader toekomt.
Behoefte
De behoefte van [minderjarige 1] , [minderjarige 3] , [minderjarige 4] en [minderjarige 5] is tussen partijen in geschil.
Voor het bepalen van de behoefte moet allereerst het netto besteedbaar inkomen (NBI) van ieder van partijen tijdens hun samenleving worden bepaald. Tussen partijen is niet in geschil dat de moeder op dat moment geen inkomen had, zodat de rechtbank dat zal volgen. Om deze reden zal de behoefte van de kinderen worden vastgesteld aan de hand van het NBI van de vader.
Partijen zijn het niet eens over het NBI van de vader, zodat de rechtbank dat hierna zal berekenen. Hiervoor gaat de rechtbank uit van een winst uit onderneming van € 54.874,- bruto per jaar. De rechtbank gaat hierbij uit van de gemiddelde winst uit onderneming zoals deze blijkt uit de aangiften inkomstenbelasting van 2022, 2023 en 2024.
De rechtbank houdt verder, net als de moeder, rekening met de zelfstandigenaftrek, de MKB-winstvrijstelling, de algemene heffingskorting en de arbeidskorting.
Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten en rekening houdend met de in de aangehechte berekening opgenomen fiscale heffingskortingen, berekent de rechtbank het NBI van de vader op het moment van het de samenleving op € 3.564,- per maand.
Nu geen rekening wordt gehouden met inkomen aan de zijde van de moeder, bedroeg ook het NBGI van partijen in 2024 dus € 3.564,- per maand. Op basis van dit NBGI hadden partijen recht op een kindgebonden budget van € 841,- per maand, zodat de rechtbank daarmee rekening zal houden. Op basis van de tabel eigen aandeel kosten van kinderen 2024, leidt het voorgaande tot een behoefte van € 1.340,- per maand voor [minderjarige 1] , [minderjarige 3] , [minderjarige 4] en [minderjarige 5] . Geïndexeerd naar 2026 bedraagt deze behoefte € 1.493,- per maand voor alle kinderen, en afgerond € 374,- per maand per kind.
Omdat tussen de ouders niet in geschil is dat de moeder geen draagkracht heeft en de vader naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende heeft onderbouwd waarom van een verdiencapaciteit van € 1.000,- aan de zijde van de moeder dient te worden uitgegaan, zal de rechtbank hierna uitsluitend beoordelen wat de draagkracht van de vader is en op welke manier deze draagkracht dient te worden verdeeld over de voornoemde kinderen.
Draagkracht vader
Voor de bepaling van de draagkracht van de vader gaat de rechtbank uit van een winst uit onderneming van € 56.459 bruto per jaar. De rechtbank gaat hierbij (gelet op de stukken) in redelijkheid uit van de jaarstukken van 2025, aangezien het gemiddelde van de winst uit onderneming van de jaren 2022, 2023 en 2024 lager is dan de winst uit onderneming in het jaar 2025. Ook heeft de vader ter zitting ingestemd met het hanteren van de winst uit onderneming van 2025.
De rechtbank houdt verder rekening met de zelfstandigenaftrek, de MKB-winstvrijstelling, de algemene heffingskorting en de arbeidskorting.
Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten en rekening houdend met de in de aangehechte berekening opgenomen heffingskortingen, berekent de rechtbank zijn NBI in 2026 op € 3.634,- per maand. De rechtbank verwijst hiervoor naar de aangehechte berekening.
Omdat het NBI van de vader hoger is dan € 2.200,-, zal de rechtbank voor de berekening van zijn draagkracht de formule 70% x [NBI – (0,3 x NBI + € 1.365,-)] gebruiken. De draagkracht van de vader bedraagt dan: 70% x [3.634 – (1.078 + 1.365)] = € 825,- per maand.
Omdat de moeder geen draagkracht heeft, komt de gezamenlijke draagkracht van partijen overeen met de draagkracht van de vader, te weten € 825,- per maand. Dit is onvoldoende om volledig in de behoefte van [minderjarige 1] , [minderjarige 3] , [minderjarige 4] en [minderjarige 5] te voorzien. Er is sprake van een tekort van in totaal € 671,- per maand.
Woonbudget
De rechtbank overweegt dat, hoewel de vader nu bij zijn ouders woont en zijn woonlasten daardoor momenteel lager zijn, het met het oog op de zorgregeling in het belang van de kinderen noodzakelijk is dat de vader op zoek gaat naar passende eigen woonruimte, waarin hij de kinderen ook een eigen slaapkamer kan bieden. Ook de moeder heeft het belang hiervan benadrukt. Het is weliswaar te verwachten dat de vader enige tijd nodig zal hebben om deze woonruimte te vinden, maar het is aannemelijk dat deze zoektocht enkel kan slagen indien de vader het gehele woonbudget daarvoor kan aanwenden. Daarom zal de rechtbank, anders dan de moeder betoogt, uitgaan van het reguliere woonbudget.
Zorgkorting
De vader maakt op de dagen dat de kinderen bij hem verblijven kosten waarmee hij ten dele aan zijn onderhoudsverplichting voldoet. Daarom verlaagt de rechtbank de bijdrage van de vader met een percentage van de behoefte van de kinderen (de zorgkorting).
Gelet op de zorgregeling en de vakantieverdeling die de rechtbank zal vaststellen voor [minderjarige 3] en het feit dat [minderjarige 1] feitelijk ook een weekend per veertien dagen bij de vader verblijft, zal de rechtbank uitgaan van een zorgkorting van 25% ten aanzien van deze kinderen. Deze zorgkorting bedraagt dan € 188,- in totaal voor [minderjarige 3] en [minderjarige 1] (0,25 * (€ 1.493 (behoefte totaal) / 2)). Omdat sprake is van een draagkrachttekort van afgerond € 336,- per maand ten aanzien van [minderjarige 3] en [minderjarige 1] (€ 671,- / 2), wordt het tekort aan beide ouders voor de helft toegerekend. De helft van het tekort komt in mindering op de zorgkorting van de vader. Dit betekent dat hij nog recht heeft op een zorgkorting van € 20,- in totaal voor [minderjarige 3] en [minderjarige 1] (€ 188,- -/- €168,-), ofwel € 10,- per kind.
Met het oog op de zorgregeling en vakantieverdeling die de rechtbank zal vaststellen voor [minderjarige 4] en [minderjarige 5] , zal de rechtbank ten aanzien van hen een zorgkorting van 15% hanteren. Deze zorgkorting bedraagt dan € 112,- in totaal voor [minderjarige 4] en [minderjarige 5] (0,15 * (€ 1.493 (behoefte totaal) / 2)). Omdat ook ten aanzien van [minderjarige 4] en [minderjarige 5] sprake is van een tekort van € 336,- en dit tekort ten minste twee keer zo groot is als de zorgkorting, vervalt de zorgkorting van de vader ten aanzien van deze kinderen. De vader zal daarom maximaal, naar zijn draagkracht, moeten bijdragen in de behoefte van [minderjarige 4] en [minderjarige 5] .
Het voorgaande maakt dat de door de vader te betalen bijdrage voor [minderjarige 3] en [minderjarige 1] (na afronding) € 196,- per kind per maand bedraagt en voor [minderjarige 4] en [minderjarige 5] € 206,- per kind per maand.
Ingangsdatum
De rechtbank overweegt dat duidelijk is geworden dat de vader steeds kinderalimentatie aan de moeder heeft betaald. De rechtbank acht het daarom redelijk om de kinderalimentatie te wijzigen vanaf de datum van de beschikking, ook omdat de zorgregeling vanaf die datum zal worden gewijzigd.
Ouderschapsplan
De moeder verzoekt de rechtbank het ouderschapsplan dat zij in 2024 hebben ondertekend aan de beschikking te hechten. Gelet op de sindsdien gewijzigde omstandigheden en de beslissingen die de rechtbank met deze beschikking zal nemen, zijn de in het ouderschapsplan opgenomen afspraken niet meer actueel. Daarom zal de rechtbank dit verzoek van de moeder afwijzen.
Proceskosten
Omdat het een procedure van familierechtelijke aard betreft, zal de rechtbank de proceskosten compenseren als hierna vermeld.
Beslissing
De rechtbank:
*
bepaalt dat voortaan aan de vader en de moeder gezamenlijk het gezag zal toekomen over de minderjarigen:
*
stelt de volgende verdeling van zorg- en opvoedingstaken vast, waarbij:
en waarbij de vakanties en feestdagen door de ouders onderling in overleg bij helfte zullen worden verdeeld;
*
bepaalt de door de vader met ingang van heden te betalen kinderalimentatie ten behoeve van [minderjarige 1] en [minderjarige 3] op € 196,- per maand per kind, vanaf vandaag telkens bij vooruitbetaling aan de moeder te voldoen;
*
bepaalt de door de vader met ingang van heden te betalen kinderalimentatie ten behoeve van [minderjarige 4] en [minderjarige 5] op € 206,- per maand per kind, vanaf vandaag telkens bij vooruitbetaling aan de moeder te voldoen;
*
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
*
bepaalt dat iedere partij zijn eigen proceskosten draagt;
*
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. C.G. Meeder, rechter, bijgestaan door mr. A.J. Klootwijk als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 31 maart 2026.